Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vrij - (ongebonden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vrij bn. ‘ongebonden’
Onl. frī ‘ongebonden’ in samenstellingen en afleidingen, misschien al in de glosse frilasina ‘meisje’ (met onbekend tweede lid), zeker in maltho thi afrio ‘ik zeg je: ik laat je vrij’ [8e eeuw; LS], als simplex in de glosse fri ‘ongebonden’ [9e-10e eeuw; ONW]; mnl. vrij in ende dus sal hi wesen uri ‘en zo zal hij vrij zijn’ [1237; VMNW], vry ‘vrij’ [1270; VMNW].
Os. frī (mnd. vrī, waaruit door ontlening nzw. fri); ohd. frī (nhd. frei); ofri. frī (nfri. frij); oe. frēo (ne. free); got. freis; < pgm. *frija- ‘vrij’. De oorspr. betekenis ‘bemind, geliefd’ is nog aanwijsbaar in de afleidingen pgm. *friju-, waaruit os. frī ‘vrouw’, oe. frēo ‘id.’ en de Germaanse godinnennaam Friia (ohd. Frīja, on. Frigg); en oe. frēod ‘liefde’ < pgm. *frijud-. Zie bovendien → vrijen, → vriend, → vrede en → vrouw.
Verwant met: Sanskrit priyá- ‘lief, geliefd’; Avestisch friia- ‘id.’; Welsh rhydd ‘vrij’, Oudbretons rid ‘id.’ (< Proto-Keltisch *friyo-); < pie. *priHó-, bij de nultrap van *preiH- ‘liefhebben’ (LIV 490), waarbij ook de werkwoorden: Sanskrit prīyatē ‘hij bemint’, prīnā́ti ‘hij is blij’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vrij* [niet belemmerd, onderworpen of bezet] {vri 1237} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries frī, oudengels fri, freo, gotisch freis; buiten het germ. welsh rhydd, oudkerkslavisch prijati [zorgen voor], oudindisch priya- [eigen, geliefd]; de oorspr. betekenis is ‘eigen’, dan ‘geliefd’, gebruikt voor familie en vrije stamgenoten, in tegenstelling tot slaven, en daardoor ‘vrij’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vrij bnw., mnl. vrî ‘vrij, edel, heerlijk, blij’, os. ohd. frī (nhd. frei), ofri. frī, oe. frī, frēo (ne. free), got. freis ‘vrij’ < germ. *frija- < idg. *prijo- vgl. oi. priyá- ‘lief, dierbaar’, kymr. rhydd ‘vrij’ (IEW 844). — Zie ook: vriend, vrijen, vrijdag.

Voor de verhouding der bet. ‘vrij’ en ‘dierbaar’ zie M. Scheller, Vedisch priyá- und die wortsippe frei, freien, freund (Göttingen 1959), die aan het idg. *prii̯o- de bet. toekent van ‘onoplosbare samenhorigheid’ en wel 1. van het lichaam 2. die van bloedverwantschap. Men kan dus uitgaan van de bet. ‘eigen’ > ‘lief’. Van de verbinding met bloedverwantschap leidt hij af ‘wat tot de stand der vrijen behoort’. In een woord als oe. frēobēarn kunnen wij deze ontw. vervolgen: ‘eigen zoon’ > ‘de zoon met rechtsaanspraken als zodanig’ > ‘de zoon van vrije ouders’. — Opmerkelijk is de samenstelling vrij + hals vgl. ohd. frīhals ‘de vrije man’ ofri. frīhals m. ‘vrijheid’, oe. frēols ‘vrijheid; vrij’, on. frjāls ‘vrij’, got. freihals m. ‘vrijheid’. Zeker niet met Kluge af te leiden uit een oud gebruik, dat slaven met een ijzeren ring om de hals gingen, maar eerder als aanduiding voor de man, die de zekerheid heeft van een onaantastbare hals (G. Neckel PBB 41, 1916, 405 = Vom Germanentum 1944, 157-8).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vrij bnw., mnl. vrî “vrij, edel, heerlijk, blij”. = ohd. frî (nhd. frei), os. ofri. frî, ags. frî, frêo (eng. free), got. freis (accus. frijana) “vrij”, germ. *frija-. Oergerm. is de samenst. met hals: ohd. frîhals m. “vrije man”, ofri. frîhals (ook in twee woorden) m. “vrijheid”, ags. frêols m. “id.”, als bnw. “vrij”, on. frjâls “vrij”, got. freihals m. “vrijheid; oorspr. = “vrije hals” resp. “een vrijen hals hebbend”: NB. bij de oude Germanen was een ring om den hals een teeken van slavernij. Germ. *frija- “vrij” < idg. *prijo-, waaruit ook kymr. rhydd “id.”, oi. priyá- “lief, dierbaar”. Deze laatste bet. was de oudste: hieruit ontstond “vriend, verwant”, dan “volksgenoot, vrij man”; vgl. oi. árya- “Ariër”: aryá- “vriendelijk, dierbaar, trouw”. Verwant zijn nog ier. rîar “wil, wensch” en de bij Vrijdag en vrijen beproken woorden, met þ-, ð-formans (idg. t) o.a. nog vrede en on. frîðr “mooi”(= oi. prîtá- “blij, vriendelijk, geliefd”),ags. frîd-hengest m. “mooi, flink paard”, got. freidjan “sparen”, on. frîða “mooi maken, versieren”, ohd. vrîten “begunstigen” (hierbij ohd. frîthof, nhd. friedhof m., mnl., nog dial. vrijthof m. o., onfr. frîthof o., os. frîdhof m “ingesloten ruimte”, vandaar “voorportaal, kerkhof” e.dgl.). Nld. bevrijden, reeds mnl. bevrîden behoort daar niet bij: met ʼt oog op ʼt oudere mnl. (be)vrîen moet ʼt evenals mhd. mnd. vrîen (nhd. freien), ofri. friâia, ags. frêogan (eng. to free), on. frîa “vrij maken” als een denominatie bij vrij beschouwd worden; de d is als bij belijden te verklaren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vrij. De verklaring van de algemeen-germ. samenst. met hals (ohd. frîhals enz.) uit het gebruik dat slaven als teken van hun onvrijheid een ring om de hals droegen, mag niet voor zeker gelden. Daarom verdient overweging de opvatting van Neckel PBB. 41, 405, dat ohd. frîhals enz. ospr. = ‘een beschermde, beveiligde hals hebbend’: de vrije is de man wiens hals (leven) beschermd is, die ‘vrede’ geniet in tegenstelling met de rechteloze slaven. Hierdoor wordt ook de bet.-ontw. ‘geliefd’ > ‘vrij’ belicht. Anders Schrader-Nehring II, 459.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vrij bijv., Mnl. vri, Os. frî + Ohd. id. (Mhd. vrî, Nhd. frei), Ags. fréo (Eng. free), Ofri. frí, On. id. (Zw. en De. id.), Go. freis: Ug. *frijaz + Skr. priyas (= bemind), Oier. ridd (= vrij), Osl. prijati (= zorgen voor): Idg. wrt. prei̯. Bij ʼt Germ. vrij ging de bet. van bemind over in die van vriend, stamgenoot, medeburger, vrij man; men vindt ze echter nog in vrede, vriend, vrijen; vergel. ook Vrijdag.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vrij (bet. van Keltisch of erfwoord)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

vrij. Als bijwoord wordt vrij ook gebruikt om de realiteit van een uitspraak, conclusie of mening sterk te bevestigen, kracht bij te zetten. Het betekent ‘voorwaar, waarlijk, zeker, ongetwijfeld’. Het heeft een expressief, exclamatief, affirmatief karakter, en is vandaar ook wel weer te geven met een van de hedendaagse krachttermen als verdomme. Aldus het WNT.

E. Sanders (2000), Jemig de pemig!: de invloed van Van Kooten en De Bie op het Nederlands, Amsterdam

Vrije jongens

Hebben Van Kooten en De Bie de uitdrukking vrije jongens bedacht? Je leest dit vaak en zij hebben het zelf ook wel eens gesuggereerd. Toch is het niet zo en dat is makkelijk aan te tonen. De uitdrukking is namelijk al ver voor hun geboorte in druk verschenen. De Amsterdamse schrijver Justus van Maurik (1846-1904) gebruikte vrije jongen minstens drie keer in zijn boeken, het eerst in 1883. In 1897 schreef hij in Amsterdam bij dag en nacht: ‘Kleine Mientje, heb ik gepasseerden Woensdag begraven. Ik ben nou weer alleen — ’n vrije jongen, zooals de menschen dat noemen.’

Van Maurik gebruikte vrije jongen steeds voor ‘alleenstaande, vrijgezel, ongebonden man’. Later is het nog herhaaldelijk in die betekenis gebezigd, onder meer door Jef Last en Simon Carmiggelt. Gaandeweg kreeg het tevens de betekenis ‘iemand die zijn eigen gang gaat’. Ook Van Kooten en De Bie gebruikten vrije jongen aanvankelijk op die manier. Bijvoorbeeld toen zij in 1968, in een vraaggesprek met De Nieuwe Limburger, toegaven dat het een misser was geweest om als Klisjeemannetjes mee te doen aan het televisieprogramma Fanclub:

Als je op een gegeven moment wordt uitgenodigd om voor de buis op te treden, dan kan het je niet schelen in welk programma ze je zetten. Al is het in een forum over de bosbouw in Suriname. Dan doe je het nóg. [...] We voelden ons door niets en niemand gebonden. We zijn volmaakt vrije jongens. Het gaat er alleen om, dat onze mannetjes uit de verf komen.

Ook op de plaat Hengstenbal uit 1977 komt de uitdrukking voor, in de beroemde dialoog van de Klisjeemannetjes over hun seksleven. Als Klisjeemannetje Van Kooten zegt dat hij met zijn ejaculatie een volwassen vent ‘met gemak’ van z’n brommer zou kunnen spuiten, en dat acht keer achter elkaar, zegt De Bie: ‘Acht keer? Ja vroeger toen we een vrije jongen waren, toen wou ik nog wel eens een tweede boom opzetten. Maar daar zaten dan altijd twee of drie weken tussen.’

Maar op 28 september 1980 veranderde er wat. Op die dag kondigden Jacobse & Van Es — de Haagse penozeafsplitsingen van Van Kooten en De Bie — aan dat zij de Tegenpartij hadden opgericht, een partij die nadrukkelijk werd gepresenteerd als een groepering van en voor vrije jongens:

F. Jacobse: ‘De Tegenpartij is een partij voor alle Nederlanders die niet meer tegen Nederland kennen. [...] Waar gaat het om? Nederland is ooit groot geweest door de vrije jongens. Grote en kleine zelfstandige ondernemers die nooit te beroerd waren om 48 uur per dag hun handen te laten wapperen. Welnu, kijkers, in dít Nederland zien wij, dat deze vrije jongen met uitroeiing en sterving bedreigd wordt. Deze vrije jongen is een gevangene van het systeem geworden. Een pario.’
Tedje van Es: ‘Zó. En daarom zeggen wij: Al onze vrije jongens motten vrij. Stemp daarom vóór... de Tegenpartij!’

In alle volgende sketches van de Tegenpartij stonden de vrije jongens min of meer centraal. Zo legden Jacobse & Van Es een krans bij de standbeelden van ‘grote vrije jongens’ als Johan de Witt, Johan van Oldenbarnevelt en Michiel de Ruyter. In een persiflage op de commerciële televisie lieten zij allerlei Haagse vrije jongens onbekommerd reclame maken voor hun eigen zaak — een uitzending die de vpro op een berisping van het Ministerie van crm kwam te staan. Kamervoorzitter Dick Dolman had nog geprobeerd dit te voorkomen door, zogenaamd als lid van de Tegenpartij, een beroep te doen op het gevoel voor humor van minister Gardeniers. In een brief had hij haar gevraagd of zij soms van plan was om alle ‘vrije jongens’ de nek om te draaien.

Het was, kortom, vrije jongens vóór en vrije jongens ná, en meteen na de dramatische dood van Jacobse & Van Es op het Haagse Binnenhof deden Van Kooten en De Bie er nog een schepje bovenop, met een loflied op de vrije jongens. Dat liedje was kennelijk ook bedoeld om de gemoederen een beetje te sussen, want inmiddels was er nogal wat kritiek gekomen op de politieke ideeën van de Tegenpartij:

De vrije jongens doen nooit iemand kwaad
Tenzij hij [niet: zij] ongehinderd dag en nacht zijn gangetje maar gaat
Want zulke jongens zijn vrij als de wind
Laat ze maar waaien dan heeft u aan hen geen kind.

Voor de uitdrukking vrije jongens had dit alles ingrijpende gevolgen. In de eerste plaats kreeg zij door Jacobse & Van Es algemene bekendheid. Dat zie je ook in de woordenboeken. Vóór de Tegenpartij stond vrije jongen(s) in geen enkel Nederlands woordenboek. Inmiddels heeft vrijwel ieder woordenboek er een plaatsje voor ingeruimd.

Maar ook de betekenis veranderde. Jacobse & Van Es waren kleine criminelen, jongens die de regels aan hun laars lapten en die ondanks hun uitkering tachtig uur per week hun handen lieten wapperen. Daardoor kreeg vrije jongens een negatieve bijklank. Het wordt niet gebruikt voor grote criminelen — dat zijn zware jongens — maar voor een heel scala aan ondernemers die het met de wet niet al te nauw nemen. In de kranten is de uitdrukking de afgelopen jaren onder meer gebruikt voor advocaten, amateurwetenschappers, antiquaren, brugwachters, Bul Super en Hiep Hieper, commissionairs, krakers, makelaars, managers, marktkooplui, notarissen, parkeerwachters, rechercheurs, schoonmakers, specialisten, supermarkteigenaars, taxichauffeurs, televisiemakers (van Veronica), uitvaartverzekeraars en wasstraatexploitanten.

Johan Cruijff is een ‘geniale vrije jongen’ genoemd en luchtvaartpionier John Block ‘de laatste vrije jongen van de Nederlandse luchtvaart’. Een doctoraalscriptie over kleinschalige bedrijvigheid in Burkina Faso kreeg in 1981 de titel Vrije jongens in Ouagadougou, een studie over een particuliere geheime dienst tijdens de Koude Oorlog werd in 1992 uitgebracht onder de titel Gladio der vrije jongens. Een enkele keer lees je over vrije jongens en meiden, maar vrije meiden — een voor de hand liggende tegenhanger — is niet aangetroffen. Uitdrukkingen als geklofte jongens, jongens van de vlakte en jongens van de gestampte pot kom je bijna niet meer tegen; die lijken geheel te zijn verdrongen door het vergelijkbare vrije jongens.

Rest de vraag: waarom hebben Van Kooten en De Bie de vrije jongens Jacobse & Van Es indertijd vlak voor de verkiezingen laten doodgaan? Kwam dat omdat de racistische denkbeelden van de Tegenpartij zoveel instemming kregen? Dreigde de grap uit de hand te lopen? Toen Vrij Nederland dit in 1982 — een jaar na de dood van Jacobse & Van Es — aan Wim de Bie vroeg, antwoordde hij:

Dat misverstand duikt wel vaker op. Ik weet ook niet hoe dat verhaal de wereld is ingeslopen. Niets is minder waar! Het einde van Jacobse en Tedje van Es kwam weliswaar onverwacht, maar wij wisten van te voren dat het zo moest aflopen. De figuren waren op. Er zat niets meer in.

Maar twee jaar later, in 1984, vertelde Kees van Kooten aan De Typhoon:

In de tijd van Jacobse & Van Es was ons publiek breder, dat was het Archie Bunker-effect. Archie Bunker, All in the Family, werd gekenmerkt doordat mensen lachten óm Archie Bunker, die hadden het door. Of ze lachten mét Archie Bunker, ze dachten: die heeft gelijk. Zo zijn wij dus echt op de voorpagina van het blad van de Volksunie van Glimmerveen geplaatst met: Bravo! Van Kooten en De Bie, eindelijk eens twee die het durven te zeggen! We hoopten dat het satirisch, dik en grof en schunnig genoeg was om voor die trend te waarschuwen, maar het werd door grote groepen mensen juichend begroet. Daar zijn we erg van geschrokken, de werkelijkheid haalde onze satire in. Toen hebben we ze laten overlijden.

De verklaring dat de typetjes ‘op’ waren is inmiddels vergeten; de verklaring dat Jacobse & Van Es eigenlijk door het rechts-extremisme zijn vermoord — zoals Kees van Kooten het ook wel eens heeft verwoord — is inmiddels een eigen leven gaan leiden. Onlangs verklaarden Van Kooten en De Bie dat de waarheid ergens in het midden ligt: beide overwegingen speelden een rol, hoewel de eerste toch wel zwaarder woog: Jacobse & Van Es, de grote verbreiders van de uitdrukking vrije jongens, hadden simpelweg hun tijd gehad.

Zie ook dameswensen; geen gezeik, iedereen rijk; godverdegodver; kneukfilm; mogen wij even overgeven?; neutronenkorrels; samen voor ons eigen en Tedje van Es.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vrij, van vrijen = liefhebben, zie Vrede, Vriend, Vrijdag; wat men liefheeft, zal men ook verzorgen, ontzien, sparen en is dus veilig; zoo kreeg vrij de bet. van: veilig, beschermd, zie Vrede. Oudtijds was een zelfstandig man of een „vrije” iemand, wiens hals of leven door ’t weergeld beschermd was; het was een „vrijhals”, zoodat het Got. freihals dan ook vrijheid bet. Hieruit kreeg vrij de bet. van: niet-lijfeigen, niet-afhankelijk, zelfstandig; dus: een vrij man is iemand, die baas is over zich zelf; een vrije vertaling: een niet-slaafsche, zelfstandige vertaling; een vrije plaats: nog niet aan een ander behoorende. Zoo kreeg het denom. (be)vrijden de bet. van: vrij maken, dus: ontslaan van de lijfeigenschap, van de boeien, enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vrij ‘niet belemmerd, niet onderworpen of bezet’ -> Duits dialect free ‘(bijwoord van graad) tamelijk, redelijk’; Zweeds fri ‘niet belemmerd, niet onderworpen of bezet’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests prii ‘niet belemmerd, niet onderworpen of bezet’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch perai, vrij ‘vrijgesteld van werk, op vakantie zijn; gratis; vacant, leeg (stoel); onbelemmerd; vrije versnellingsstand’; Balinees prai ‘vakantie; vrijgesteld’; Jakartaans-Maleis peré, pré ‘niet belemmerd, niet onderworpen of bezet’; Jakartaans-Maleis peré ‘vakantie, vrije dag’; Javaans prèèn, prèi ‘vakantie; vrijgesteld’; Keiëes fre ‘niet belemmerd, niet onderworpen of bezet’; Kupang-Maleis farei, frei ‘gratis, pro deo; onbelemmerd’; Menadonees frei ‘vrijgesteld van de betaling van belasting’; Minangkabaus perai ‘vakantie; zonder verplichtingen’; Muna ferei ‘vrij hebben; een vrije dag hebben’; Soendanees pĕre ‘vrij, niet belemmerd; niet onderworpen of bezet’; Negerhollands vri(e), fri ‘niet belemmerd, niet onderworpen of bezet; bevrijden’; Surinaams-Javaans frèi, prèi, pré ‘vrij(af); kosteloos, gratis’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vrij* niet belemmerd, niet onderworpen of bezet 0701-800 [Lex Salica]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

vrije jongens, kleine zelfstandigen die de regels van de wetgeving niet al te nauw nemen. Eufemisme. Eigenlijk de aanduiding voor de door Van Kooten en De Bie gecreëerde typetjes Jacobse* en Van Es, de Haagse penosefiguren die in 1979 hun debuut maakten.

Britse automobilisten klagen steen en been over de praktijken van de ‘vrije jongens’ in de parkeerklembusiness. (Trouw, 26/02/93)
Met de ‘vrije jongens’ een paar meter verder heeft hij minder moeite. (HP/De Tijd, 18/07/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

581. Frank en vrij,

ook geschreven vrank en vrij, wil zeggen: onbeschroomd, vrijmoedig. In de 16de eeuw, evenals ook nu, vrij en vrank, zie Hooft, Ger. v. Velzen, 432: Vry en vranck; Ann. 987: Vrank en veiligh; Vondel, Adam in Ball. vs. 1328: Zoo leeftge vranck en vry; Tuinman II, 104 en Halma, 752: Hij gaat vrij en vrank over straat, il marche franc et libre par la rue; Joos, 46: Vrij en vrank. Het adjectief vrank (frank) is ontleend aan het fr. franc, mlat. francus, Frankisch ‘De bet. ontwikkeling Frankisch > vrij lag in het Frankenrijk met zijn vele onvrije onderworpelingen zeer voor de hand’ (Franck - v. Wijk, 761). Ook in het fr. hd. en eng. (free and frank naast frank and free); de. fri og frank.

2479. Het vragen staat vrij, maar 't weigeren er bij.

Het eerste gedeelte van dit gezegde is in de 16de eeuw te lezen bij Gruterus I, 121; eveneens bij V.d. Venne, Bel. Werelt, 5: 't Vragen is vry. In de 17de eeuw wordt het volledig aangetroffen bij Vondel, Adonias, 413: Het vraegen staet ons vry, maer 't weigeren hier by; Tuinman I, 84: t Vragen staat vry; dog 't weigeren staat daar by; II, 62; Harreb. III, 79; Molema, 462: vroagen is vrei, 't waigren d'r bij, het vragen kan niemand kwalijk nemen, evenzoo goed heeft een ander vrijheid het verzoek af te slaan; fri. it freegjen is frij, en 't wegerjen der by. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 1404: vragen is vrij, maar 't weigeren staat er bij; Tuerlinckx, 711; Waasch Idiot. 724; oostfri. fragen steid frei; man 't weigern d'r by (Ten Doornk. Koolm. I, 551Vgl. Lorr. II, 1927: Helene seide: Doch vrages hem, in machs emmer niet hebben men (minder) dan sijt wederseggen doch.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut