Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vriezen - (minder dan 0 graden Celsius zijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vriezen ww. ‘minder dan 0 graden Celsius zijn’
Mnl. vriesen ‘vriezen’: urisen [1240; Bern.], in so welke tijt dat sere vriest datmen ne gheen werc wel maken mach ‘wanneer het streng vriest, zodat men geen werk behoorlijk kan verrichten’ [1294; VMNW].
Mnd. vresen; ohd. friosan (nhd. frieren); nfri. frieze; oe. frēosan (ne. freeze); on. frjósa (nzw. frysa); < pgm. *freusan-. Zie ook → vorst 2.
Verwant met: Latijn pruīna (< *prusuīna, zie Hamp 1973) ‘rijp, sneeuw’; Welsh rhew (< *preuso-) ‘rijp, vorst’; en misschien Sanskrit prusvā́ ‘dauwdruppel’; < pgm. *preus-, *prus- ‘vriezen’ (IEW 846). Mogelijk is de betekenis ‘vriezen’ niet primair, maar via ‘koelen’ en ‘met koude druppels besproeien’ ontstaan uit ‘besproeien’ (LIV 493-494). In dat geval zijn ook Sanskrit pruṣṇóti ‘bedruppelt, besproeit’ en Russisch prýskat' ‘besproeien’ verwant.
De -r- in de verleden tijd mv. vroren en het verl.deelw. gevroren is klankwettig ontstaan door grammatische wisseling en rotacisme, zoals in (uit)verkoren bij verkiezen. De oorspronkelijke verleden tijd ev. vroos - nog Vlaams - werd door analogie met verloor vervangen door vroor. In het Duits is hetzelfde gebeurd en is de -r- uiteindelijk zelfs doorgedrongen in de infinitief frieren en in de vormen van de tegenwoordige tijd.
Lit.: E.P. Hamp (1973), “Another lesson from ‘frost’”, in: Journal of Indo-European Studies 1, 215-223

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vriezen* [het heersen van vorst] {vr(i)esen 1201-1250} oudhoogduits friosan, oudengels freosan, oudnoors frjósa, gotisch frius [vorst]; buiten het germ. latijn pruina [rijp], pruna [gloeiende kool], welsh rhew [vorst], albaans prūsh [brandende kool], oudindisch pruṣva- [rijp]; de grondbetekenis is ‘prikkelen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vriezen ww., mnl. vriesen, mnd. vrēsen, ohd. friosan (nhd. frieren met r uit verl. t. en deelw.), oe. frēosan (ne. freeze), on. frjōsa. — Daarbij behalve het znw. vorst ook mnl. vriese m. (nog dial.), got. frius, on. frør, frer o. ‘vriezend weer’. — lat. pruina (< *prusu̯īnā) ‘rijp, rijm’, prūna ‘gloeiende kool’, prurīre ‘jeuken’, oi. pruṣvā ‘ijs, rijp’, pruṣṇōti ‘spuiten’, alb. prūš ‘brandende kolen’, van idg. wt. *preu-s ‘een stekend gevoel veroorzaken’ (IEW 846).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vriezen ww., mnl. vriesen. = ohd. friosan (nhd. frieren: voor de r vgl. hd. verlieren bij verliezen), mnd. vrêsen, ags. frêosan (eng. to freeze) “vriezen”, on. frjôsa “doen bevriezen”. Hierbij de znww. mnl. vriese m. (nog dial.: Zaansch en dial. Kemp. vries), got. frius (o.?) “vorst”, on. frør, frer o. “vriezend weer” en vorst III. Van de idg. basis prus-, die ʼt prikkelende gevoel zoowel van hitte als van kou aanduidde. Hiervan ook lat. prûna (*prusnâ) “gloeiende kool”, pruîna (*pruswînâ) “rijp”, prûrîre “jeuken”, alb. pruš “brandende kolen, gloed”, oi. plóṣati “hij brandt, verschroeit”, pruṣvấ- “bevroren water, rijp”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vriezen ono.w., Mnl. vriesen + Ohd. friosan (Mhd. vriezen, Nhd. frieren), Ags. fréosan (Eng. to freeze), On. frjósa (Zw. frysa, De. fryse), Go. frius (= vorst) + Skr. pruṣvâ = rijm, Lat. pruina (d.i. *prusvina) = bevroren dauw, en prurire = jeuken, pruna = gloeiende kool, Alb. pruṡ = gloed: Idg. wrt. preu̯s = branden, zengen, vriezen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vrere (ww.) vriezen; Vreugmiddelnederlands urisen <1240> < Duits frieren.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vries ww.
1. So koud wees dat water 'n vaste stof word. 2. Deur die koue 'n vaste stof word. 3. Ontstaan deurdat iets vries (vries 1).
Uit Ndl. vriezen (Mnl. vriesen, vresen in bet. 1, 1598 in bet. 2, 1612 in bet. 3).
Eng. freeze (971 in bet. 1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vries: so koud word dat ryp of ys ontstaan; Ndl. vriezen (Mnl. vriesen), Hd. frieren, Eng. freeze, hou verb. m. Lat. pruina, “ryp”, en m. vors V.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vriezen, van den Germ. wt. freus, Idg. preus: prikkelen, steken. Denk aan het „tintelen” der handen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vriezen* het heersen van vorst 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut