Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vreugde - (blijdschap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vreugde zn. ‘blijdschap’
Mnl. vreuchde, vrogede ‘blijdschap, blijmoedigheid’ in Miin doghen willic met vruechden draghen ‘mijn leed wil ik met vreugde dragen’ [1291-1300; VMNW].
Nevenvorm van mnl. vroude, vrowede ‘vreugde’ [13e eeuw; VMNW].
Mnd. vröude; ohd. frewida, frouwida (nhd. Freude); laat-on. frygd (nzw. fröjd); alle ‘vreugde, blijmoedigheid’, < pgm. *frawiþō-, afleiding van *frawa- ‘vrolijk, opgewekt’, zie → vrolijk. Daarnaast met andere ablaut: laat-on. frygð (nzw. fröjd) < pgm. *fruwiþō-.
De klankwettige Nederlandse vorm is vroude (zonder umlaut van de diftong zoals in het Duits). Over de verklaring van de huidige Nederlandse vorm lopen de meningen uiteen. FvW en NEW gaan uit van een West-Germaans werkwoord *frawjan-, dat dialectisch tot *vreujen > vreughen ‘zich verheugen, vrolijk zijn’ heeft geleid, waaruit dan vreugde zou zijn afgeleid. Afleiding via een (in het Middelnederlands overigens weinig frequent) werkwoord is echter niet zonder meer nodig (WNT). De halfklinker -w- in West-Germaans *frawida kan in dialecten gemakkelijk vervangen zijn door andere overgangsklanken: -j-, zoals in het Hoogduits, of -g-, zoals in het Oudnoords. In het Nederlands lijkt de vorm met velaar oorspr. vooral zuidelijk en oostelijk. In Hollandse en Utrechtse teksten komt hij nog niet voor (WNT) en Kiliaan karakteriseert vroude als oostelijk en Hollands; blijkbaar was vroude in het Brabants toen allang vervangen door vreugde.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vreugde*, vreugd [blijdschap] {vreuchde 1348} van middelnederlands hem vreugen [zich verheugen] (vgl. verheugen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vreugde znw. v., mnl. vreuchde, vreughede, vrōghede is een afl. van het ww. vreughen, vrōghen ‘zich verheugen’, nnd. frögen en frōgen. Daarnaast mnl. vroude, vrouede, ohd. frawida naast frewida (nhd. freude). Naast mnl. vrōghen staat ook mnl. vrōien, vgl. ohd. frōōn en frawjan. — Zie: vrolijk.

De vorm met g is moeilijk te verklaren; een dial. ontw. uit j? — H. Kern Ts 20, 1901, 45-46 vergelijkt ooge naast ouw, maar hier kunnen wij uitgaan van een grondvorm *ahwja: agwja, terwijl bij vreugde van een oorspr. labiovelaar niets blijkt. — Th. Frings Germ. Rom. 21 wil het woord verklaren als overname uit het hd. freude door de riddercultuur.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vreugde znw., mnl. vroechde, vreuchde v. Moeilijke vorm, desnoods te begrijpen als oorspr. dial. vorm bij mnl. dial. hem (ver)vrôghen (ȫ) = mnl. hem (ver)vrôien, hem (ver)vrouwen “zich verheugen”, waarbij ʼt oudere en gewonere mnl. vroude v. “vreugde” behoort. Zie vrolijk en voor de g vgl. vroeg.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vreugde. De afl. van verheugen met vr- als in mnl. vrêschen naast v er(h)êschen ‘informeren, vernemen’ bevredigt niet. Ook als men met Frings Germ. Rom. 212 ontlening uit het Hd. aanneemt, blijft de vorm vreemd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vreugd v., Mnl. vreuchde, vroude + Ohd. frewida (Mhd. vreude, Nhd. freude): afgel. van het werkw. (Mnl.) vreughen, vroghen, vroien, vrouwen + Hgd. f reuen, denom. van vroo (z.d.w.). Men heeft beweerd dat vreugd en vreugen, niet identisch zijn met vroude, vrouwen, maar ontstaan uit verheugen; eu is hier wel dial. umlaut van ou, ô, en g is uit j als in delgen, tergen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vräög (zn.) vreugde; Vreugmiddelnederlands vreuchde <1291-1300>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

vruid, zn.: vreugde, plezier. D. Freude < Ohd. frewida, frouwida, Mhd. vröude, vreude, afl. van het bn. froh ‘vro, vrolijk, blij’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vreug: – vreugde – , blydskap, geluk, plesier; Ndl. vreugde (Mnl. vroechde/vreuchde naas vroude, misk. uit Mnl. (ver)vroghen uit (ver)vroien/(ver)vrouwen), hou verb. m. vrolik (q.v.) en misk. ook m. vroeg ondanks fonet. besware (v. FvWvH en dVri J NEW).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vreugde (Duits Freude)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vreugde, Mnl. vroude, van vroo = blij. Vgl. ’t Mnl.: „Hi es blide ende vro „Dien coninc wart (werd) dat herte onvro” (bedroefd); nog in vroolijk. Anderen zien in het woord een afl. van vreugen, verkorting van verheugen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vreugde ‘blijdschap’ -> Fries freugde ‘blijdschap’; Negerhollands vreegde ‘blijdschap’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vreugde* blijdschap 1348 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut