Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vreten - (gulzig eten, eten van dieren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vreten ww. ‘gulzig eten, eten van dieren’
Mnl. vreten ‘opeten, gulzig opeten, verslinden’ in die vraten looc mit coolstronken [1400-50; MNW], vreten ende ... zwelghen [1437; MNW-P].
Ontwikkeld uit Proto-Germaans *fra-etan-, een afleiding van → eten die alleen in het Gotisch nog als zodanig herkenbaar is. Hoewel dit voorvoegsel zich gewoonlijk tot → ver- heeft ontwikkeld, is het in dit geval in de West-Germaanse talen overal samengetrokken tot fr- > Nederlands vr-. Er bestond weliswaar ook een woord mnl. vereten ‘helemaal opeten’, maar dat is wrsch. een jongere afleiding: die al sijn goet vereten heift ‘die heel zijn bezit heeft opgemaakt met slechte vrouwen’ [1332; MNW-P], die motten sullense vereten ‘de motten zullen hen opeten’ [1348; MNW-P].
Os. fretan (mnd. vreten); ohd. frezzan (nhd. fressen); nfri. frette; oe. fretan (ne. fret); got. fra-itan; alle ‘opeten, verslinden’, < pgm. *fra-etan-. In de jongere taalfasen, naast mnl. vereten ‘helemaal opeten’: mnd. voreten ‘id.’; mhd. verezzen ‘id.’. Zie ook de ablautende afleiding → vraat.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vreten* [gulzig eten] {vreten, vereten 1437} oudsaksisch fretan, oudhoogduits frezzan, oudengels fretan, gotisch fraitan = fra + itan, van ver- + eten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vreten ww., mnl. vrēten, os. fretan, ohd. freʒʒan (nhd. fressen), oe. fretan (ne. fret ‘wegvreten, invreten’), got. fraitan (verl. t. frēt) ‘gulzig eten’ is een samenstelling van fra + itan (waarvoor zie: eten).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vreten ww., mnl. vrēten. = ohd. frëʒʒan (nhd. fressen), os. ags. frëtan (eng. to fret “wegvreten, invreten”), got. fraïtan (praet. fret) “(gulzig) opeten”. Een samenst. van eten. Voor den anlaut vgl. vracht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vreten o.w., Mnl. id. + Ohd. freʒʒan (Mhd. vreʒʒen, Nhd. fressen), Ags. fretan, Go. fra-itan: met eten en het praefix ver- (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vrete (ww.) vreten; Middelnederlands vreten <1400-1450> < Rienlands fräten.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

freten, fretten, ww.: gulzig eten, smullen. Ook gebruikt in een kaartspel van kinderen, waarbij wie niet kan volgen, kaarten uit de stok moet nemen (a.h.w. eten). Ook Vlaams fretten, fritten. Vnnl. freten ‘gulzig eten’; 1853 zuipen en vreten doet lettel weten, Gent (LC). Door expressieve v/f-verscherping uit vreten, door samentrekking van vereten; vgl. D. fressen.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

freten ww.: eten (van dieren). Var. van fretten.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

fritten (G), frieten (G), fretten (L, W, ZV), ww.: gulzig eten, smullen. 1853 zuipen en vreten doet lettel weten, Gent (LC). Zoals vreten door samentrekking van vereten, maar met expressieve f; vgl. D. fressen.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vreet ww.
1. (plat; t.o.v. mense) Gulsig en onmanierlik eet. 2. (bv. t.o.v. die gewete) Knaag. 3. (t.o.v. diere) Eet. 4. Kwaadaardig inwerk en wegneem. 5. (t.o.v. 'n kaartspel) Kaarte uit die pakkie neem totdat jy 'n kleur kry waarmee jy kan voortspeel.
Uit Ndl. vreten (al Mnl. in bet. 1, ongeveer 1626 in bet. 2, 1712 in bet. 3, 1770 in bet. 4, 1886 in bet. 5).
D. fressen (8ste eeu).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

fretten, ww.: eten, smullen. Zoals vreten door samentrekking van vereten; vgl. D. fressen.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vreet: gulsig/oormatig eet (v. mense gesê); v. d. eet v. diere gesê; Ndl. vreten (Mnl. vrēten), Hd. fressen, Eng. fret, eint. “invreet” (v. ergernis), afl. m. ver- v. eet – oor verw. v. vraat.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Vreet snw., naam van ’n eenvoudige kaartspel wat veral onder kinders baie gewild is. Boshoff 270 noem vreet onder die woorde wat uit die Saksiese dialekte stam. Die woord is egter ook elders, by name in Suid-Nederland, baie goed bekend. Vgl. Corn. en Vervl. 433: “Frèten, zeker kaartspel, waarin hij die niet volgen kan, kaarten uit den boek moet opnemen, totdat hij volgen kan... Het frèten is vooral een kaartspel van kinderen;” ook by Joos (fretten), Tuerlinckx (id.), Teirlinck (id.), De Bo (eten).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

vreten . Vreet je klem! is een verwensing die in Rotterdam en omgeving gebruikt wordt. De betekenis komt in de buurt van ‘barst’. Sanders en Tempelaars (1998) noemen nog twee andere versterkende verwensingen uit het Amsterdamse: vreet kurk en laat je lijk drijven! en vreet kurk en sterf, dan kan ik je lijk voorbij zien drijven! Het heeft er alle schijn van dat deze laatste een buitengewoon beperkt verspreidingsgebied hebben. In ruim tienduizend vragenlijsten die ik ingevuld terug mocht ontvangen, komen zij niet eenmaal voor. In Vlaanderen kent men nog vreet uw haar op en schijt kalotten! Kalot is een ‘plat mutsje zonder klep’. De verwenser nodigt de verwenste uit tot weerzinwekkend en onmogelijk werk. De verwensing duidt op minachting, weerzin, afkeer, haat en vergelijkbare emoties. Ik zou haar weergeven met ‘ik kots van je, rot op’. Datzelfde geldt voor krijg de stuipen in je darmen, kunnen vreten weer de armen!haar, kramp, schijten, stuip.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vreten, staat voor ver-eten = te veel eten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vreten ‘(gulzig) eten’ -> Zweeds fräta ‘aantasten en oplossen door chemicaliën, aanvreten’ (uit Nederlands of Nederduits); Petjoh freten, vreten ‘smikkelen, smullen van een gerecht of ander lekkers’; Papiaments fretu ‘gulzig eten’; Sranantongo freit(i) ‘(gulzig) eten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vreten* (gulzig) eten 1437 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ed- ‘essen’, ursprüngl. athematisch, aber meist thematisch geworden, Nominalformen: ed-ono-, ed-men-, ed-u̯en/-u̯r̥ ‘Essen, Speise’; Partiz. Perf. Pass. ēd-to- (?), ēdi̯o- ‘eßbar, Speise’; ēdo-, ēdā ‘Speise’; edont-, dont-, dn̥t- ‘Zahn’.

Ai. athem. Präs. 1. Sg. ád-mi, 3. Sg. át-ti ‘ißt’, Perf. ādimá (: lat. ēdimus, got. etum) ;themat. im Medium ada-sva;
av. 3. Sg. Konj. aδāiti;
arm. utem ‘esse’, themat. (*ōd-);
gr. hom. Infin. ἔδμεναι, Fut. (alter Konj.) ἔδ-ο-μαι, Imper. ursprüngl. *ἔσθι (: ai. addhí), danach sekundär ἐσθίω (ἔσθω) ‘esse’; sekundär themat. ἔδω (nach Partiz. ἐδοντ- und der danach aufgekommenen 3. Pl. ἔδοντι), Perf. hom. ἐδ-ηδ-ώς, ἐδήδοται (nach πέπο-ται), att. ἐδήδοκα;
lat. edō, ēs, ēst usw. ‘essen’ (Länge des ē entweder alt oder nach der sog. Lachmannschen Regel zu erklären; ob alt im Partiz. ēsus und Supinum ēs(s)um?); Perf. ēdī; osk. Infin. edum, über umbr. ezariaf s. unten S. 288;
air. Konj. ci-ni estar ‘obgleich er nicht ißt’ (*ed-s-tro), Fut. īss- (*i-ed-s-), Perf. dofūaid (*de-u(p)o-od-e), Partiz. esse ‘gegessen’ (*ed-ti̯o-); cymr. ys ‘ißt’ (*ed-ti);
got. themat. itan (Perf. 1. Pl. ētum, ahd. āzum usw.: alat. ēdimus), anord. eta, as. ags. etan, engl. eat, afries. īta, ahd. ezzan ‘essen’ (= ai. ádanam ‘Fuller’, gr. ἐδανόν ‘Speise’); mit Präfix fra- (*pro-): got. fra-itan ‘aufzehren’, ags. fretan ‘nagen’, ahd. frezzan ‘fressen’; kaus. got. fra-atjan; anord. etia ‘verzehren lassen’, ags. ettan ‘grasen lassen’, ahd. azzen, ezzen ‘zu essen geben, abweiden lassen’, nhd. ätzen, eigentlich ‘eine scharfe Flüssigkeit sich einfressen lassen’;
bsl. *ēd-mi in:
lit. ė́du, ė́džiau, ė́sti (alt. ė́[d]mi, 3. Sg. ė́st) ‘essen, fressen’, Supin. ė́stų; lett. ę̂mu (älter *ę̂mi) und êdu, êst ds., Supin. êstu; apr. īst, īstwei ‘essen’; aksl. jamь (*ěmь), 3. Sg. jastъ (*ěstъ) idg. *ēd-ti), 3. Pl. jadętъ (idg. *ēdn̥ti), Infin. jasti (alt ěsti), Supin. jastъ, ačech. jěst;
lit. Partiz. ė́dęs, apr. īduns, aksl. jadъ ‘gegessen habend’;
hitt. et- ‘essen’, Imper. e-it (et), 1. Sg. Präs. e-it-mi (etmi), 3. Pl. a-da-an-zi (adanzi); das erste a durch Assimilation?, s. Friedrich IF. 41, 371; anders Pedersen Hitt. 128;
in Kompositis: gr. ἄ̄ρι-στον (*-d-tom) ‘Frühstück’; mit Dehnung im Kompositum δειπνηστός ‘Essenszeit’, δορπηστός ‘Zeit des Abendessens, Abend’ (vgl. auch hom. ὠμησής ‘Rohes essend’: ai. āmād- ds.); gr. ἐδεστός, -τέος ist aus *ἐστός, *ἐστέος nach ἔδομαι ausgestaltet (wie ἐδεσθῆναι aus *ἐσθῆναι).
Nominalbildungen:
1. Dehnstufig:
ēdi̯o-, ēdi̯ā: in ai. ādyá- ‘genießbar’ (ādyūna- ‘gefräßig’ ist von *ādyu-ḥ ‘Essen’ abgeleitet);
anord. ǣtr ‘eßbar’ (vgl. auch got. afētja m. ‘übermäßiger Fresser’);
lit. ė́džios f. Pl. ‘Raufe’, ėdžià ‘Fresser’ (ursprüngl. ‘Fraß’), ė̃dis m. ‘Speise’, mės-ė̃dis ‘Fleischfresser’; apr. īdis m. ‘Essen’; russ. jěžá ‘Essen, Speise’ (u. dgl.; s. Berneker 271 f.);
über lat. inĕdia ‘Fasten’ s. WH. 393.
ēdo-, ēdā: in anord. āt n. ‘Fressen, Speise’ (auch āta f. ‘Fressen, Nahrung’), ags. ǣt n., as. āt n., ahd. āz n. ‘Speise’ (vgl. auch got. uzēta m. .Krippe’), lit. ė́da f. ‘das Essen’ (= anord. āta), lett. êdas f. Pl. ‘Fraß’, apr. īdai f. Nom. Sg. ‘das Essen’, aksl. оbědъ ‘Mahlzeit’ (vielleicht auch jadъ ‘Gift’, s. Berneker 271 f.), russ. jědá f. ‘Frühstück, Speise’.
ēdi-: in aksl. jadь ‘Speise’, medv-ědь ‘Bär’ (Honigesser, vgl. ai. madhv-ád- ds.).
ēd-to-: in lit. ė́stas ‘gegessen’, apr. Subst. Dat. Sg. īstai ‘Essen’, mbg. jasto ‘Portion Speise’, usw.
ēdes-: in lit. ė̇̃desis ‘Speise’, ėskà f. ‘Appetit’, alt ‘Fraß, Aas’ = lat. ēsca (*ēd-s-kā) ‘Speise, Fraß, Aas’, lett. ēška ‘Vielfraß’; ahd. as. ās ‘Fleisch eines toten Körpers, Köder, Aas’, ags. ǣs ‘Aas’ (*ēd-s-om); aksl. jasli Pl. m. ‘Krippe’ (*ēd-s-li-); wenn umbr. ezariaf ‘escas’ bedeutet, kann es vielleicht aus *ēdes-āsio- erklärt werden; anders über lit. ėskà EM2 295.
Mit ō: gr. ὠδίς f., Pl. ὠδῖνες ‘Geburtswehen’, ὠδίνω ‘bin in Wehen’ (Frisk Etyma Armen.13); ἐδ-ωδ-ή ‘Speise’ (vgl. ἐδηδώς); dazu lit. úodas, lett. uôds m. ‘Mücke’ (Schulze KZ. 43, 41 =Kl. Schr. 627; von Zubatý AfslPh. 16, 407, Brugmann Grundr. I2 337 zu wruss. wadzen ‘oestrus’ gestellt).
2. Normalstufig, z. B.:
ai. ádman- n. ‘Speise’ (: ἔδμεναι); -advan- ‘essend’;
arm. erkn ‘Geburtsschmerz’ (*edu̯ōn), erk ‘Plage’ (*edu̯o-?);
hom. εἶδαρ, -ατος n. ‘Nahrung’ (d. i. ἔδαρ, vgl. ἔδαρ· βρῶμα Hes.), ἐδητύς, ἔδεσμα ‘Speise’;
lat. prandium ‘Frühstück’ (*pram-ediom?), edulus ‘Esser’ (s. auch WH. I unter acrēdula, ficedula und monēdula), edūlis ‘eßbar’ (darf wegen des von Fick III4 24, Falk-Тоrp unter jætte als *etuna- ‘Vielfresser’ oder ‘Menschenfresser’ unserer Wurzelf. angereihten anord. jǫtunn ‘Riese’, ags. eoten ‘Gigant’, älter ndd. eteninne ‘Hexe’ ein alter u-St. edu- angenommen werden?);
3. ŏ-stufig: ὀδύνη (äol. aber ἔδυνα) ‘Schmerz’ (vgl. lat. cūrae edācēs), ὀδύρομαι ‘empfinde Schmerz’ usw. (beeinflußt von μύρομαι ‘weine’).
edont-, dont-, dn̥t- ‘Zahn’, wahrscheinlich altes Partizip Präs.
Ai. dán m., Akk. dántam (*dont-), Gen. datáḥ (= lat. dentis) ‘Zahn’ (sekundär dánta-ḥ m.); av. dantan- m. ds., dātā f. ds.;
arm. atamn, Gen. -man ‘Zahn’ (*edn̥t-mn̥);
gr. (ion. att.) ὀδών, -όντος ‘Zahn’ (att. ὀδούς Neubildung nach (δι)δούς), äol. ἔδοντες (ὀδόντ- assimiliert aus *ἐδόντ-?), νωδός ‘zahnlos’ für *νωδων nach στράβων : στραβός u. dgl.;
lat. dens, -tis m. (*dn̥t-s); osk. dunte[s] ist Ablat. ‘dentibus’;
air. dēt n., cymr. bret. dant, corn. dans ‘Zahn’ (*dn̥t-);
ahd. zand, ags. tōð (Dat. Sg., Nom. Pl. tēð, kons. St.), anord. tǫnn (Nom. Pl. teðr, tennr, kons. St.); schwundstufig (aus den schwachen Kasus), got. tunþus (aus dem Akk. tunþu = lat.dentem) ‘Zahn’ (Ableitung ags. tūsc ‘Fangzahn’ aus *tunþ-ska-);
lit. dantìs, Gen. Pl. dantų̃ (dial. auch dančių̃) ‘Zahn’;
slav. wohl in poln. dzięgna ‘Mundfäule, Entzündung des Zahnfleisches’ (*dęt-gna, s. Berneker 190).
Formen mit e-Stufe stehen demnach nicht fest; anord. tindr ‘Spitze, Felsspitze’, mhd. zint, -des ‘Zacke, Zinke’, ags. tind m. ds., ahd. zinna (*tindjā) ‘Zinne’, ahd. zinko (*tint-kō) ‘Zinke’ gehören zu air. dind ‘Hügel, Hebe’, phryg. Δίνδυμος Bergname, illyr. VN Δίνδαροι.

WP. I 118 ff., WH. I 340 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal