Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vrees - (angst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vrees zn. ‘angst’
Onl. frēsa ‘ondergang, vernietiging’ in Thu geuuisso got leidon salt sia an pute an freson ‘u, God, zult hen zeker leiden naar de afgrond, naar de ondergang’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. urese ‘gevaar’ [1240; Bern.], in Dat harde in ureesen was dat lijf ‘dat haar leven in groot gevaar was’ [1265-70; VMNW], ‘angst’ in Dat ... Die vreese van dire ongenaden Materie gaf van groten sorgen ‘dat de angst voor die onaangename toestand reden gaf voor grote bezorgdheid’ [1265-70; VMNW].
Os. frēsa ‘gevaar, verlies’ (mnd. vreise ‘gevaar, angst’); ohd. freisa ‘gevaar’ (mhd. vreise ‘id., angst’, nhd. dial. freise); ofri. frāse, frēse ‘gevaar’ (nfri. freze); < pgm. *fraisō(n)-.
Daarnaast staat het got. sterke en reduplicerende ww. fraisan ‘proberen’, met de afleiding pgm. *fraisōn-, waaruit: mnl. vresen ‘bang zijn of maken’, zie onder; mnd. vresen ‘bang zijn’; ohd. freisōn ‘in gevaar verkeren’; nfri. freze, freezje ‘bang zijn’; en met afwijkende betekenis os. frēson ‘verlokken, verleiden’; oe. frāsian ‘id., onderzoeken’ en got. fraisan ‘proberen’; hierbij met dentaaluitbreiding ook on. freista ‘verlokken, verleiden’ (nzw. fresta).
Herkomst onduidelijk. De Germaanse betekenissen passen goed bij die van pie. *perh3-, waarvoor zie → gevaar, maar buiten het Germaans is er geen enkel vergelijkingsmateriaal dat een mogelijke worteluitbreiding *prh3-is- (> *prois-) ondersteunt.
Men ontleedt pgm. *frais- ook wel als *fra- (= → ver-) + *ais-; het tweede lid zou dan de wortel pie. *h2eis- ‘streven, zoeken’ van → eisen kunnen zijn.
vrezen ww. ‘bang zijn voor’. Mnl. vresen ‘vrees hebben; vrees aanjagen’ in ende wie sere dat sise ontsagen ende vreesden ‘en hoezeer ze ontzag en angst voor haar voelden’ [1276-1300; VMNW], een blod stierman. Die so sere es ghevreest. Dat hi tscip vor den tempeest. Omme werpt in den gront ‘een laffe stuurman die zo bang is, dat hij het schip nog voor de storm tot zinken brengt’ [1285; VMNW], hebben M. sijn goet ghenomen ende hem ende sijn wijf ghevreest ende ... ghewont ‘(ze) hebben M. bestolen en hem en zijn vrouw bedreigd en verwond’ [1353; MNW]. Afleiding van vrees. De betekenis ‘vrees aanjagen’ is verouderd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vrees* [angst] {oudnederlands freisa [ondergang] 901-1000, middelnederlands vrese [vrees, gevaar]} oudsaksisch fresa [gevaar], oudhoogduits freisa [gevaar, angst], oudfries frasa [gevaar], oudengels frasian, gotisch fraisan [op de proef stellen]; mogelijk afkomstig van een stam die verwant is met die van gevaar; hierbij vrezen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vrees, vreze znw. v., mnl. vrêse v. ‘vrees, schrik, gevaar’, onfrank. freisa v. ‘interitus’, os. frēso m., frēsa v. ‘gevaar, verderf’, ohd. freisa v. ‘schrik, gevaar, verderf, verzoeking’, ofri. frāsa m., frāse v. ‘gevaar, verderf’. — Afl. van vrezen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vreeze znw., mnl. vrêse v. “vrees, schrik, gevaar”. = onfr. freisa v. “interitus”, ohd. freisa v. “schrik, gevaar, verderf, verzoeking”, os. frêso m., frêsa v. “gevaar, verderf”, ofri. frâsa m., frâse v. “id.”. Hierbij ʼt ww. mnl. vrêsen “in gevaar brengen, bang maken, dreigen”, (refl.) “vreezen, bang zijn” (nnl. vrezen), ohd. freisôn “periclitari”, os. frêson “verzoeken, belagen, in gevaar brengen”, ags. frâsian “(God) verzoeken, vragen, uitvorschen”. Deze verbaalstam fraisô- zal wel evenzeer als de ngerm. stam, waarvan on. freista “verzoeken, op de proef stellen” (vgl. got. fraistubni v. “verzoeking”) secundair zijn. ʼt Redupliceerende got. fraisan “id.” is ouder. Wsch. van een idg. basis perē̆i-s-, perō̆i-s-, een verlenging van de bij gevaar besprokene. Minder wsch. uit *fra-isanan of *fra-aisanan, verwant met eisen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vrees, vre[e]ze. “Ofri. frâsa m., frâse v.” lees: “ofri. frâse v.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vrees v., Mnl. vrese, Onfra. freisa = ondergang, Os. frêsa = gevaar + Ohd. freisa (Mhd. vreise) = gevaar, verderf, toorn, angst, Ofri. frása = gevaar, Ags. frásian, Go. fraisan = op de proef stellen: Idg. *p(e)rei̯s-, uitbreiding van den wortel van gevaar.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vreis (zn.) angst; Vreugmiddelnederlands vreese <1265-1270>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1vrees s.nw.
1. Angs, skrik. 2. Ontsag, eerbied. 3. Gevoel van respek.
Uit Ndl. vrees (Mnl. vrese, vreise in bet. 1, 1518 in bet. 2, 1526 in bet. 3).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vrees: s.nw. en ww., angs, skrik; eerbied, ontsag; (as ww.) beangs wees, ens.; Ndl. vrees/vre(e)ze (Mnl. vrēse); hierby ww. Ndl. vre(e)zen (Mnl. vrēsen), herk. hoërop onseker.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Met vrees en beven, met grote eerbied; met grote angst.

De combinatie van vrees en beven is geïnspireerd door de bijbel, bijvoorbeeld in Efeziërs 6:5, 'Slaven, weest uw heren naar het vlees gehoorzaam met vreze en beven, in eenvoud uws harten, als aan Christus' (NBG-vertaling). Vrees is hier: 'ontzag, eerbied', maar in het moderne Nederlands is die betekenis verloren gegaan en wordt de uitdrukking alleen nog gebruikt in de betekenis 'met grote angst'. De NBV maakt geen gebruik meer van de archaïsche frase. Zo staat er in Efeziërs 6:5 (NBV) nu te lezen: 'met ontzag, respect en oprechtheid'.

Liesveldtbijbel (1526), Efeziërs 6:5. Ghi knechten zijt gehoirsaem uwen lichameliken heeren, met vresen ende beuen in eenuuldichiet ws herten, als cristo.
Met het vuur laat hij de menselijke beschaving beginnen, maar ook een lange geschiedenis van vrees en beven, die werd aangewakkerd door de fundamentele tegenstellingen tussen 'goed en kwaad, vorm en chaos, mannelijk en vrouwelijk, rede en instinkt, het apollinische en het dionysische, God en de duivel'. (De Standaard, nov. 1995)
Zodra de merels, zoals nu, weer volop zingen, en de vinken, 's morgens nog met zwaar opgebolde buiken vanwege de koude, uitbundig in de kastanjebomen hun slag laten horen, voel je met vrees en beven hoe de hormonen als zilvervisjes door je bloed beginnen te joelen. (NRC, maart 1995)

Vrezen met grote vreze, (schertsend) erg bang zijn.

Er wordt nog steeds heel wat gevreesd met grote vreze in het moderne Nederlands. Deze alleen nog maar schertsend of ironisch gebruikte formule is onder meer terug te vinden in Lucas 2:9, 'En opeens stond een engel des Heren bij hen en de heerlijkheid des Heren omstraalde hen, en zij vreesden met grote vreze', (NBG-vertaling). Hier is ook de oorspronkelijke betekenis van toepassing: 'met groot ontzag vervuld zijn'. Het schertsend gebruik in de betekenis 'bang zijn' komt vooral in mondeling taalgebruik voor. Bij ontbreken van het werkwoord is eveneens aan bijbelse invloed te denken: 'Ik heb enkele gegevens in het bovenstaande uit dat boekje gelicht, en ik doe dat met grote vreze, want als ik toevallig ook iets weet dan staat het er fout' (De Volkskrant, 5-4-1996). In de NBV is de frase niet meer terug te vinden. Zo lezen we in Lucas 2:9 (NBV) dat de herders 'hevig schrokken'.

Leuvense Bijbel (1548), Lucas 2:9. Ende sij hebben ghevreest met grooter vreesen.
FC Utrecht vreest met grote vrezen. De club van trainer Leo van Veen verloor met 1-0 bij FC Twente en heeft nu twee verliespunten meer dan Groningen. (NRC, april 1994)
Ik hoop dat het mee zal vallen, maar ik vrees met grote vreze... (Gehoord, jaren '90)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vrees, verwant met het Os. fresa = gevaar, verwant met den Idg. wt. per; zie Vervaard, en ’t Lat. periculum = gevaar. Het woord w.d.z.: de angst voor of in gevaren.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vrees ‘angst’ -> Negerhollands vrees ‘angst’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vrees* angst 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal