Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vreemd - (zonderling; onbekend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vreemd bn. ‘zonderling; onbekend’
Onl. fremithi ‘van elders afkomstig’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. vremt, vremet ‘id.; niet behorend tot een bepaalde gemeenschap of een bepaald volk’ in lat uns niet bit scanden. uremeden heren dienen ‘laat ons niet op schandelijke wijze vreemde heersers dienen’ [1201-25; VMNW], Comt coeman of ander uremde man uor scepnen ombe recht tehebbene ‘als een koopman of andere vreemdeling voor de schepenbank komt om zijn recht te halen’ [1236; VMNW], ‘zonderling, merkwaardig’ in enege vremde auenture ‘een vreemd aventuur’ [1260-80; VMNW], met vremden saken [1265-70; VMNW].
Mnl. vremt is ontstaan uit onl. fremithi door klinkerwegval in de onbeklemtoonde lettergrepen. In mnl. vremet is de tweede klinker nog niet weggevallen, waardoor de eerste, open lettergreep werd gerekt, wat uiteindelijk leidde tot de huidige standaardvorm vreemd. De vorm vremt, nnl. vremd komt nog wel in dialecten voor.
Os. fremiđi (mnd. vröm(m)ede, vanwaar door ontlening o.a. ozw. fremmed, nzw. främmande); ohd. fremidi (nhd. fremd); ofri. fremethe, fram(e)de (nfri. frjemd); oe. frem(e)ðe, fremede (ne. vero. fremd); got. framaþeis; alle oorspr. ‘elders gevestigd’, < pgm. *framaþija-, *framadija-.
Afgeleid van het bijwoord en voorzetsel *frama ‘weg (van), ver (van)’, dat in het Nederlands slechts is overgeleverd als voorvoegsel in enkele Oudnederlandse werkwoorden, bijv. in framgeleidon ‘zij leiden weg’ [10e eeuw; W.Ps.]; daarnaast: os. fram ‘weg; uit’; ohd. fram ‘weg, ver, verder, voorwaarts; uit’; ofri. fram ‘voorwaarts’; oe. fram, from ‘weg, voorwaarts; weg van’ (ne. fro, from); on. fram ‘voorwaarts’ (nzw. fram), frá ‘weg van’ (nzw. från) ; got. fram ‘verder; weg van’.
Het bijwoord pgm. *frama is met een eigen betekenisontwikkeling (‘weg’ < ‘voorwaarts’ < ‘eerst’) ontwikkeld uit pie. *pro-mó- ‘eerst’, dat met een superlatiefachtervoegsel is gevormd bij pie. *pro ‘voor, vooraan’, zie → vroeg, → ver- en → pro-. Verwant met Grieks prómos ‘voorste, leider’; daarmee vergelijkbare betekenissen zijn behouden in het Germaanse bn. *frama-: oe. fram ‘moedig, sterk’; on. framr ‘moedig, uitstekend’.
De oorspr. betekenis van vreemd is ‘elders gevestigd’. Hieruit ontstonden betekenissen als ‘van elders afkomstig, niet behorend tot een bepaalde gemeenschap of een bepaald volk’ en bij uitbreiding ‘merkwaardig, zonderling, ongepast e.d.’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vreemd* [uitheems, zonderling] {vre(e)mt [uitheems, raar] 1237} oudsaksisch fremithi, oudhoogduits fremidi, oudengels fremde, gotisch framaþeis, afgeleid van oudnoors, gotisch fram [weg, eig.: naar voren], van voor2; vgl. vroom.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vreemd bnw., mnl. vreemde, vremde, vreemt, onfrank. fremithi, os. fremithi, ohd. framadi, fremidi (nhd. fremd), ofri. fremethe, fremede, fremthe, fremd(e), fram(e)d(e), oe. fremðe, fremde, got. framaþeis < germ. *frama-þia- afl. van het bijw. voorz. onfrank. fram- ‘weg-’, os. fram ‘uit’, ohd. fram ‘weg, ver, verder, voorwaarts; uit’, oe. from (ne. from) ‘weg van’, on. fram bijw. ‘voorwaarts’, frā voorz. ‘van af’. Vgl. het bnw. oe. fram ‘flink, moedig’, on. framr ‘vooraanstaand; uitstekend’ = gr. prómos ‘voorste, voorvechter, leider’ van de stam *per, waarvoor zie: ver 2. — Zie ook: vroom.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vreemd bnw., mnl. vreemde, vremde, vre(e)mt (d). = onfr. fremithi (in samenst. fremit-), ohd. framadi, fremidi (nhd. fremd), os. fremithi, ofri. frem(e)the, frem(e)d(e), fram(e)d(e), ags. fremðe, fremde, got. framaþeis “vreemd”. Met het suffix idg. -tio-, germ. -þia- van het bijw. (voorz.) onfr. fram- “weg”, ohd. fram “weg, ver, verder, voorwaarts, (als voorz.) uit”, os. fram “uit”, ags. from “weg van” (eng. from), on. fram “voorwaarts”, frâ “weg van”, got. fram “verder, van — af”. Dit sluit zich aan bij got. fra- enz.: zie ver- II en vgl. vroom. Een formatie als germ. *frama-þia- is wsch. *ni-þja-, got. niþjis m. “verwant, neef”, on. niðr m. “verwant, afstammeling”, ags. mv. niððas “mannen” = oi. nitya- “eigen”. Men heeft *ni- bij in gebracht; hetzelfde *ni- wsch. in oi. ni-já- “eigen”, av. ni-zənta- “in ʼt huis geboren”. Minder wsch. is verwantschap van got. niþjis met neef. Oergerm. *framaþia- kan als oppositum van *niþja- “eigen, nabestaand” gevormd zijn. — Het afgeleide ww. *framaþianan (ontvreemden, vervreemden) is oerwgerm. en got.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vreemd bijv., Mnl. vre(e)mde, Onfra., Os. fremithi + Ohd. framadi (Mhd. vremde, Nhd. fremd), Ags. fremđe, Ofri. frem(e)the, Go. framaþs: afgel. van Os., Ohd., Ags., On., Go. fram (Eng. from) = vooruit, weg, afgel. van voor en verwant met vroom.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vreemp (bn.) zonderling, onbekend; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) vraimd, Aajdnederlands fremithi <901-1000>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

menselijks (niets -- is mij vreemd) (vert. van Latijn humani nihil a me alienum puto)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vreemd, afl. van een woord, dat in ’t Got. fram luidde en ver van, van verre bet.; wat dus van verre komt, is vreemd, zeldzaam, wonderlijk, raadselachtig.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vreemd ‘uitheems, zonderling’ -> Deens fremmed ‘uitheems, zonderling’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fremmed ‘uitheems, onbekend’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds främmande ‘uitheems, zonderling’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands vreemd ‘uitheems, zonderling’; Sranantongo fremdi ‘uitheems, zonderling’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vreemd* uitheems, zonderling 1237 [CG I1, 35]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1687. Vreemde oogen dwingen best,

d.w.z. de invloed van vreemden is dikwijls grooter op de kinderen dan die der ouders. De zegswijze vindt men bij Van de Venne, Bel. Wer. bl. 214: Vreemde oogen dwingen; Tuinman I, 327: Vreemde oogen dwingen, de zin is, kinderen ontzien meer de oogen van vreemde, dan van hunne Ouderen en Bloedverwanten; C. Wildsch. V, 298: ‘Het zal mij benieuwen’, zegt zij, ‘of eene Tante meer op een stout koppig kind vermag, dan eene moeder. ‘Nu, 't spreekwoord zeit, vreemde oogen dwingen; en Zuster heeft veel geduld; Harreb. II, 82: Vreemde oogen dwingen best (of maken menschen); Antw. Idiot. 886: Vreemde oogen dwingen of vremde oogen doen gedoogen, vreemden hebben meer gezag dan eigen volk; Waasch Idiot. 478.

2096. Een (vreemde, rare, brutale) snuiter,

d.i. een snoeshaan, een kwibus, een kwant, grappenmaker; een rare snijer (fri. in rare, frjemde snijer); vgl. o.a. Op R. en T. 30: Dat 's 'n eigengereide, brutale snuiter. Wellicht beteekent ‘snuiter’ eig. bedrieger als afleiding van het wkw. snuiten in den zin van iemand geld afzetten; vgl. het mnl. enen die nose snuten, iemand afzetten; Kiliaen: Snuyten, snutten, emungere pecuniis, fallere, deplumare, deglubere aliquem; Winschooten, 268: Snuiten beteekend ook iemand te veel gelds voor eenige waar af neemen: waarvan sij hebben ons gesnooten: sij hebben ons bij de neus gehad: emungere aliquem pecunia; Tuinman I, 23: Hy is gesnoten, dat is, bedrogen; Halma, 593: Snuiten, verschalken, bedriegen; Sewel, 734: Hy heeft my gesnooten, he has nosed (or rooked) me; he made we pay through the nose; Rutten, 210: afsnuiten, ontnemen; iemand snutten, iemand zijn geld afwinnen of bedriegen; Schuermans, Bijv. 311 a: snutten, snuiten, 't zelfde als vastnemen, te veel doen betalen, bedriegen (Antw. Idiot. 1145. Vgl. voor denzelfden overgang van afzetten tot bedriegen het wkw. vlooien, dat in de 17de eeuw voorkomt in den zin van iemand van zijn geld berooven en thans nog in Zuid-Nederland bedriegen, foppen beteekent (Rutten, 262 a; Schuerm. 823 a). Ook in het hd einen ums Geld schnäuzen, iemand geld afhalenFranck-v. Wijk, 636 ziet in snuiter een overdracht van snuiter, voorwerpsnaam, dus kaarsensnuiter, en vergelijkt bengel (zie no. 201).; fri. immen snute, iemand afzetten; barsch terecht wijzen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal