Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vrede - (toestand van rust, afwezigheid of beëindiging van oorlog)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vrede zn. ‘toestand van rust, afwezigheid of beëindiging van oorlog’
Onl. fritho, veelvuldig in de gelatiniseerde (verbogen) vormen fredum, freda, fredo [692; ONW] in Latijnse oorkonden, meestal met de betekenis ‘vredegeld, boete aan de overheid te voldoen voor vredebreuk’ (Slicher van Bath 1947), dan in Jrlosin sal an frithe sela mina ‘hij zal in vrede mijn ziel verlossen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. vrede [1240; Bern.], met metathese ook wel verde [1237; VMNW].
Os. friđu (mnd. vrede); ohd. fridu (nhd. Friede); ofri. fretho, frethe, ferthe, ferd(e) (nfri. frede < mnl.); oe. frið, frioðu (ne. vero. frith); on. friðr (nzw. frid, fred); alle ‘vrede, vrijgeleide, goede verstandhouding, vredelievendheid, rust, vreugde, welzijn e.d.’, < pgm. *friþu- ‘rust, bescherming’. De betekenisontwikkeling van het woord is sterk beïnvloed door de theologische interpretatie van Latijn pax als moreel begrip.
Afleiding van de stam pgm. *fri- van → vrij.
Zie ook → bevredigen. Zie ook de leenwoorden → affreus, → belfort, die via het Frans en het Frankisch op dezelfde woordstam teruggaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vrede*, vree [toestand van rust] {verde [wettelijke bescherming tegen wapengeweld, vrede] 1237, vrede 1265-1270} vgl. oudsaksisch frithu, oudhoogduits fridu, oudfries fretho, oudengels frioðu, oudnoors friðr, gotisch friþa- (alleen in persoonsnamen: Friþareiks); behoort bij vrij.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vrede znw. m. v., mnl. vrēde, verde m. v., os. frithu, ohd. fridu (nhd. friede), ofri. fretho, oe. frioðu, friðu, on. friðr m. In het got. alleen de PN Friþareiks (= Frederik) vgl. nog het ww. mnl ghevrēden ‘verzoenen’, os. frithon, ohd. gafridōn ‘beschermen’, ofri. frithia, frethia ‘boete betalen voor schending van de vrede’, oe. friðian ‘beschermen’, on. friða ‘vrede tot stand brengen’, got. gafriþōn ‘verzoenen’; zie ook: bevredigen. — De vrede betekent eig. de rechtstoestand van orde, die binnen de sibbe heerst, dan bij uitbreiding ook binnen het stamverband. — Zie verder: vrij.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vrede znw., mnl. vrēde (verde) m. (v.). = ohd. fridu (nhd. friede), os. frithu, ofri. frëtho, ags. fri(o)ðu, on. friðr m. “vrede” (resp. “liefde, bescherming, veiligheid”); got. komt Friþareiks m. “Frederik” voor en ga-friþon “verzoenen” (= mnl. ghe-vrēden “id.”, ohd. ge-fridôn, os. frithon “beschermen”, ofri. frithia, frëthia “boete voor vredeschending betalen”, ags. friðian “beschermen”, on. friða “tot vrede brengen”. Zie nog bevredigen). Germ. *friþu- uit idg. *pri-tu-, van de bij vrij besproken basis.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vrede m., Mnl. id., Os. frithu + Ohd. fridu (Mhd. vride, Nhd. friede), Ags. friođo, Ofri. fretho, On. friđr (Zw. en De fred), Go. friþa-reiks (= vredevorst): van den zw. stamgraad van vrijen. Vergel. vrij en Mnl. vrijt = omheining, Ohd. frît, Mhd. vrîde (z. belfort).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vrei (zn.) vrede; Aajdnederlands frithe <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vrede s.nw.
1. Toestand van rus en kalmte. 2. Toestand van geen oorlog tussen volke. 3. Eensgesindheid, eendrag. 4. Verdrag waarby vrede (vrede 2) gesluit word.
Uit Ndl. vrede (Mnl. ook verde, varde, vaerde in bet. 1 en 2, 1528 in bet. 3, 1536 in bet. 4).
D. Friede (8ste eeu).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vrede (rust in --) (vert. van Latijn requiescat in pace)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Vrede op aarde, heilwens in de kerstboodschap; (in ruimere toepassing) vrede, rust.

In de nacht dat Jezus werd geboren, verschenen er engelen aan de herders in de velden rond Betlehem; zij zongen: 'Eer aan God in de hoogste hemel / en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft' (Lucas 2:14, NBV). De wat plechtige, soms ook schertsend of ironisch gebruikte heilwens vrede op aarde is door zowel de bijbel als door de weergave daarvan in kerstliederen beïnvloed.

Liesveldtbijbel (1526), Lucas 2:14. Prijs Gode inder hoochte, ende vrede opter aerden, ende den menschen een welbehaghen. (Statenvertaling (1637): vrede op aerden.)
Ik [heb] ondanks mijn christelijke opvoeding nooit begrepen waarom Kerstmis iets te maken zou hebben met vrede op aarde. (De Volkskrant 9-1-1999, p. 5W)
D'r is toch niks vredigers op aarde dan een rustig glaasje op de vrijdagavond. (D. Frenkel Frank, De kleinste hond ter wereld en andere eigentijdse ongemakken, 1980, p. 153)
Café's eerder dicht. Dat brengt vrede op aarde in Meppel. (Meppeler Courant, maart 1993)

Ga heen in vrede, heilwens bij een afscheid.

De band van alle deze heilwensen met de bijbel is vaag; ook algemene en kerkelijke taal zullen hun invloed gehad hebben. Ga heen in vrede komt onder meer voor in een bijbelpassage waarin wordt verteld hoe Jezus werd gezalfd door een vrouw die gezondigd had; 'En Hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede!' (Lucas 7:50,NBG-vertaling; de NBV heeft hier 'ga in vrede'). Deze afscheidsgroet wordt ook in de christelijke eredienst gebruikt ter afsluiting van een dienst. Verder komt het nog voor in schertsend taalgebruik.

Deux-Aesbijbel (1562), Lucas 7:50. Ende hy seyde tot der vrouwe: Dijn ghelooue heeft dy gheholpen, gaet henen in vrede.
'Ga heen in vrede', buldert dominee Guyt. (NRC, jan. 1994)

Vrede zij met u, heilwens, begroeting of afscheidsgroet.

De bijbelse achtergrond van Vrede zij met u is iets duidelijker, alhoewel deze formulering niet letterlijk is terug te vinden. Zie het begin van een van de nieuwtestamentische brieven: 'Van Paulus, apostel van Christus Jezus door de wil van God, en van onze broeder Timoteüs. Aan de gemeente van God in Korinte en aan alle heiligen in heel Achaje. Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus' (2 Korintiërs 1:1-2, NBV). Ook deze woorden worden wel schertsend gebruikt.

Liesveldtbijbel (1526), 2 Korintiërs 1:2. Genade si met v ende vrede van God onsen vader, ende onsen Heere Jesu christo.
Zijn doodlaken is kreukloos. Ook zijn huid. / Hij geurt naar bloemen. Vrede zij met hem. (G. Komrij, Alle gedichten tot gisteren, 1994 (De dode jongen, z.j.), p. 455)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

vrede. Vanaf de 16de eeuw komt (mijn) vrede! en wat in den vrede voor. Het zijn bastaardvloeken ter vermijding van die waarin de naam van God voorkomt. Zij hebben zich ontwikkeld tot uitroep van verwondering. In vredesnaam is dus, evenals in ’s hemels naam, gevormd naar in godsnaam.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vrede (Os. frithu), van den Germ. wt. fri = liefhebben (zie Vriend), Idg. pri. Uit de bet. van beminnen ontwikkelde zich die van: zorgen voor iemand of iets; beschermen; vgl. ’t Vrijthof = de afgepaalde en daardoor beschermde plaats (Hgd. Friedhofe kerkhofIn de Geldersche Vallei noemt men een heining om de weide nog steeds een vree, verkorting van vrede. Zoo zeide men in ’t Mnl.: God verde (metathesis van vrede = behoede, bescherme) mi van zulken grieve (= smaad). Zie ook Vernielen.) Vrede is dus de toestand waarin geen haat of twist, maar liefde heerscht; waarin alles weer beschermd wordt door het gesloten verdrag. Zie ook Vrij.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vrede ‘toestand van rust’ -> Negerhollands vreed, vrede, vreede ‘toestand van rust’; Sranantongo freide ‘toestand van rust’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vrede* toestand van rust 0815 [Slicher]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut