Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vracht - (lading)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vracht zn. ‘lading’
Mnl. vracht in van vrachte xxv sol die hi vorde int here ‘25 schellingen voor de vracht die hij naar het leger vervoerde’ [1286; VMNW], dat gheen ... poortere en neme te vrachte ... enich goet ‘dat geen enkele poorter als lading enig goed accepteert’ [1450; MNW], vracht die men voirt ‘vracht die men vervoert’ [1477; Teuth.].
Noordzee-Germaanse vorm van mnl. vrecht, dat eveneens voorkomt, vooral zuidelijk: Van vrechten van wine ende van scrodeghelde XV lb ‘15 pond t.b.v. de transportkosten en de laadkosten van de wijn’ [1302; MNW].
Mnd. vracht ‘vrachtgeld; lading’, vrēcht, vrecht; ohd. frēht ‘loon, verdienste’; nfri. fracht ‘vrachtprijs; lading’; < pgm. *fra-aih-ti-, gevormd uit het voorvoegsel *fra-, zie → ver-, en een *-ti-abstractum bij de wortel *aig- ‘hebben, bezitten’ van → eigen. (V)nhd. Fracht ‘lading’, nde. fragt ‘id.’, nzw. frakt ‘id.’ zijn ontleend aan mnd. vracht. Laat-me. freyght ‘vrachtgeld; lading’ (ne. freight) is ontleend aan mnd. of mnl. vrecht. Frans fret ‘vrachtgeld’ is aan mnl. vrecht ontleend.
De oorspr. betekenis zal ‘loon’ zijn geweest, in het bijzonder ‘loon voor goederentransport over water’, met een latere betekenisverandering naar ‘de getransporteerde goederen’ en een betekenisuitbreiding naar andere soorten vervoer. Ook in het Fries en Nederduits heeft deze betekenisovergang plaatsgevonden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vracht* [lading, last] {1286} middelnederduits vracht, fries fracht, kustvormen naast de normale middelnederlands vrēcht, oudhoogduits frēht [loon]; het woord is een samenstelling van ver- + de stam van eigen, de grondbetekenis zal zijn geweest ‘vervoerloon’ en dan ‘lading’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vracht znw. v., mnl. vracht v. ‘vracht, vrachtprijs, vervoermiddel’, evenals mnd. vracht ‘vrachtprijs, huur of verhuur van een schip, schipsbevrachting’ (> nhd. fracht (sedert 1522), nzw. frakt (sedert 1529), nde. fragt, ne. fraught sedert 1330), een friese (inguaeoonse?) vorm te vergelijken met mnd. vrecht (> ne. freight sedert 1463) ‘vrachtprijs’, ohd. frēht ‘loon, verdienste’. Dit germ. *fra-aihti, waarvan het 2de lid tot de stam van eigen behoort.

Sedert de 12de eeuw uit het vla. overgenomen fra. fret en vandaar > prov. freit, spa. flete, port. frete (Valkhoff, Alb. R. Verdeyen 335).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vracht znw., mnl. vracht v. m. “vracht, vrachtprijs, vervoermiddel”. Een oorspr. fri. woord, waarop ook mnd. vracht v. “vrachtgeld, huren of verhuren van een schip, bevrachting van ʼt schip” ( > nhd. fracht, v. de. fragt, zw. frakt) en eng. fraught, freight “vracht, lading” teruggaan. Identisch met ohd. frêht v. “loon, verdienste”, (os. fre[hte?] “virtus”?), uit germ. *fra-aiχti-. Voor *fra- zie ver- II en vreten, wrevel; * -aiχti- van denzelfden ww.-stam als eigen. Uit het Germ. wsch. fr. fret “scheepsloon, bevrachting”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vracht. Mnd. vrucht ‘vracht’ is een jongere vorm (Sarauw Ndd. Forsch. I, 302), die ons geen aanleiding mag geven met Heinr. Schröder PBB. 47, 163 vlg. aan een andere etymologie te denken. — Een niet-ingwaeoonse vorm is mnl. mnd. vrecht, waarop wsch. eng. freight te herleiden is, terwijl fraught wsch. op een continentale vorm met a berust.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vracht v., Mnl. id. en vrecht = loon, vervoerprijs, lading + Ohd. frêht = loon: saamgest. met hetz. praefix als vreten (z.d.w.) en een subst. *eecht = have + Ohd. êht, Go. aihts, dat met -t-suffix afgel. is ven denz. wortel als eigen (z.d.w.). De cht heeft den oorspr. langen klinker verkort; de vorm met a is Friesch; hij drong ook in ʼt Ndd., ʼt Nhd. (fracht), ʼt Skand. (Zw. frakt, De. fragt), en ʼt Fr. fret. Het Eng. fraught komt uit het Skand., en freight uit het Fr.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

vracht. De formule god zal me een vrachie geven! ‘God moet mij zwaar belasten’ was oorspronkelijk een vrome wens. De godheid werd aangeroepen om op staande voet te straffen als men de waarheid niet had gesproken. Oneigenlijk gebruik maakt haar tot vloek en uitroep van verontwaardiging. Vgl. Stoett (1943: 276). Genoteerd voor Oost-Vlaanderen.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vracht, bet. oorspr. loon, later ook de lading zelf.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vracht ‘lading, last; vrachtprijs’ -> Engels fraught ‘vrachtgeld; goederenvervoer; scheepslading’; Engels freight ‘vrachtgeld; goederenvervoer; (scheeps)lading; vrachtreis (verouderd); goederentrein (VS)’; Schots fraucht; fracht ‘vrachtgeld; huurprijs van een schip; scheepslading; zoveel als getransporteerd kan worden in één keer door één persoon; groot bedrag; overvloedige aanvoer’; Duits Fracht ‘lading, last (van een schip)’ <via Nederduits>; Duits Fret ‘scheepsvracht’ <via Frans>; Deens fret ‘lading, last’ <via Frans>; Deens fragt ‘lading, last’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens freighter ‘vrachtschip; transportvliegtuig’ <via Engels>; Noors frakt ‘lading, last; vervoer’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds frakt ‘lading, last’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins (f)rahti ‘lading, last’ <via Zweeds>; Ests prakt, praht ‘lading, last’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans fret ‘huurprijs van een schip; prijs voor transport over zee, per lucht of per autoweg; transport van goederen’; Spaans flete ‘vrachttarief’ <via Frans>; Portugees frete ‘huur van een schip, een auto e.d.’ <via Frans>; Baskisch pleit ‘het charteren’ <via Spaans>; Bretons fret ‘vrachtloon’ <via Frans>; Pools fracht ‘vrachtloon; lading’ (uit Nederlands of Duits); Russisch fracht ‘vracht; vrachtgeld; vervoer van goederen’; Oekraïens fracht ‘lading, last; vrachtgeld’ <via Russisch>; Azeri fraxt ‘prijs voor transport over zee; lading, last’ <via Russisch>; Lets frakts ‘huurprijs voor een transportmiddel’ <via Duits>; Litouws frachtas ‘huurprijs voor een transportmiddel’ (uit Nederlands of Duits); Maltees frejt ‘lading, last; vrachtgeld; goederenvervoer’ <via Engels>; Esperanto frajto ‘huurprijs van een transportmiddel, met name een schip’ <via Engels>; Indonesisch prah ‘lading, last’; Javaans prah ‘lading, vrachtgoed’; Keiëes frak ‘vrachtprijs’; Menadonees frag ‘kosten van het transport’; Sranantongo frakti, frak ‘lading, last, ballast; heleboel’; Surinaams-Javaans prag ‘lading, last’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vracht* lading, last 1286 [CG I2, 1162]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal