Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vouwen - (plooien)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vouwen ww. ‘plooien’
Mnl. oostelijk valden [1240; Bern.], pret. vielt ‘(hij) vouwde’ [1220-40; VMNW], maar gewoonlijk vouden, pret. voude, in Hi lach geuouden in die hant ‘hij lag gevouwen in de hand’ [1265-70; VMNW], so wie die laken voudde iof dade vouden ‘wie het laken vouwde of liet vouwen’ [1284-85; VMNW], vouwen [1e helft 15e eeuw; MNW].
Ontwikkeld uit onl. *faldan met de klankwettige Nederlandse overgang ald > old > oud als in → koud en d-syncope met w-overgangsklank zoals in oude > ouwe. Het ww. was oorspr. sterk, maar werd al heel vroeg, namelijk in het Middelnederlands, zwak.
Mnd. volden; ohd. faldan (nhd. falten); nfri. fâldzje; oe. faldan, fealdan (ne. fold, zie ook → folder); on. falda; got. falþan; alle ‘vouwen, plooien e.d.’, < pgm. *falþan-. Daarnaast staat een zwak werkwoord *falþōn- ‘vouwen’, waaruit: ohd. faldōn, faltōn; on. falda (nde. folde). In het Nederlands en het Duits zijn beide werkwoorden samengevallen. Zie ook → fauteuil voor een oude Frankische ontlening in het Frans.
Herkomst zeer onzeker. Er zijn geen zekere verwante woorden buiten het Germaans. Mogelijk is het een ablautende dentaaluitbreiding bij de wortel pie. *pelh1 ‘zwaaien’ (LIV 469). Men verbindt *falþan- wel met het achtervoegsel → -voud, maar voor een wortel pie. *pel(h2)- met de betekenis ‘vouwen’ die men dan moet aannemen (IEW 802), bestaat geen zekere onderbouwing.
vouw zn. ‘plooi, plaats waar iets gevouwen is’. Misschien al toponymisch in onl. Fode ‘Fooz (Luik)’, letterlijk ‘vouw, plooi (aardplooi tussen twee lagere gebieden)’ [1139; Gysseling 1960]; mnl. voude ‘manier van vouwen, het vouwen’ in ende legghese in enen andren voud ‘en moet het op een andere manier opvouwen’ [1282; VMNW], ook ‘wijze, manier’ in in deser vouden ‘op deze manier’ [1340-60; MNW-R], vouw [ca. 1435; MNW]. Afleiding van vouwen. Zie ook → eenvoud.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vouwen* [delen over elkaar leggen] {vouden, vouwen 1277} middelnederduits volden, oudhoogduits faldan, faltan, oudengels fealdan, oudnoors falda, gotisch falþan; buiten het germ. latijn palla [mantel], grieks peplos [mantel met veel plooien], albaans palë [vouw], oudiers lenn [korte mantel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vouwen ww., mnl. vouden, vouwen, mnd. volden, ohd. faldan, faltan (nhd. falten), oe. fealdan (ne. fold), on. falda, got. falþan ‘vouwen, plooien’. In het germ. oorspr. een redupl. ww. te vergelijken met oi. puṭati ‘omhult zich’, puṭa- m. o. ‘vouw, zak’, zie ook: -voud. — Een t- afl. van de idg. wt. *pel ‘vouwen’, vgl. gr. ha-plós ‘eenvoudig’, díplaks ‘tweevoudig’, lat. simplus, duplus, duplex, miers diabul (< *du̯ei-plo) ‘dubbel’, verder alb. palë (< *pol-nā) ‘vouw, rij, juk, paar’, gr. peplos m. ‘vrouwenkleed’, on. fel (< *falja) ‘voor, strook, vouw’ (IEW 802-3).

Vermoedelijk mag men hiermee verbinden de idg. wt. *plek, waarvoor zie: vlechten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vouw znw., mnl. voude, ook al vouwe v. = mhd. valte (nhd. falte), mnd. volde v. “vouw, plooi”. Evenals ohd. vald m. “id.”, on. faldr m. “id., tip, een soort vrouwenmuts” van ’t ww. vouwen, mnl. vouden (vouwen), ohd. faldan, faltan (nhd. falten), mnd. volden, ags. fealdan (eng. to fold), on. falda, got. falþan “vouwen, plooien”, een germ. redupliceerend ww. Verwant zijn, behalve de bij -voud genoemde formaties: ksl. platǐno “linnen” (russ. polotnó), oi. paṭa- “stuk goed”, puṭa- “plooi, zak”, misschien ier. alt “iunctura, artus”. Idg. pel(e)t- is evenals wsch. p(e)lek- (zie vlechten) een verlenging van pel(e)-, waarvan behalve de bij -voud genoemde woorden ook gr. dí-pal-tos “tweevoudig”, ier. lenn “sagum”, lat. palla “lange mantel”, russ. pelená “windsel, luier”, alb. pal’ɛ “vouw, plooi” kunnen komen (voor een deel dezer vormen vgl. echter bij vel). Zie nog vaalt en twijfel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vouwen o.w., Mnl. vouden + Ohd. faltan (Mhd. valten, Nhd. falten), Ags. fealdan (Eng. to fold), On. falda (Zw. fålla, De. folde), Go. falþan + Skr. puṭas = plooi, paṭas = stuk goed, Gr. -paltos, -plḗsios, -plos = -voudig, Alb. palϵ = vouw, Lat. -plex, -plus = -voudig, palla = mantel, Oier. lenn = sagum: Idg. wrt. pelt, uitbreiding van wrt. pel, waarbij ook vlechten. Op den ouderen vorm van vouwstoel berust Fr. fauteuil.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vawwe (ww.) vouwen; Vreugmiddelnederlands vouden <1265-1270>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1vou ww.
1. Een deel oor 'n ander lê. 2. Omarm, toemaak.
Uit Ndl. vouwen (al Mnl. in bet. 1, 1567 in bet. 2) of in bet. 2 mntl. uit verouderde Ndl. vouwen (1556) 'in materiaal toewikkel'.
D. falten (9de eeu), Eng. fold (ongeveer 888 in bet. 1).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vouwen, Mnl. vouden, van den Germ. wt. falth, Idg. pelt = vouwen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vouwen ‘delen over elkaar leggen’ -> Duits dialect fauwen ‘delen over elkaar leggen’; Frans † fauder ‘een stuk stof in de lengterichting dubbelvouwen; een stuk stof dat men gaat vouwen met zijde markeren’; Negerhollands vouw ‘delen over elkaar leggen’; Berbice-Nederlands fau ‘delen over elkaar leggen’; Sranantongo fow (ouder: fou) ‘delen over elkaar leggen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vouwen* delen over elkaar leggen 1277 [CG I1, 362]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

pel-3a ‘falten’, pel-to- ‘Falte’, du̯ei-plo- ‘zweifach’

α. plo- als 2. Kompositionsglied in Adj. wie gr. ἁ-πλός ‘einfach’, δι-πλός, δίπλαξ ‘zweifach’ (vgl. arm. hał ‘Mal’), lat. simplus, duplus, duplex, triplus, triplex ‘ein-, zwei-, dreifach’, umbr. dupla ‘duplas’, tuplak Akk. Sg. n. ‘duplicem’, tripler ‘triplis’; mir. dīabul ‘doppelt’ (*du̯ei-plo-); got. twei-fls ‘Zweifel’, ahd. zvīfal ‘zweifelhaft’, m. ‘Zweifel’, wohl auch av. bifra- n. ‘Vergleich, Ähnlichkeit’, im Gr. daneben die Umbildungen des Typus ἁπλόος (zu πλοῦς) und ion. διπλήσιος; ferner mit alter t-Ableitg. (s. unten) διπλάσιος, dor. διπλάτιος usw. ‘doppelt, doppelt so groß’ (*pl̥ti̯o-; δίπαλτος ‘zweifach’ aus *δίπλατος).
β. alb. palë (*pol-nā) ‘Falte, Reihe, Joch, Paar’; gr. πέπλος m. ‘Frauengewand’; aisl. fel f. (*falja-) ‘Furche, Streifen, Falte’, norw. fela f. ‘Faltenmagen’.
γ. -to-Nomina und Verba: ai. puṭati ‘umhüllt mit’, puṭa- m. n. ‘Falte, Tüte, Tasche’ (*pulta-), mir. alt ‘junctura, artus’ (a Redukt. von idg. о, wie vielleicht auch ai. puṭa-), redupl. stark. V. got. falþan ‘fallen’, aisl. falda ‘den Kopf bedecken’, ags. fealdan, ahd. faltan ‘falten’, schwach. V aisl. falda ‘falten’, ags. fealdian, ahd. faltōn ds., aisl. faldr m. ‘Falte, Zipfel, Kopfputz der Frau’, feldr m. (*faldi-) ‘Mantel’, mhd. valte ‘Falte, Windung, Winkel’; got. ain-falþs, ahd. einfald, -t, aisl. einfaldr, ags. ānfeald ‘einfach’ u. dgl.

WP. II 55 f., WH. I 383 f.; vielleicht identisch mit pel-3b und pel-4.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal