Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vort - (verrot, corrupt)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vort2* [verrot, corrupt] {1287 in beide betekenissen} met metathesis van r van verrot (vgl. rotten).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vort bijv., Mnl. vort, vurt: bij den wortel van voos en vuil; cf. bij voos On. fauskr.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

vort (E, G, ZO), vurt (G), bn.: rot, bedorven. Ook Wvl. vort, naast vortig, vartig in Frans-Vlaanderen. Mnl. vort, Vnnl. vort 'pourry', hi is alzo vort als een schitte 'il est plus infect qu'une punaise', vorten 'pourrir' (Lambrecht), vort, verrot 'vermolmd, verrot, beschimmeld', vorten, verrotten 'verrotten' (Kiliaan); 1757 dat den selven haeren gebuer verweten hadde dat haere dochter met respect geschreven de vorte pokken hadde, Gent (LC). Vroeger (vgl. Kiliaan) vaak opgevat als metathesis van vrot < verrot. Volgens Ryckeboer verkort uit Mnl. vortich 'rot, bedorven', door g/v-wisseling < gortich. Ndl. gortig 'vuil, smerig'. Afl.: vurtachtig, vurten, vurterik, vurtigheid: 1661 dat den sijde muur… door vurtheijt… is beghevende, 1718 dat Martel was eenen vorterik, Gent (LC). - Bibl.: H. Ryckeboer, Vlaams vort(en), vortig(en). Nederlands garstig, gortig. Een etymologische oefening op dialectologische basis. Lingua Theodisca, Niederlande Studien 16/1, p. 527-538.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

vort, (met achterv.) fortig rot (Vlaanderen, Frans-Vlaanderen). = mnl. vort ‘id.’. Mogelijk ‹ vrotverrot (vdw.). Mogelijk ook ~ lat. puter ‘vermolmd, verrot’.
Marteel 425, WNT XXII 1380-1381, LTh 527-528 (andere etym.).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

vort, bn.: rot, bedorven. Ook vortig, vartig (FV). Mnl. vort, Vroegnnl. vort ‘pourry’, hi is alzo vort als een schitte ‘il est plus infect qu’une punaise’, vorten ‘pourrir’ (Lambrecht), vort, verrot ‘putris, mucidus’, vorten, verrotten ‘putrescere’ (Kiliaan). Vroeger (vgl. Kiliaan) vaak opgevat als metathesis van vrot < verrot. Volgens Ryckeboer verkort uit Mnl. vortich, door g/v-wisseling < gortich, Ndl. gortig ‘vuil, smerig’. - Lit: H. Ryckeboer, Vlaams vort(en), vortig(en).Nederlands garstig, gortig. Een etymologische oefening op dialectol-gische basis. Lingua Theodisca, Niederlande Studien 16/1, p. 527-538.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut