Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vorst - (monarch)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vorst 1 zn. ‘monarch’
Onl. furista, fursta ‘vorst, heerser, voornaam persoon’ in Furi quamon furista gefuogeda singindon ‘vooraan kwamen de vorsten, samen met de zangers’, in fursten samenes quamen ‘en de vorsten kwamen tezamen’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. vorste ‘vorst’ [1240; Bern.], vorst ‘id.’ [1470-90; MNW-R].
Os. furisto (mnd. vörste); ohd. furisto (nhd. Fürst); ofri. forsta (nfri. foarst); alle ‘vorst, voornaamste persoon e.d.’, < pgm. *furisto-.
Het zelfstandig gebruikte superlatief van het bijwoord *fura ‘voor’, zie → voor 1. Het superlatief zelf bestaat ook als oe. fyrest (ne. first) en on. fyrstr (nzw. först) maar heeft daar niet tot een zn. geleid. De i-umlaut in het Hoog- en Nederduits werd veroorzaakt door de tweede lettergreep voordat deze verzwakte en wegviel. In het Oudnederlands moet deze klinkerverzwakking al zijn voltooid voordat i-umlaut werkzaam kon zijn en leidde onl. fursta klankwettig tot mnl. vorste.
Het woord betekent dus letterlijk ‘voorste’ en is in de West-Germaanse talen wrsch. ingevoerd als vertaling van Latijn princeps (bn.) ‘eerste, voorste’ en (zn.) ‘leider, de voornaamste’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vorst1* [monarch] {vorste 1201-1250} middelnederduits vorste, oudhoogduits furisto, hetzelfde woord als voorste en wel door de Germanen vertalend ontleend aan latijn princeps, van primus [eerste] + -caps, -ceps, van capere [nemen] dus: bij die de eerste plaats inneemt, de eerste in rang (vgl. prins).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vorst 1 znw. m. ‘princeps’, mnl. vorste, mnd. vorste, ohd. furisto, fursto (nhd. fürst), owfri. forsta. — Substantivering van het adj. superl. os. ohd. furist, ofri. ferest, ferost, oe. fyrst (ne. first), on. fyrstr ‘eerste’, van voor 2. — Het schijnt, dat het woord vorst van uit Duitsland zich over het nederduitse gebied en vandaar naar het nl. en fri. verspreid heeft. Misschien ontstaan als weergave van lat. princeps.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vorst I znw. (princeps), mnl. vorste m. = ohd. furisto, fursto (nhd. fürst), mnd. vorste, owfri. forsta m. “vorst”. De zwakke vorm van den superl. van voor II (ohd. os. furist, ofri. ferest, ferost, ags. fyrst (eng. first), on. fyrstr “eerste”), die wsch. als vert. van lat. princeps de bet. “vorst” aannam en zich in het continentale Wgerm. vermoedelijk van het Hd. uit heeft verbreid (vgl. heer I). De sterke vorm onfr. furist, owfri. ferst ook = “vorst”. Voor een anderen superlatiefvorm zie vroom.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vorst I (princeps), vorstendom, oostmnl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vorst 1 m. (prins), Mnl. vorste, Os. furisto + Ohd. id. (Mhd. vürste, Nhd. fürst), Ags. fyrst (Eng. first = de eerste), On. fyrstr: zelfst. gebr. superlat. van voor 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1vors s.nw.
1. Regeerder, opperhoof van 'n ryk. 2. Eerste, voorste op enige gebied.
Uit Ndl. vorst (al Mnl. in bet. 1, 1635 in bet. 2).
Ndl. vorst is die gesubstantiveerde vorm van voorst 'voorste', die oortreffende trap van voor, en is 'n vertaling van Latyn princeps, met lg. 'n samestelling van primus 'eerste' en -caps of -ceps uit capere 'neem', dus is die oorspr. bet. 'wie die eerste plek inneem, die eerste in rang'.
D. Fürst (9de eeu).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vorst (vert. van Latijn princeps)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Vorst, prins, mnl. vorste, is hetzelfde als voorste, eerste, vgl. eng. first en lat. princeps (van primus en caput). Vorst, het vriezen, mnl, vorst, is een afleiding met metathesis van dat ww. Vorst, nokpan, mnl. vorst, staat blijkens de verwante vormen in het ouder en nieuwer Duitsch, niet met een dier beide woorden in verband, maar schijnt een samenstelling van voor en staan = iets wat vooruit staat, dat uitsteekt.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vorst (prins) bet. letterlijk: de voorste, en vandaar: de eerste, de voornaamste.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vorst ‘monarch’ -> Deens fyrste ‘monarch, iemand van hoge adel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fyrste ‘monarch’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds furste ‘monarch’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands voorst ‘monarch’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vorst* monarch 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut