Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vorm - (uiterlijke gedaante; matrijs)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vorm zn. ‘uiterlijke gedaante; matrijs’
Mnl. vorme ‘vorm, uiterlijk voorkomen’ in menslike uorme ‘menselijke gedaante’ [1236; VMNW], uorme [1240; Bern.]; vnnl. vorm, ook ‘matrijs’ [1520; iWNT].
Al dan niet via Frans forme ‘vorm’ [1119; TLF] ontleend aan Latijn fōrma ‘id.’, zie → formeren.
vormelijk bw. ‘formeel’. Vnnl. formlijc ‘volgens de vastgestelde vorm’ [1560; WNT]; vormlijk ‘de vorm betreffende’ [1648; WNT]; nnl. vormelijk ‘formeel’ [1858; WNT]. Afgeleid van vorm met het achtervoegsel → -lijk. ♦ vormen ww. ‘vorm geven, scheppen; een vorm hebben’. Mnl. eenen zeghele die ghedruct ende gheformt es int was ‘een zegel die in de was is afgedrukt’ [1380-1400; MNW-P]. Afleiding van vorm, mogelijk beïnvloed door Frans former bij forme en/of Latijn fōrmāre bij fōrma.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vorm [uiterlijke gedaante] {vorme, forme 1236} < frans forme < latijn forma [vorm, gestalte, gedaante, formulering, voorschrift, model, leest], mogelijk via metathesis afkomstig van grieks morphè [vorm].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vorm znw. m., mnl. vorme, forme v., mnd. mhd. forme (nhd. form) is eerst in de 13de eeuw ontleend aan lat. forma. — Zie ook: vormen 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vorm znw., mnl. vorme, forme v. = mhd. mnd. forme (nhd. form) v. “vorm”. Uit lat. forma. Een vrij jonge ontl.: mhd. eerst sedert ± 1250.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vorm m., Mnl. vorme, gelijk Hgd., Eng. form, Fr. forme, uit Lat. formam (-a) + Gr. morphḗ.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vörm (zn.) vorm; Vreugmiddelnederlands uorme <1236>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vorm (Latijn forma); (in/uit --) (vert. van Engels in form, out of form)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vorm, is ’t Lat. forma.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vorm ‘uiterlijke gedaante’ -> Shona foroma ‘gietvorm’ ; Menadonees forem ‘uiterlijke gedaante’; Rotinees fòlong, fòlon ‘bakvorm’; Surinaams-Javaans form ‘uiterlijke gedaante’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

vorm of vent [uitspraak] (1931). De dichter J.C. (Jakobus Cornelis) Bloem (1887-1966) introduceert in 1931 de formule ‘vorm of vent’ om de essentie weer te geven van het debat over de vraag wat belangrijker is aan een literair werk: de ‘creatieve vorm’ of de persoonlijkheid van de auteur. Deze discussie speelt op in de jaren tussen de twee wereldoorlogen. Bekende ‘vorm-aanhangers’ zijn D.A.M. Binnendijk en Martinus Nijhoff. Onder de ‘ventisten’ bevinden zich Menno ter Braak en E. du Perron, die naar aanleiding van de discussie in 1932 het tijdschrift Forum oprichten.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vorm uiterlijke gedaante 1236 [CG I1, 21] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut