Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vorderen - (vooruitgaan; (op)eisen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vorderen 1 ww. ‘(op)eisen’
Onl. fortheron ‘verlangen’ in Thes naghtes an minemo beddo uortheroda ich minen wino ‘'s nachts in mijn bed verlangde ik naar mijn geliefde’ [ca. 1100; Will.]; mnl. vorderen ‘verlangen, eisen’ in Dat ich ende mijn erven die vorderen ende aenspreken mogen ‘dat ik en mijn erfgenamen die (rechten) kunnen opvorderen en opeisen’ [1379; MNW]; vnnl. voorderen [1599; Kil.], meer schattinghe te voorderen [1611; iWNT].
Mnd. vorder(e)n ‘(gerechtelijk) eisen, dagvaarden’ (waaruit door ontlening nzw. fordra ‘(ver)eisen’); ohd. fordarōn ‘verlangen, eisen’ (nhd. fordern ook ‘uitdagen’); nfri. foarderje ‘eisen’.
West-Germaanse afleiding van pgm. *furþera- (bn.) ‘zich vooraan bevindend’, waaruit met diverse betekenissen: mnl. vorder ‘voor-; voorrang hebbend’; mnd. vorder; ohd. ford(a)ro (nhd. vorder-); ofri. forthera; oe. furðra (ne. further ‘later, nader’).
De verdere etymologie is onduidelijk. FvW, NEW en Pfeifer beschouwen het woord als de (West-)Germaanse comparatief van pgm. *furþ- ‘voorwaarts’, zie het bijwoord → voort, terwijl o.a. Kluge, Lloyd/Lühr, OED en WNT uitgaan van een reeds voor-Germaanse afleiding van de wortel pie. *prh2- (pgm. *fur-) van → voor 1, met een comparatiefachtervoegsel pie. *-tero, dat een ruimtelijk contrast aangaf, zie → achter. Over het bijwoord vorder ‘voorwaarts; meer’ zijn de meningen eveneens verdeeld, zie → vorderen 2.
De oorspr. betekenis van deze West-Germaanse rechtsterm moet ‘naar voren brengen, voorleiden’ zijn geweest. Net als in het Nederlands heeft dit werkwoord ook in het Hoogduits en het Nederduits van oudsher vooral een juridische gebruikssfeer.

vorderen 2 ww. ‘vooruitgaan’
Mnl. vorderen ‘verder brengen’ (als uorderen) [1240; Bern.], ‘ten uitvoer brengen, steunen’ in Te vorderne alle goede saken ‘alle goede zaken uit te voeren’ [1265-70; VMNW], dat wine vordren solen ende helpen mit guden trowen ‘dat wij hem oprecht zullen steunen en helpen’ [1278; VMNW], onovergankelijk ‘voortgang hebben, vooruitgaan, -komen’ in dat wi onsen discipel examineerden ende saghen wat hi ghevordert heeft ‘dat wij onze leerling zouden ondervragen en zouden zien hoe ver hij gevorderd is’ [1479; MNW].
Mnd. vorder(n); ohd. furdiren (nhd. verouderd fürdern); nfri. foarderje; oe. fyrthrian (ne. further); alle ‘vooruitbrengen, voortzetten, voorthelpen, vermeerderen e.d.’.
Afleidingen van de bijwoorden: onl. forther ‘meer naar voren’ (in toponiemen; mnl. vorder ‘voorwaarts, verder, meer’); os. furdor (mnd. vörder); ohd. (met suffixsubstitutie) furdir (nhd. fürder); oe. furðor (ne. further); alle ‘voorwaarts, verder, later, meer, eerder, vanaf daar, enz.’.
FvW, NEW en Lloyd/Lühr voeren deze woorden terug tot een (West-)Germaanse bijwoordelijke comparatief *furþōz van de wortel van → voort ‘voorwaarts’, terwijl o.a. OED en WNT de bijwoorden etymologisch niet onderscheiden van de bijna gelijkvormige bijvoeglijke naamwoorden die onder → vorderen 1 worden genoemd.
Oorspr. werd het werkwoord meestal overgankelijk gebruikt, in diverse ruimtelijke en overdrachtelijke betekenissen. Enkele daarvan zijn overgegaan op de afleiding → bevorderen, alle andere zijn in het Nieuwnederlands verouderd. Vorderen is nu alleen nog onovergankelijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vorderen* [vooruitkomen, eisen] {vo(o)rderen, voirderen [transitief: vooruitbrengen, ontbieden, eisen, intransitief: vooruitkomen] 1201-1250} middelnederduits vo(o)rderen, oudhoogduits furdiren, van middelnederlands vo(o)rder [verder, voorwaarts], vergrotende trap van voor.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vorderen 1 ww. ‘vooruitkomen’, mnl. vorderen ‘vooruitkomen, vooruitbrengen, bevorderen, ondersteunen, uitvoeren, baten’, mnd. vorderen ‘id.’, ohd. furdiren ‘provehi’ (nhd. fördern), oe. fyrðran ‘vooruitbrengen’ (ne. further), < germ. *furþirjan, een afl. van mnl. voorder, vorder, onfrank. forthor, furthor, os. forthar, furthir, ohd. fordar (nhd. vorder), furdir (nhd. fürder), ofri. forther, further, oe. furðor (ne. further) ‘verder, voorwaarts’ een comp. van de onder voort behandelde woorden.

vorderen 2 ww. ‘eisen’, niet mnl., vgl. mnd. vorderen ‘verlangen, eisen’ (> nde. fordre, nzw. fordra), ohd. fordarōn (nhd. fordern). Kiliaen kent alleen voorderen, dat hij ‘vetus’ noemt.

Nl. vorderen beschouwt FW 758 wegens de korte klinker als overname uit het nhd. Daartegen voert W. de Vries Ts 42, 1924, 136 aan, dat ook mnd. mhd. vorderen kennen en dat men het nl. vorderen op voorderen kan terugvoeren. Maar mnl. kent deze bet. nog in het geheel niet, terwijl zij reeds ohd. aanwezig is. Evenals vorderen 1 te verklaren, maar nu < germ. *furþarōn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vorderen I ww. (vooruitkomen), mnl. vorderen “vooruitkomen, vooruitbrengen, bevorderen, ondersteunen, uitvoeren, baten” (de bijvorm Kil. mnl. voorderen heeft oo onder invloed van voorder = ohd. fordar). = mnd. vorderen “id.”, ohd. furdiren “provehi” (nhd. fördern), ags. fyrðran “vooruitbrengen” (eng. to further), wgerm. *furþirjan. Hiernaast het -on-ww. ohd. fordarôn “ontbieden (oorspr. “naar voren halen”), sommeeren, verlangen, eischen” (nhd. fordern), mnd. vorderen “id.” (> de. fordre, zw. fordra “eischen”). Kil. noemt voorderen in deze bet. “vetus”; met ’t oog daarop en vooral wegens den uitsluitend kortvocalischen vorm is nnl. vorderen II (eischen) als een germanisme op te vatten. De beide genoemde ww. komen van den comparatief van voort: mnl. voorder, vorder (nog dial.), onfr. forthor, further, ohd. fordar (nhd. vorder), furdir (nhd. fürder), os. forthar, furthir, ofri. forther, further, ags. furðor (eng. further) “verder, voorwaarts”, als bnw. “meer naar voren zich bevindend” (en daaruit ontstane bett.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vorderen o.w., Mnl. id. + Ohd. furdiren (Mhd. vürdern, Nhd. fördern = vooruitbrengen) en Ohd. fordarôn (Mhd. vordern, Nhd. fordern = eischen): denomin. van *vorder (thans voorder), den comparat. van voor 2 met hetz. suffix als ander (z.d.w.). Evenzoo van voort On. forđa, Ags. forđian (Eng. to af-ford).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vorder ww.
1. Vooruitkom, vooruitgang maak. 2. Eis, opeis, afdwing.
Uit Ndl. vorderen (al Mnl. in bet. 1, 1609 in bet. 2).
D. fordern (8ste eeu).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vorderen, comparatief van voor, dus: meer naar voren, vooruit gaan, vandaar: bevorderen, als overgankelijk; b.v. in Vondels tijd „voorderaars” = bevorderaars; „het welvaren te helpen voorderen”; vgl. loopen (intrans.) en beloopen (transit.). Ook had vorderen oudtijds de bet. van: vóór laten komen, vóór zich roepen, ontbieden, waaruit later de bet. eischen, vergen ontstond; men eischt, dat iemand komt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vorderen ‘eisen’ -> Deens fordre ‘eisen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fordre ‘eisen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds fordra ‘eisen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vorderen* eisen 1100 [Willeram]

vorderen* vooruitkomen 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal