Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

voos - (bedorven)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

voos* [bedorven] {voos(ch) 1568} oostfries fussig, oudnoors fauskr [vermolmd hout]; van dezelfde stam als vuil.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

voos bnw., Kiliaen voos, voosch (met vreemde bijvorm vooghs), vgl. zwits. gefosen ‘verrot’ < germ. *fausa- en *fauska-; de 2de stam ook in on. fauskr, fauski m. ‘vermolmd hout’, vgl. laat-onoorw. feyra v. ‘poreus celweefsel in beenderen’. — Zie verder vuil en vuns.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

voos bnw. Sedert Kil.: voos, voosch, vooghs. De laatste vorm is blijkbaar secundair: Kil. voosch (> voos) stemt formeel met on. fauskr m. “verrotte boom” overeen. Verder kan noorw. dial. føyr “sponzig” verwant zijn (*fauza-) benevens lat. pûs (gen. pûris) “etter”. Verwanten hoogerop bij vuil. Noorw. fos “voos” uit ’t Ndl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

voos bijv., Kil. voos, voosch + Oostfri. fussig, Noorsch fos, On. fauskr = verrotte boom, bij den wortel van vuil.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

voos b.nw.
1. Sonder stewige vleis en met min sap. 2. Sonder veel waarde. 3. Sonder lewenskrag, ongesond.
Uit Ndl. voos (1573 in bet. 1, 1608 in bet. 2, 1788 in bet. 3). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

voos ‘bedorven, niet stevig, week’ -> Fries foas ‘bedorven’; Engels fuzzy ‘donzig, pluizig; verward, vaag’; Schots fozie; fosy, fozzy ‘(groente) zacht, sponzig; (touw) gerafeld; dik, slap, uit conditie; onintelligent, stom’; Duits dialect fosch, foß ‘bedorven, niet meer sappig, slap’; Deens dialect fus ‘poreus, luchtig’; Noors fos ‘week, poreus’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

voos* bedorven 1579 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut