Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

voorzichtig - (behoedzaam, omzichtig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

voorzichtig bn. ‘behoedzaam, omzichtig’
Mnl. eerst overmids dynre voersichticheyt ‘door uw vooruitziend beleid’ [1399; MNW-P], dan voorsichtich ghesicht ‘vooruitziende blik’ [ca. 1400; MNW], wijs ende voersichtich ‘wijs en prudent’ [1437; MNW-P] ; vnnl. voorzichtich ... Jeghens de wilde dieren ‘waakzaam m.b.t. de wilde dieren’ [1583; iWNT], zeer abstract ende voorsichtich ‘zeer terughoudend en behoedzaam’ [1598; iWNT abstract II].
Ontleend aan mnd. vorsichtig ‘uit voorzorg, waakzaam, behoedzaam’, verwant met mhd. vor- en vürsihtic ‘vooruitziend, verstandig’ [voor 1190; Gärtner], ohd. forasihtig ‘vooruitkijkend’ [ca. 1000; Pfeifer], een afleiding van forasiht ‘vooruitziende blik’, een vertaling van Latijn providentia ‘id.’, en gevormd uit fora ‘voor’ en siht ‘zicht’. Zie verder → voor 1 en → zicht.
In de eerste attestatie uit 1399 is voersichticheyt ook een vertaling van providentia, voorkomend in de Vulgaattekst van het Nieuwe Testament (Hand. 24:2-3).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

voorzichtig* [behoedzaam, omzichtig] {voresichtig [vooruitziend, scherpzinnig, verstandig] 1470; als ‘behoedzaam’ 1583} van middelnederlands voorsichtige [vooruitziende], van voor2 + zien.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

voorzichtig bnw. mnl. vōresichtich ‘vooruitziende, scherpzinnig’ kreeg eerst later de tegenwoordige bet. ‘niet ondoordacht’.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† voorzichtig bnw., sedert het Mnl. Ohd. Mnd., veelal in de oudere bet. ‘voor(uit)ziende.’

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

veurziechteg (bn.) voorzichtig; Middelnederlands voorsichtich <1400>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

versigtig b.nw.
1. Oordeelkundig, bedag. 2. Behoedsaam, omsigtig. 3. Matig. 4. Bang.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. voorzichtig (begin 16de eeu in bet. 1, 1583 in bet. 2), 'n afleiding met -ig van voorzicht (Mnl. voresicht) 'vermoë om vooruit te sien en voorsorg te tref'. Bet. 3 en 4 het in Afr. self ontwikkel.
D. vorsichtig.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

voorzichtig ‘behoedzaam, omzichtig’ -> Deens forsigtig ‘behoedzaam, omzichtig’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors forsiktig ‘behoedzaam, omzichtig’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds försiktig ‘behoedzaam, omzichtig’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands voorsicht ‘behoedzaam, omzichtig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

voorzichtig* behoedzaam, omzichtig 1583 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut