Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

voorwerp - (zaak, ding, object)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

voorwerp zn. ‘zaak, ding, object’
Mnl. alleen voorworp ‘object van de schouwende ziel of mystiek-religieuze liefde’ in Hi is ... die ierste voirworp den verhavenen ghedachten ‘Hij is het belangrijkste object voor verheven gedachten’ [1461; MNW]; vnnl. voorworp, meestal al voorwerp, ook algemener ‘object waarop de aandacht is gericht’ in 't voorworp zijnes haats [1644; iWNT], 't voorwerp van 't oog, 't welk ... in een ogenblik 't voorwerp tot zijn sin treckt ‘de lichtstraal van het oog (nl. de blik) die in een oogwenk het object begerenswaardig maakt’ [ca. 1648; iWNT]; nnl. als taalkundige term voorwerp “den persoon of de zaak, waarop de handeling van het onderwerp, door het hoofdwoord van het gezegde uitgedrukt, regtstreeks overgaat” [1860; iWNT].
Samenstelling van → voor 1 en de stam van → werpen, gevormd als vertaling van middeleeuws Latijn objectum ‘voorwerp van aandacht’ < ‘wat op zichzelf bestaat, onafhankelijk van het denkend subject’, zie → object.
Subject en object zijn aanvankelijk filosofische termen, die in de taalkunde een specifieke betekenis hebben gekregen. Waar de Nederlandse grammatici vóór de 19e eeuw spraken van datief en accusatief en daarmee bij uitbreiding het latere meewerkend en lijdend voorwerp aanwezen, heeft in de 19e eeuw de syntaxis de stap gemaakt van woordverbindingsleer naar de logische analyse vanuit de zin als gedachte-eenheid. Zie verder → zin.
Het grammaticale object is als object/voorwerp van handelen, direct, indirect of met een naamval/voorzetsel, in de 19e eeuw ondergebracht in de termen lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, oorzakelijk voorwerp. Subject en object worden dan vanuit de zinsstructuur benaderd.
lijdend voorwerp. Nnl. lijdend voorwerp [1859-60; Kern]. Het lijdend voorwerp (direct object) is het zinsdeel dat de zelfstandigheid aanduidt waarop de handeling of werking die door het gezegde wordt uitgedrukt, direct gericht is; het ondergaat de handeling of werking of wordt erdoor voortgebracht: “hij leest een boek”. ♦ meewerkend voorwerp. Nnl. medewerkend voorwerp [1892; Jacobs/Koenen]. Het meewerkend voorwerp (indirect object) is het zinsdeel dat de zelfstandigheid aanduidt waarop de handeling of werking die door de combinatie van werkwoord en lijdend voorwerp wordt uitgedrukt, gericht is; het heeft in de meeste gevallen betrekking op personen of levende wezens: “zij geeft hem een boek”. ♦ oorzakelijk voorwerp Nnl. oorzakelijk voorwerp [1883; Terwey]. Het oorzakelijk voorwerp is een zinsdeel dat de zelfstandigheid noemt die aanleiding geeft tot de werking die door het gezegde wordt uitgedrukt. Daarbij trekt men ook wel het latere voorzetselvoorwerp.
Lit.: H. Kern (1859-60), Handleiding bij het Onderwijs der Nederlandsche Taal, Zutphen; J.H. van Dale (1868), Zinsontleding, een handboek voor onderwijzers en leerlingen, Schoonhoven; H. Jacobs en M.J. Koenen (1892), Nederlandsche spraakkunst, ten dienste van onderwijzers, Groningen; T. Terwey (1883), Nederlandse spraakkunst, 4e druk, Groningen

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

voorwerp* [zaak] {vorewerp [voorwerp van beschouwing, van verering] 1461} vertalende ontlening aan latijn obiectum [het voorgeworpene], van ob [voor, in de weg] + iectum, o. verl. deelw. van iacere (in samenstellingen -jicere) [werpen] (vgl. object).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

voorwerp znw. o., mnl. vōrewerp, vōreworp is een vertaling van lat. objectum.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

voorwerp znw. o. Niet bij Kil., wel mnl. (ook -worp). Vert. van lat. objectum.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

voorwerp o., vertaling van Lat. objectum.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

voorwerp s.nw.
1. Ding of saak. 2. Iets waarop iemand of iets 'n werking uitoefen. 3. (taalkunde) Deel van 'n sin waarop die handeling betrekking het.
Uit Ndl. voorwerp (Mnl. vorewerp, voreworp in bet. 1, 1601 in bet. 2, 1859 in bet. 3).
Ndl. voorwerp is 'n leenvertaling van Middeleeuse Latyn obiectum 'die voorgeworpene', 'n samestelling van ob 'voor, in die pad' en iectum, die verlede dw. van iacere 'werp'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

voorwerp (vert. van Latijn obiectum)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

voorwerp ‘zaak’ -> Duits dialect Vörwerp ‘voorbeeld, model’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

voorwerp* zaak 1461 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut