Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

voort - (vooruit, verder)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

voort bw. ‘vooruit, verder’
Onl. forth ‘voorwaarts, verder; voortaan, vanaf dat moment’ in uaret uort heim ‘ga verder naar huis’, nemanne ne sagete uorth ‘(hij) vertelde het aan niemand verder’, Thu ... salt uorth mit mir wónen ‘je zult voortaan bij mij wonen’ [beide 1151-1200; Reimbibel]; mnl. vort, voort (voert) ‘id.’ [1267; VMNW], Ende also voerd tedien seluen termine elx jaers ‘en zo voort, elk jaar op dezelfde termijn’ [1280; VMNW].
Os. forth; mhd. vort (nhd. fort); ofri. forth (nfri. fuort); oe. forð (ne. forth); alle ‘voorwaarts, verder’, < pgm. *furþa-.
Dentaalafleiding van de wortel *fur- van → voor 1.
Als zelfstandig bijwoord raakte voort in de Nieuwnederlandse periode verouderd; afzonderlijke betekenissen werden overgenomen door voorwaarts, naar voren (ruimtelijk), voortaan (temporeel), voorts (voegwoordelijk, zie onder) of andere synoniemen, bijv. verder. Het komt nog wel voor in enkele vaste verbindingen, bijv. zeg het voort, en zo voort, enzovoort en is bovendien heel gewoon en zelfs productief als eerste lid in scheidbaar samengestelde werkwoorden, bijv. in voortgaan, voortbewegen, voortstrompelen, voortzetten, voortduren, voortplanten en voortsukkelen.
voorts bw. ‘vervolgens, bovendien’. Mnl. vorts ‘vervolgens, bovendien’ in dat vorts camen. jan wilsoeds zone boidin van ghent ende ghiselin de vlaming ‘dat vervolgens kwamen Jan Wilsoetes zoon, Boudin van Gent en Gijselin de Vlaming’ [1288; VMNW], voorts [1365; MNW]. Afleiding met bijwoordelijke -s (zie → -s 2) van voort.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

voort* [vooruit] {oudnederlands forth 901-1000, middelnederlands vo(o)rt} oudsaksisch, oudfries forth, middelhoogduits vort, oudengels forð, gotisch faurþis [vroeger] (een vergrotende trap); afgeleid van voor2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

voort bijw., mnl. voort, vort ‘verder, voort, voorwaarts, dadelijk daarna, voortaan’, onfrank. forth- ‘voort’ (in verbale samenstellingen), os. forth ‘voorwaarts, voort, weg, voortaan’, mhd. (md.) vort ‘voorwaarts, vooraan, verder, voortaan’ (nhd. fort), ofri. forth, oe. forð ‘voort, verder’ (ne. forth) en daarvan afgeleid on. forða ‘in veiligheid brengen, redden’, oe. geforðian ‘wegbrengen’. — Dentaal afl. van voor 2. — Daarvan een comparatief, waarvoor zie: vorderen 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

voort bijw., mnl. voort, vort “verder, voort, voorwaarts, dadelijk, daarna, voortaan”. = onfr. forth- “voort” (in samengestelde ww.), mhd. (vooral md.) vort “voorwaarts, vooraan, verder, voortaan” (nhd. fort), os. forth “voorwaarts, voort, weg, voortaan”, ofri. forth, ags. forð “voort, verder” (eng. forth); on. de afl. forða “wegbrengen”. Bij voor II. Een formatie als got. hwaþ “waarheen”, dalaþ “naar beneden”. Voor den comparatief zie vorderen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

voort bijw., Mnl. id., Onfra., Os., forth + Mhd. vort (Nhd. fort), Ags. forđ (Eng. forth), Ofri. id., Go. comp. faurþis (= vroeger): een afleid. van voor 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vort b.nw., tw.
Weg, of uitroep waarmee iemand aangespoor word om vinnig weg te gaan.
Uit Ndl. voort, gewestelik vort (al Mnl. as b.nw., 1610 as tw.). Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884).
D. fort (12de eeu), Eng. forth (ongeveer 1000 in bet. 1).

vos b.nw., s.nw.
1. (verhewe) Jakkals. 2. Skelm, geslepe vent. 3. Rooierig, ligbruin, of rooibruin perd met ligte maanhare en stert.
In bet. 1 en 2 en in bet. 3 as s.nw. uit Ndl. vos (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1677 in bet. 3). Bet. 3 as b.nw. het in Afr. self ontwikkel, wsk. omdat die kleur met dié van 'n jakkals ooreenstem. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die samestelling vospêrd.
D. Fuchs (11de eeu in bet. 1), Eng. fox (ongeveer 825 in bet. 1).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

voort ‘vooruit’ -> Deens fort ‘verder’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fort ‘snel’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds fort ‘snel, vlug’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands voort ‘vooruit, verder’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

voort* bijwoord van richting: vooruit 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut