Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

voornaam - (aanzienlijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

voornaam bn. ‘aanzienlijk’
Mnl voorneme leden ‘belangrijke ledematen’ [1323; MNW ledequetsinge]; vnnl. Voerneemste ‘aanzienlijkste’ [1556; iWNT], wyser der voornaemster Historien ‘inhoudsopgave van de belangrijkste geschiedenissen’ [1556; iWNT wijzer], voorname Heeren [1612; iWNT wettelijk].
Ontleend aan mnd. of mhd. vornēme (of een variant), bn. ‘voornaam’ [1150-70; Gärtner] (nhd. vornehm ‘id.’), dat gevormd is uit vor ‘voor’, verwant met → voor 1, en een vorm van nehmen ‘nemen’, verwant met → nemen, met als betekenis van de combinatie ‘(naar voren) te halen’, dus ‘belangrijk’. Wellicht is het woord gevormd als leenvertaling van Latijn praecipuus ‘speciaal, voortreffelijk’, een afleiding van praecipere ‘vooraf nemen’, gevormd uit prae ‘voor’, zie → pre-, en -cipere, combinatievorm van capere ‘nemen’, verwant met → hebben. De overgang van -neme naar -name is vergelijkbaar met die bij → aangenaam, dat uiteindelijk van nemen is afgeleid.
In het Middelnederlands vinden we vooral het verwante bn. vorenemende of voornemende ‘uitstekend’ [1311; MNW] en het daarvan afgeleide zn. vorenementheit ‘voortreffelijkheid’ [1380-1400; MNW-P], die afgeleid zijn van voor (vore) ‘voor’ en nemen ‘nemen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

voornaam* [aanzienlijk] {voerneem 1556, voornaem 1560} vgl. hoogduits vornehm, van voor2 + nemen, ‘vooraan genomen’, een vertaling van latijn praecipuus met dezelfde betekenis, van prae [voor] + capere (in samenstellingen -cipere) [nemen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

voornaam bnw., mnl. vōrenâmelijc, Kiliaen veurnaem, veurnem, mnd. vornēme, mhd. vürnæme (nhd. vornehm) ‘voortreffelijk, voornaam’, eig. ‘wat vooraan genomen wordt’. — Zie voor het 2de lid ook: aangenaam.

Daarvan afgeleid het bijw. voornamelijk, reeds Kiliaen, maar beïnvloed door namelijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

voornaam bnw. Kil. veurnaem, veurnem, mnl. in vōrenâmelijc “voornaam” (van een feest). = mhd. vürnæme (nhd. vornehm), mnd. vornême “voortreffelijk, voornaam”, eig. “vooraan genomen, vooraan te nemen”. Vgl. voor -naem, germ. *nêmi(a)- bij aangenaam. Vgl. lat. prae-cipuus.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

voornaam bijv.(aanzienlijk), zooveel als vooruitgenomen, uitnemend, vertaling van Lat. præcipuus; voor de vorming, z. aangenaam.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1vernaam b.nw.
1. Hoog aangeskrewe, deftig, aansienlik. 2. Belangrik, gewigtig.
In bet. 1 uit Ndl. vernaamd (1509) of in bet. 1 en 2 uit Ndl. voornaam (1556 in bet. 1, 1560 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die vorm voornáam.
D. vornehm.

voornaam s.nw.
Eienaam van 'n persoon, in teenstelling met sy van.
Uit Ndl. voornaam (Mnl. vorename), so genoem omdat die naam voor 'n van staan.
D. Vorname, Eng. forename (1533).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

voornaam ‘aanzienlijk’ (vert. van Latijn praecipuus)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Voornaam, letterlijk: wat vóór, vooraf, het eerst wordt genomen; wat dus uitstekend, voortreffelijk is. Vgl. Hooft: de voorneemste getuigen. Zie ook Aangenaam.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

voornaam ‘aanzienlijk’ -> Duits dialect † dat Fernaamste ‘het belangrijkste, de hoofdzaak’; Deens fornem ‘aanzienlijk, met veel aanzien’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fornem ‘aanzienlijk, deftig’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds förnäm ‘aanzienlijk, met veel aanzien’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands voornaam ‘aanzienlijk’; Sranantongo frunamku ‘aanzienlijk, vooraanstaand’.

voornaam ‘gegeven eigennaam’ -> Indonesisch purnam ‘gegeven eigennaam; kartonnen naambordje’; Jakartaans-Maleis purnam ‘kartonnen naambordje’; Javaans purnam ‘gegeven eigennaam; eerste letters (van een Javaanse naam)’; Negerhollands voornaam ‘gegeven eigennaam, familienaam’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

voornaam* aanzienlijk 1556 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut