Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

voorn - (vis van de familie Cyprinidae)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

voorn zn. ‘vis van de familie Cyprinidae
Onl. forno ‘voorn’, gelatiniseerd in vornos vel ova (accusatief) ‘voorns of eieren’ [ca. 1200; ONW]; mnl. voorne ‘een vissoort’ in Om snoec ende voorne I sch. ‘voor een snoek en een voorn één schelling’ [1377-78; MNW]; vnnl. voorn ‘voorn’ [1570; iWNT].
Os. furnia ‘forel’ (mnd. vorne, vore(n), varn, ook ‘witvis, voorn’); ohd. for(a)hana o.a. ‘forel’ (mhd. forhen, in het laat-mhd. ook forhel door dissimilatie in de meervoudsvorm forhenen, zie verder → forel); nfri. foarn; oe. forn ‘forel’; < pgm. *furhnō-. Daarnaast nzw. färna ‘kopvoorn’ uit ablautend pgm. *ferhnō- en met ander achtervoegsel on. fjörsungr ‘grote pieterman’ (nzw. fjärsing) < pgm. *ferh-sunga-.
Verwant met Sanskrit prśni- ‘gevlekt, bont’; < pie. *prḱ-neh2-. Met andere achtervoegsels: Latijn porcus ‘stekelvinnige vis’; Grieks pérkē ‘rivierbaars’ (en vandaar door ontlening Latijn perca ‘id.’), perknós ‘blauwzwart, donkerkleurig’; Middeliers erc (bn.) ‘gevlekt, donkerrood’, (zn.) ‘zalm’; bij de wortel pie. *perḱ-, *porḱ-, *prḱ- ‘gespikkeld, bont’ (IEW 820-821).
Uit de vindplaatsen in het Middelnederlands en Vroegnieuwnederlands en in de andere oudere Germaanse taalfasen is niet altijd op te maken welke vissoort er precies wordt aangeduid, maar de betekenis ‘forel’ is in elk geval in het Hoogduits vrij algemeen. In het hedendaags Nederlands is voorn in het algemene taalgebruik een verkorting van blankvoorn (Rutilus rutilus), een van de meest voorkomende vissoorten in Nederland. Als tweede lid komt voorn ook nog voor in de namen van enkele andere karperachtige, maar tot andere geslachten behorende vissen in Nederland, bijv. de ruisvoorn, de kopvoorn en de bittervoorn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

voorn* [soort vis] {voorne 1377-1378} oudsaksisch forhna, oudhoogduits forhana, oudengels forn [forel]; buiten het germ. latijn perca [baars] < grieks perkè [idem], iers earc [zalm], van grieks perk(n)os [gevlekt], middeliers erc [zalm], welsh erch [gevlekt], oudindisch pṛśni- [gevlekt, bont]; het dier is dus naar zijn spikkels genoemd. Verwant met verf, forel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

voren 1 znw. m. of voorn, mnl. voorne, os. forhna, ohd. forhana, oe. forn v. ‘voorn, forel’ < idg. *pṛḱ-nā vgl. oi. pṛ́śni- ‘gevlekt, bont’, waarnaast *perḱ-no in nzw. färna ‘witvis’, gr. perknós ‘met donkere vlekken, blauwzwart’ en zonder n-suffix: gr. perke ‘baars’ (> lat. perca), lat. porcus ‘vis met stekelvinnen’, miers erc ‘gevlekt, donkerrood’ ook ‘zalm, forel, koe, hagedis’ en orc ‘zalm’, vgl. ook on. fjǫrsungr ‘pieterman; havik’ en lat. fario ‘soort forel’ (E. Liden MASO 1, 1937, 64 en IEW 820-1).

J. Schrijnen Ts 20, 1901, 310 wil dit woord verbinden met on. freknōttr ‘gevlekt’ en nijsl. frekna ‘zomersproet’, nzw. fräknar mv., wat mogelijk is, maar men plaatst dit woord gewoonlijk bij de groep van sprenkel en sprank; deze wil hij nu als vormen met s-voorslag rechtstreeks met voren verbinden, maar dit is semantisch niet mogelijk; wij moeten scheiden de wt. *perḱ- ‘gevlekt’ en *(s)p(h)erg ‘strooien, spuiten’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

voren I znw. Ook voorn, niet bij Kil., mnl. voorne. = ohd. forhana, os. forhna, ags. forn v. “voorn, forel”. Evenals lat. (Ausonius, oorspr. germ.) fario “een visch, forel”, nier. earc, orc “zalm”, lat. perca, gr. pérkē “baars” met de oorspr. bet. “de gespikkelde, bonte” bij gr. perknós, oi. pṛ́c̣ni- “gespikkeld, bont”, nier. earc “rood, bont”, gr. prṓx “droppel”. Zie forel, verf, sprang.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† voren, voorn znw. Met ablaut zw. färna ‘een soort vis, Leuciscus latifrons’. — Lat. perca is wsch. uit gr. pérkē ontleend; daarentegen zal lat. porcus ‘een soort vis’ in dit verband horen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

voren 1 m. (visch), Mnl. voorne + Ohd. forhana (Mhd. vorhen, vorhel, dial. Hgd. förch, Nhd. fohre, forelle) + Gr. pérkē, Lat. perca = baars, Ier. earc = zalm, bij Skr. pṛçniṣ, Gr. perknós = gespikkeld, Ier. earc = bont: uitbreiding van den wortel van verf.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

voorn* beenvis 1377-1378 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut