Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

voordeel - (winst, nut)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

voordeel zn. ‘winst, nut’
Mnl. vor(e)deel, als uordel ‘voorrecht, voorrang’ [1240; Bern.], ‘nut, winst, baat’ in tollen andren dinghen ..., die ons moeghen comen tevordele ‘voor alle andere dingen die ons tot voordeel kunnen zijn’ [1284; VMNW].
Gevormd uit → voor 1 in de temporele betekenis ‘eerder dan’ en → deel 1. Het woord zou oorspr. gebruikt zijn bij boedelscheidingen, waarbij aan een bepaalde persoon de eerste keus oftewel het voordeel werd gegeven (MNW, WNT). Al in het vroegste Middelnederlands hebben de overdrachtelijke betekenissen van het woord de overhand.
nadeel zn. ‘wat ongunstig is’. Vnnl. in Eenighe saecken die tot naedeel oft preiudicie van ons ... souden moghen comen [1578; iWNT]. Gevormd uit → na en → deel 1, naar analogie van voordeel. Het tegengestelde van voordeel luidde oorspr. - en nu nog in het Vlaams - achterdeel zoals in jn achter dele. van eneghen brueder ‘ten nadele van enig broeder’ [1301-25; VMNW], dat met de opkomst van het woord nadeel geleidelijk verdween. Mogelijk is nadeel gevormd naar het voorbeeld van Duits Nachteil ‘nadeel’ [16e eeuw; Grimm] en/of Nederduits nadēl [15e eeuw; Grimm].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nadeel* [schade] {1578} van na + deel1 vgl. voordeel.

voordeel* [winst] {voredeel [het aandeel dat men vooruit heeft] 1201-1250} van voor2 + deel1; vgl. voorbaat.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

voordeel znw. o., mnl. voordeel, vordeel, mnd. vordēl, mhd. nhd. vorteil bet. eigenlijk ‘deel dat men vooruit heeft’. — Daartegenover staat mnl. achterdeel, mnd. achterdēl, waarnaast sedert Kiliaen nadeel optreedt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nadeel znw. o., sedert eind 16. eeuw, o.a. bij Kil.,/ Hd. (md.), ndd. sedert de 15. eeuw, oost-md. al in de 14. eeuw. Zie voordeel.

voordeel znw. o. In de bet. “voordeel” reeds mnl. vo(o)rdeel o., mhd. vorteil m. o. (nhd. vorteil m.), mnd. vordêl o.; ospr. = “deel vooraan” of “deel vooruit”, ’t Mnl., nog 17-eeuwsche oppositum is achterdeel o., ook mnd., waarnaast sedert Kil. nadeel, een ook mnd. later-mhd. (md.) nhd. woord.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

voordeel o., Mnl. vordeel + Hgd. vorteil = het deel dat men boven anderen vooruit heeft: vergel. Fr. avantage, van avant = voorop.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

veurdeil (zn.) voordeel; Vreugmiddelnederlands vordel <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nadeel s.nw.
1. Ongunstige aspek van iets, bv. 'n handeling of voorwerp. 2. Verlies of skade wat gely word.
Uit Ndl. nadeel (1578). In Mnl. was achterdeel (as teenoorgestelde van voordeel) gebruiklik, en nadeel het geleidelik sedert die 16de eeu in die plek daarvan gekom.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Voordeel, letterlijk: het deel, dat bij het kiezen vóór, het eerst genomen mag worden, het beste; het andere was het „nadeel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

voordeel ‘winst’ -> Engels fardel ‘winst’; Deens fordel ‘winst’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fordel ‘goede kant, nut’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds fördel ‘winst’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands voordeel ‘profijt, winst’; Sranantongo fordeil ‘winst; profijt’; Surinaams-Javaans fordil ‘winst’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nadeel* schade 1578 [WNT]

voordeel* winst 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut