Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

voorbarig - (te haastig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

voorbarig bn. ‘te haastig’
Mnl. vorbarech ‘voortreffelijk’ [1380-1400; MNW-P], Een voorbarich bisscop ‘een vooraanstaande bisschop’ [1480; MNW]; vnnl. Dat deselve ... voorbarich zijn geweest ‘dat deze bereidwillig zijn geweest’ [1597; iWNT], voorbarigh om te vallen ‘geneigd, op het punt staand te vallen’ [1615; iWNT], Voorbarige drijvers ‘al te snelle aanjagers’ [1657; iWNT].
Waarschijnlijk afgeleid met → -ig van het bn. voorbaer ‘voornaam’ [1300-50; MNW-R], eerder al vorbare ‘id.’ [1285; VMNW], dat gevormd is met → -baar in de oorspronkelijke betekenis ‘dragend’ en vore of uore ‘vooraan’ [1265-70; VMNW], zie ook → voor 1, met als gezamelijke betekenis ‘(zich) voorop plaatsend’. Er heeft zich een geleidelijke betekenisontwikkeling voorgedaan van ‘voortreffelijk, voornaam’ via ‘voortvarend’ naar ‘al te voortvarend, overhaast’.
In het WNT wordt beargumenteerd dat deze betekenisontwikkeling mogelijk invloed heeft ondergaan van baren ‘te keer gaan’ [1287; VMNW], ook ‘zich tonen’ [1265-70; VMNW], eerder nog baron ‘openbaren’ [10e eeuw; ONW] (afleiding van → bar 1 ‘bloot’), en van het daarvan afgeleide adjectief barig ‘opvliegend’, waarvan het bestaan kan worden afgeleid uit barigheyt ‘opvliegendheid’ [1586; iWNT]. Ook een rechtstreekse afleiding van voorbarig uit voor en barig als ‘zich vóór anderen tonend, te keer gaand’ is denkbaar.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

voorbarig* [(te) haastig] {vorebarich [voornaam, aanzienlijk] 1393-1401, naast vorebaer 1285, voorbarig [(te) haastig] 1605} van voor2 + baren1 [(ver)tonen, te voorschijn brengen, uiten, zich vertonen]; de betekenis is gegaan van ‘door anderen vooraan geplaatst’ naar ‘zichzelf vooraan plaatsend’ en ‘(te) voortvarend’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

voorbarig

Het woord voorbarig bestaat uit drie delen: voor-, baar- en -ig. Voor is een plaatsbepaling, baar betekent eigenlijk: dragend, bijvoorbeeld in vruchtbaar en -ig is een achtervoegsel. Letterlijk is voorbarig dus: naar voren dragend, zich op de voorgrond stellend. Het woord kwam in het Middelnederlands al voor in de betekenis: voortvarend en misschien heeft die zich ontwikkeld tot: al te voortvarend, dus: ondoordacht, onbezonnen. Maar het is ook mogelijk dat voorbarig is afgeleid van het Middelnederlands ghebare dat: geraas, lawaai betekende. Quaet ghebare maken wilde zeggen: rumoer veroorzaken. Voorbarig zou dan een woord uit de jagertaal zijn en betekenen: zich te vroeg door lawaai verradend, eerst gezegd van de jachthond, dan algemeen gebruikt. Het Duits heeft een parallel in het woord vorlaut dat voorbarig betekent, maar letterlijk is: voortijdig luid.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

voorbarig bnw. mnl. voorbārich, voorbāre, Kiliaen veurbaerigh, veurbaer, mnd. vorbāre ‘voortreffelijk, voornaam’, samenstelling van voor + baar- 6 + ig, dus eig. ‘(zich) naar voren dragend, zich op de voorgrond stellend’.

De tegenwoordige bet. ‘overhaast, onbedacht’ kan men desnoods uit die van ‘voortreffelijk’ afleiden, waarbij het 17de eeuwse ‘voortvarend’ een tussenstadium kan zijn (van Haeringen Suppl. 185). — Maar de suggestie van W. de Vries Ts 43, 1924, 136, dat ons voorbarig uit de jagerstaal zou stammen en zou betekenen ‘zich te vroeg door lawaai verradend’ (vgl. mnl. ghebāre ‘geraas, getier’), vgl. ook nhd. vorlaut, verdient toch wel in aanmerking te worden genomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

voorbarig bnw. Met secundaire bet. (misschien als niet-begrepen archaïsme weer in gebruik gekomen?) = Kil. veurbaerigh, mnl. voorbârich naast Kil. veurbaer, mnl. voorbâre “voortreffelijk, voornaam” = mnd. vorbâre “id.”. Met ander 1. lid ohd. frambâri “id.”. ’t Tweede lid is formeel = -baar VI: oorspr. bet. “(zich) naar voren dragend”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

voorbarig. De tegenw. bet. laat zich behoorlijk verklaren uit ‘voortreffelijk’ > ‘voortvarend’ (17e eeuw) > ‘al te voortvarend’. Er is dus geen reden om het nnl. woord met W.de Vries Tschr. 43, 136 van mnl. voorbârich te scheiden en het op te vatten als ‘vóór de tijd *(ge)barig’ (dit laatste, niet overgeleverde, woord zou dan een afl. zijn van mnl. gebâre ‘geraas, getier’; zie gebaar): vgl. hd. vorlaut, dat als ‘vor der Zeit laut’ is verklaard.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

voorbarig bijv., Mnl. vorbarich, uitbreiding van vorbare = voornaam, een vorming gelijk gebaar (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

voorbarig b.nw.
1. Onbedag, onbesonne, oorhaastig. 2. Astrant, aanmatigend, opdringerig.
In bet. 1 uit Ndl. voorbarig (1623). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel. Ndl. voorbarig is 'n samestellende afleiding met -ig van voor 'voor' en baren 'vertoon, uit, te voorskyn bring' en die bet. het ontwikkel vanaf 'deur andere vooraan geplaas' na 'jouself vooraan plaas' tot 'te voortvarend', voordat die bet. 'astrant, aanmatigend, opdringerig' voorts in Afr. ontwikkel het.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Voorbarig, letterlijk: zich vóór, vooraan dragende, zich vooraan stellende; vandaar dat’t woord oudtijds ook bet. op den voorgrond tredend, vóór anderen zijn, voornaam; later ook: de zaken vooruitloopende: „een voorbarig oordeel”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

voorbarig ‘te haastig’ -> Fries foarbarich ‘te haastig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

voorbarig* te haastig 1605 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut