Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

voor - (voorzetsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

voor 1 vz. ‘niet achter; eerder dan; ten aanzien van; enz.’; bw. ‘in leidende positie; gunstig gezind’; vgw. van tijd ‘eerder dan dat’
Onl. furi, fure en fora, fore (bw.) ‘vooraan; voor-’ in forahura ‘voorhuur, vooruitbetaald pachtgeld’ [945; ONW], furi quamon furista ‘vooraan kwamen de vorsten’, furitekin ‘voorteken’ [beide 10e eeuw; W.Ps.], uorecundent ‘voorspellen, aankondigen’ [ca. 1100; Will.], so uns lucas uor gescriben habete ‘zoals Lucas voorheen voor ons opgeschreven heeft’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. (bw., vz.) vore, (bw., vz., vgw.) vor ‘voor, vooraan enz.; eerst, eerder enz.; voordat’ in men lachte uor em dar broet ‘men legde daar brood voor hem neer’ [1220-40; VMNW], lesen in diedsch uor alle de brodre ‘in de volkstaal voorlezen voor alle broeders’ [1236; VMNW], XII d. vor koren ‘twaalf penningen voor koren’ [1281; VMNW], vor sie alle besien sijn ‘voordat ze allemaal bekeken zijn’ [1284; VMNW], si coren strijt vor vrede ‘zij verkozen strijd boven vrede’ [1285; VMNW], alse die vos uliet uor die honde ‘als de vos vlucht voor de honden’ [1287; VMNW]; vnnl. voor, veur [1599; Kil.].
In voor zijn twee vormen samengevallen: Proto-Germaans *fura en *furi, beide met min of meer dezelfde betekenis. Klankwettig zouden deze leiden tot nnl. voor resp. veur, maar door verschillende, per dialect variërende factoren (zie Schönfeld, par. 40b), verdween vrijwel overal één van beide vormen. Veur is in de dialecten nog wijdverbreid, maar in de standaardtaal is voor de enige overgebleven vorm. Ook in de meeste andere Germaanse talen is het onderscheid verdwenen; het Hoogduits heeft echter nog steeds duidelijk verschillende vormen, respectievelijk vor en für, waarbij in de loop van de tijd een betekenisonderscheid is ontstaan.
Uit pgm. *fura: onl. fore; os. fora, for; ohd. fora, for (nhd. vor); ofri. fore, for (nfri. foar); oe. for(e) (ne. fore, for); on. for- (nde. for en mogelijk nzw. för(e)); got. faur(a). De hierbij genoemde korte vormen traden vooral op als voorvoegsel bij werkwoorden, waar zij onbeklemtoond waren en daardoor in de meeste Germaanse talen al vroeg zijn samengevallen met één of meer andere voorvoegsels; zie verder → ver-.
Uit pgm. *furi: onl. furi; os. furi (mnd. vör(e)); ohd. furi; (nhd. für); on. fyri(r) (nzw. före); got. faúr. Al de genoemde woorden hebben ruimtelijke en/of temporele betekenissen als ‘vooraan, voorbij, vooruit; van tevoren, eerder’ en (vz.) ‘voor, voor ... langs, over ... heen e.d.’. Ook niet-ruimtelijke en overdrachtelijke betekenissen, zoals ‘wegens, in plaats van, ten aanzien van’, die in het Duits zijn voorbehouden aan de variant für, komen in de meeste Germaanse talen al vroeg voor.
Verwant met: Grieks pará, pára, paraí, pár ‘bij, naast, langs, tegenover’; Sanskrit purā́- ‘vroeger’; Avestisch para ‘id.’; < pie. *prh2-, *prh2-i. Ablautend verwant met Latijn prae ‘voor’ < pie. *preh2-i (zie ook → pre-). Met ander achtervoegsel Grieks páros ‘vroeger’ en Sanskrit purás ‘vooraan, naar voren’ < pie. *prh2-ós. Zie verder nog → vroom < pie. *prh2-mo-.
Latijn prō ‘voor’ (als voorvoegsel pro-, prod-, zie → pro-) lijkt hier qua betekenis goed bij te passen, maar wordt niet verwant geacht; men reconstrueert hiervoor pie. *pro-, dus zonder laryngaal, zie verder → vroeg.
Lit.: J.L. García-Ramón (1997), “Lat. prae, gr. paraí, pará und Verwandtes: idg. *prh2- und *pr- ‘vorn daneben, vor’ gegenüber pro(h1) ‘vor(n), vorwärts’”, in: A. Lubotsky (red., 1997), Sound law and analogy: papers in honor of Robert S. P. Beekes on the occasion of his 60th birthday, Amsterdam

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

voor2* [voorzetsel] {oudnederlands fore 901-1000, middelnederlands vore, voor} oudengels fore, oudsaksisch for(a), oudhoogduits fora, oudfries fara, oudnoors for-, gotisch faura; buiten het germ. latijn pro, prae, grieks par(a) [bij], paros [vroeger], oudiers ar, oudkerkslavisch pri [bij], oudindisch puraḥ.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

voor 2 voorz. bijw. voegw., mnl. vōre, voor, vuer, vuere. Hierin kunnen zijn samengevallen — 1. germ. *fur: onfrank. fur, os. fur, for, ohd. for (nhd. vor), ofri. oe. ne. for, on. for-, got. faur < idg. *pṛ: lat. porrigo, portendo, gr. dial. parbaíno. — 2. germ. *fura onfrank. fore, os. ohd. fora (nhd. vor), ofri. fore, fori, fora, oe. fore, got. faura *pərā̌: oi. pura bij w. ‘vroeger, voordať, voorz. ‘voor, zonder’, gr. pará, pára voorz. ‘naar...toe, langs, naast, tijdens’. — 3. germ. *furi: onfrank. os. ohd. furi (nhd. für), on. fyri, fyr, got. faur < idg. *pəri: gall. are- (in namen als Are-morica) ‘bij voor, ten oosten van’. — Afl. van idg. *per ‘overheen, doorheen’, vgl. oi. pári, gr. perí, pér, lat. per, opr. per, lit. per̅, per-, osl. prě- (IEW 810-813). — Zie: voort, vorderen, vorst.

Dezelfde stam *per duidt niet alleen voorz. en bijw. aan, maar betekent ook ‘over iets heen voeren, overzetten, waarvoor zie: varen, verder ook ‘voortbrengen’, waarvoor zie: vaars en eindelijk ook ‘proberen, wagen, gevaar’, waarvoor zie: gevaar (IEW 816-818).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

voor II voorz. bijw. voegw. (als voegw. naast ouder voordat), mnl. vōre, vȫre, voor, vor. Deels = onfr. fore, ohd. fora (nhd. vor), os. fora, ofri. fore, -i (fora), ags. fore, got. faúra “voor” (en verwante bett.), deels = onfr. ohd. os. furi (nhd. für), on. fyr(i), got. faúr “id.”, deels = onfr. fur, ohd. for (nhd. vor), os. fur, for, ofri. ags. (eng.) for, on. for-, got. faúr “id.”. Met verschillende casusuitgangen (-ai [of -âm?], -i, -om [? of onfr. fur enz. zonder uitgang?]) van de idg. basis oftewel stam *per- (*pṛ-), ablautend met *per- (zie ver- II). Vgl. ier. ar “vor, für, wegen” en in samenst., lat. por- (o.a. in por-tendo “ik toon, voorspel”), umbr. pur-ditum “porrectum”, gr. pár, par˙, pará “bij” (e.dgl. bett.), páros “vroeger”, paraí “bij” (event. = germ. * furai; vgl. nog lat. prae “voor”, lit. prë̃, obg. pri “bij, aan”), arm. aṙ “bij, aan, naast”, oi. purā́, puráḥ “voor, vroeger”; ook alb. para “vor”? Zie nog vorst II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

voor 2 voorz. (voorafgaand), Mnl. voor, vore, Onfra. fore, Os. for, fora + Ohd. fora (Mhd. vore, vor, Nhd. vor), Ags. fore, for (Eng. id.), Ofri. fara, On. for (Zw. för, De. for), Go. faura, faur + Skr. puras, Zd. para, Gr. páros, Lat. praef. por-, Oier. ar. Verwant zijn nog Hgd. für, Lat. en Gr. pro.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

veur (vz.) voor; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) veur, Aajdnederlands furi <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

voor: vz. met allerlei betekenissen, vooral m.b.t. personen; vaak betekent het: tegen. Breng dat ding voor me = Breng dat ding aan me. Ik ga* zeggen voor je = Ik zal je eens wat vertellen. Hij maak bullebak* voor me = Hij steekt zijn tong tegen me uit. Zet* medicijn* voor me = Doe jodium op mijn wond. Hij jokt* voor zijn baas = Hij liegt tegen zijn baas. Zie ook tanden pieren* voor.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ver- II: voorv. wat verb. hou m. Ndl. voor- (vgl. Afr. veral, verby, ens. m. Ndl. vooral, voorbij), v. WNT XIX 17 en Kem WFA soos by ver- I.

voor II: voors., bw. en voegw.; Ndl. voor (Mnl. vōre/veure/vo(o)r), Hd. vor naas für, Eng. for (vgl. ver- I, II en III), hiernaas Ndl./Afr. rekv. m. ausl. -t, nl. voort naas vort, “weg” (vgl. Eng. forforth) en hierby dial. voert, v. ook voertsek.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

voor (het -- en tegen) (vert. van Frans le pour et le contre)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

voor (1). Heeft ook de waarde van een krachtterm; het is een bastaardvloek om uitdrukking te geven aan een gevoel van irritatie, ongeduld, ergernis of woede; ‘verdomme’. Het wordt vaak gebruikt om een imperatief kracht bij te zetten. “Schrijf toch, voor de duivel! duidelijker.” In verzwakte vorm komt het voor in de bastaardvloeken voor ’n dubbeltje en pot-voor-’n-dubbeltje. Waar in het hedendaags taalgebruik naar gebruikt wordt, werd in vroeger tijden voor gebruikt in verwensingen. Tot in het begin van de 19de eeuw komen in verwensingen voor: voor den du(i)vel, drommel, bliksem, pokken e.d. lopen. Als zodanig kwam voor vooral in de imperatiefvorm loop voor de duivel voor. Vanaf de 19de eeuw wordt voor de drommel! e.d. gebruikt om uitdrukking te geven aan een gevoel van irritatie, ongeduld, ergernis of woede.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

voor ‘voorzetsel’ -> Deens fore- ‘prefix: met de voorkant van het schip of voortop te maken hebbend’ (uit Nederlands of Engels); Zweeds för ‘voorzetsel’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect si vorer; vorè; vorer ‘vooruitsnellen, zich op iemand of ergens op storten’; Ambons-Maleis par ‘voorzetsel’ (uit Nederlands of Spaans); Makassaars pôr, pôró ‘voorhoedespeler (voetbal)’; Menadonees vorvor ‘eerder’; Menadonees for ‘voorzetsel; opofferen (bijv. schaakstuk)’; Muna foro ‘leiden (in spel), voorsprong (in spel of ruimte)’; Petjoh voor, foor ‘voorzetsel; om’; Javindo foor ‘voorzetsel’; Negerhollands voor, fo, for ‘voorzetsel; voordat, opdat, daarmee, om te’; Berbice-Nederlands foro ‘voorzetsel’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † voor ‘voorzetsel’ .

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

voor. Volgens de taalkundige Don van Minde kent het Ambonees drie voorzetsels/voegwoorden met de betekenis 'voor, om, ten behoeve van', namelijk par, ontleend aan het Portugees; buat, een Maleis woord; en for, fur, dat naar alle waarschijnlijkheid teruggaat op het Nederlandse voor, hoewel het woord ook een contaminatie kan zijn van het Nederlandse voor en het Spaans/Portugese por. De functie en het gebruik van deze drie woorden loopt door elkaar. Het is beslist bijzonder dat een taal zoveel grammaticale woorden voor een en dezelfde functie uit andere talen overneemt.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

voor* voorzetsel 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2591. Voor den wind gaan,

slechts onpers. gebruikt in den zin van voorspoedig gaan, onder begunstiging van alle omstandigheden; evenals een schip, dat den wind vlak achter zich heeft; fr. avoir le vent en poupe; eng. to sail before the wind; vgl. voor wind en stroom gaan (Ndl. Wdb. IV, 86); voor het lapje gaan (zie no. 1340); mnl. voorwint hebben of den wint int seil hebben; Anna Bijns, Refr. 115: Haer scheepken zeyldt hier nu al voor den windt; Servilius, 35: 'tgaet al voor den wint, secundis ventis (navigare); Sart. I, 2, 11: heel voor stroom ende voor windt seylen, Neptuno propitio navigari; II, 5, 91: voor de wint seylen, 't geluck mede hebben, de eo cui res et sententia succedunt; Hooft, Ged. I, 53: Soo gaet het mij noch al voor wint, voor stroom; Pers, 460 b; 868 b; 912; Winschooten, 362: Vaaren met een voorwind of voor de wind; 363: De saaken gaan voor de wind: dat is, voorspoedig; Huydecoper, Proeve III, 198-200; Sewel, 960: Voor de wind zeilen, voorspoedig zijn; Halma, 789; Harreb. II, 316; afrik. dat gaat hom voor die wind; fri. foar de wyn gean; oostfri. vör die Wind gân. Vgl. nog andere uitdr. als hij heeft den wind mee (o.a. De Vrijheid, 12 Maart 1924 bl. 1 p. 4 k. 1); Joos, 84: hij heeft den wind van achter of 't waait in zijn zeilen (N. Taalgids, XII, 148); Tuerlinckx, 731: de wind van achter! gelukkige reis! Waasch Idiot. 717: het waait in zijnen vlieger, in zijn zeilen, hij heeft geluk (Antw. Idiot. 2162); iemand (den) wind in de zeilen blazen (Haagsche Post, 5 Juli 1924 p. 1 k. 2; Amsterdammer, 29 Maart 1924 p. 1 k. 2), hem helpen, begunstigen, naast iemand den wind uit de zeilen nemen (Handelsblad, 31 Juli 1924 p. 5 k. 1 (A); Amsterdammer, 5 April 1924 p. 3), d.i. hem den wind onderscheppen, hem tegenwerken; vgl. eng. to take the wind out of one's sails, to frustate him by anticipating his arguments, using his material.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut