Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

voor - (voorzetsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

voor 1 vz. ‘niet achter; eerder dan; ten aanzien van; enz.’; bw. ‘in leidende positie; gunstig gezind’; vgw. van tijd ‘eerder dan dat’
Onl. furi, fure en fora, fore (bw.) ‘vooraan; voor-’ in forahura ‘voorhuur, vooruitbetaald pachtgeld’ [945; ONW], furi quamon furista ‘vooraan kwamen de vorsten’, furitekin ‘voorteken’ [beide 10e eeuw; W.Ps.], uorecundent ‘voorspellen, aankondigen’ [ca. 1100; Will.], so uns lucas uor gescriben habete ‘zoals Lucas voorheen voor ons opgeschreven heeft’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. (bw., vz.) vore, (bw., vz., vgw.) vor ‘voor, vooraan enz.; eerst, eerder enz.; voordat’ in men lachte uor em dar broet ‘men legde daar brood voor hem neer’ [1220-40; VMNW], lesen in diedsch uor alle de brodre ‘in de volkstaal voorlezen voor alle broeders’ [1236; VMNW], XII d. vor koren ‘twaalf penningen voor koren’ [1281; VMNW], vor sie alle besien sijn ‘voordat ze allemaal bekeken zijn’ [1284; VMNW], si coren strijt vor vrede ‘zij verkozen strijd boven vrede’ [1285; VMNW], alse die vos uliet uor die honde ‘als de vos vlucht voor de honden’ [1287; VMNW]; vnnl. voor, veur [1599; Kil.].
In voor zijn twee vormen samengevallen: Proto-Germaans *fura en *furi, beide met min of meer dezelfde betekenis. Klankwettig zouden deze leiden tot nnl. voor resp. veur, maar door verschillende, per dialect variërende factoren (zie Schönfeld, par. 40b), verdween vrijwel overal één van beide vormen. Veur is in de dialecten nog wijdverbreid, maar in de standaardtaal is voor de enige overgebleven vorm. Ook in de meeste andere Germaanse talen is het onderscheid verdwenen; het Hoogduits heeft echter nog steeds duidelijk verschillende vormen, respectievelijk vor en für, waarbij in de loop van de tijd een betekenisonderscheid is ontstaan.
Uit pgm. *fura: onl. fore; os. fora, for; ohd. fora, for (nhd. vor); ofri. fore, for (nfri. foar); oe. for(e) (ne. fore, for); on. for- (nde. for en mogelijk nzw. för(e)); got. faur(a). De hierbij genoemde korte vormen traden vooral op als voorvoegsel bij werkwoorden, waar zij onbeklemtoond waren en daardoor in de meeste Germaanse talen al vroeg zijn samengevallen met één of meer andere voorvoegsels; zie verder → ver-.
Uit pgm. *furi: onl. furi; os. furi (mnd. vör(e)); ohd. furi; (nhd. für); on. fyri(r) (nzw. före); got. faúr. Al de genoemde woorden hebben ruimtelijke en/of temporele betekenissen als ‘vooraan, voorbij, vooruit; van tevoren, eerder’ en (vz.) ‘voor, voor ... langs, over ... heen e.d.’. Ook niet-ruimtelijke en overdrachtelijke betekenissen, zoals ‘wegens, in plaats van, ten aanzien van’, die in het Duits zijn voorbehouden aan de variant für, komen in de meeste Germaanse talen al vroeg voor.
Verwant met: Grieks pará, pára, paraí, pár ‘bij, naast, langs, tegenover’; Sanskrit purā́- ‘vroeger’; Avestisch para ‘id.’; < pie. *prh2-, *prh2-i. Ablautend verwant met Latijn prae ‘voor’ < pie. *preh2-i (zie ook → pre-). Met ander achtervoegsel Grieks páros ‘vroeger’ en Sanskrit purás ‘vooraan, naar voren’ < pie. *prh2-ós. Zie verder nog → vroom < pie. *prh2-mo-.
Latijn prō ‘voor’ (als voorvoegsel pro-, prod-, zie → pro-) lijkt hier qua betekenis goed bij te passen, maar wordt niet verwant geacht; men reconstrueert hiervoor pie. *pro-, dus zonder laryngaal, zie verder → vroeg.
Lit.: J.L. García-Ramón (1997), “Lat. prae, gr. paraí, pará und Verwandtes: idg. *prh2- und *pr- ‘vorn daneben, vor’ gegenüber pro(h1) ‘vor(n), vorwärts’”, in: A. Lubotsky (red., 1997), Sound law and analogy: papers in honor of Robert S. P. Beekes on the occasion of his 60th birthday, Amsterdam

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

voor2* [voorzetsel] {oudnederlands fore 901-1000, middelnederlands vore, voor} oudengels fore, oudsaksisch for(a), oudhoogduits fora, oudfries fara, oudnoors for-, gotisch faura; buiten het germ. latijn pro, prae, grieks par(a) [bij], paros [vroeger], oudiers ar, oudkerkslavisch pri [bij], oudindisch puraḥ.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

voor 2 voorz. bijw. voegw., mnl. vōre, voor, vuer, vuere. Hierin kunnen zijn samengevallen — 1. germ. *fur: onfrank. fur, os. fur, for, ohd. for (nhd. vor), ofri. oe. ne. for, on. for-, got. faur < idg. *pṛ: lat. porrigo, portendo, gr. dial. parbaíno. — 2. germ. *fura onfrank. fore, os. ohd. fora (nhd. vor), ofri. fore, fori, fora, oe. fore, got. faura <idg. *pərā̌: oi. pura bij w. ‘vroeger, voordať, voorz. ‘voor, zonder’, gr. pará, pára voorz. ‘naar...toe, langs, naast, tijdens’. — 3. germ. *furi: onfrank. os. ohd. furi (nhd. für), on. fyri, fyr, got. faur < idg. *pəri: gall. are- (in namen als Are-morica) ‘bij voor, ten oosten van’. — Afl. van idg. *per ‘overheen, doorheen’, vgl. oi. pári, gr. perí, pér, lat. per, opr. per, lit. per̅, per-, osl. prě- (IEW 810-813). — Zie: voort, vorderen, vorst.

Dezelfde stam *per duidt niet alleen voorz. en bijw. aan, maar betekent ook ‘over iets heen voeren, overzetten, waarvoor zie: varen, verder ook ‘voortbrengen’, waarvoor zie: vaars en eindelijk ook ‘proberen, wagen, gevaar’, waarvoor zie: gevaar (IEW 816-818).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

voor II voorz. bijw. voegw. (als voegw. naast ouder voordat), mnl. vōre, vȫre, voor, vor. Deels = onfr. fore, ohd. fora (nhd. vor), os. fora, ofri. fore, -i (fora), ags. fore, got. faúra “voor” (en verwante bett.), deels = onfr. ohd. os. furi (nhd. für), on. fyr(i), got. faúr “id.”, deels = onfr. fur, ohd. for (nhd. vor), os. fur, for, ofri. ags. (eng.) for, on. for-, got. faúr “id.”. Met verschillende casusuitgangen (-ai [of -âm?], -i, -om [? of onfr. fur enz. zonder uitgang?]) van de idg. basis oftewel stam *per- (*pṛ-), ablautend met *per- (zie ver- II). Vgl. ier. ar “vor, für, wegen” en in samenst., lat. por- (o.a. in por-tendo “ik toon, voorspel”), umbr. pur-ditum “porrectum”, gr. pár, par˙, pará “bij” (e.dgl. bett.), páros “vroeger”, paraí “bij” (event. = germ. * furai; vgl. nog lat. prae “voor”, lit. prë̃, obg. pri “bij, aan”), arm. aṙ “bij, aan, naast”, oi. purā́, puráḥ “voor, vroeger”; ook alb. para “vor”? Zie nog vorst II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

voor 2 voorz. (voorafgaand), Mnl. voor, vore, Onfra. fore, Os. for, fora + Ohd. fora (Mhd. vore, vor, Nhd. vor), Ags. fore, for (Eng. id.), Ofri. fara, On. for (Zw. för, De. for), Go. faura, faur + Skr. puras, Zd. para, Gr. páros, Lat. praef. por-, Oier. ar. Verwant zijn nog Hgd. für, Lat. en Gr. pro.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

veur (vz.) voor; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) veur, Aajdnederlands furi <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

voor: vz. met allerlei betekenissen, vooral m.b.t. personen; vaak betekent het: tegen. Breng dat ding voor me = Breng dat ding aan me. Ik ga* zeggen voor je = Ik zal je eens wat vertellen. Hij maak bullebak* voor me = Hij steekt zijn tong tegen me uit. Zet* medicijn* voor me = Doe jodium op mijn wond. Hij jokt* voor zijn baas = Hij liegt tegen zijn baas. Zie ook tanden pieren* voor.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ver- II: voorv. wat verb. hou m. Ndl. voor- (vgl. Afr. veral, verby, ens. m. Ndl. vooral, voorbij), v. WNT XIX 17 en Kem WFA soos by ver- I.

voor II: voors., bw. en voegw.; Ndl. voor (Mnl. vōre/veure/vo(o)r), Hd. vor naas für, Eng. for (vgl. ver- I, II en III), hiernaas Ndl./Afr. rekv. m. ausl. -t, nl. voort naas vort, “weg” (vgl. Eng. forforth) en hierby dial. voert, v. ook voertsek.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

voor (het -- en tegen) (vert. van Frans le pour et le contre)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

voor (1). Heeft ook de waarde van een krachtterm; het is een bastaardvloek om uitdrukking te geven aan een gevoel van irritatie, ongeduld, ergernis of woede; ‘verdomme’. Het wordt vaak gebruikt om een imperatief kracht bij te zetten. “Schrijf toch, voor de duivel! duidelijker.” In verzwakte vorm komt het voor in de bastaardvloeken voor ’n dubbeltje en pot-voor-’n-dubbeltje. Waar in het hedendaags taalgebruik naar gebruikt wordt, werd in vroeger tijden voor gebruikt in verwensingen. Tot in het begin van de 19de eeuw komen in verwensingen voor: voor den du(i)vel, drommel, bliksem, pokken e.d. lopen. Als zodanig kwam voor vooral in de imperatiefvorm loop voor de duivel voor. Vanaf de 19de eeuw wordt voor de drommel! e.d. gebruikt om uitdrukking te geven aan een gevoel van irritatie, ongeduld, ergernis of woede.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
Voor.
α) In bepalingen van plaats. – Hier dient vermeld te worden de uitdrukking in bestemming voor -, in plaats van met bestemming naar, reeds besproken onder ϲ, δ, 2°); zie derhalve aldaar (boven blz. 588) [in].

β) In bepalingen van reden. – In het Fransch wordt het voorzetsel pour ook gebruikt om de reden of den grond te kennen te geven, welke begrippen in het Nederlandsch uitgedrukt worden door om, wegens enz., maar niet door voor, zooals men soms leest bij Zuidnederlandsche schrijvers, in navolging van het Fransche spraakgebruik. || Eene andere bende (boeren) vermoordde te Assenede den kantonnalen commissaris …, voor zijne republikeinsche dweperij berucht, MATHOT, Troebele Tijd 124. De Landes …, eene streek, die in en buiten Frankrijk bekend staat voor hare onvruchtbaarheid en hare eentonige woestheid, ROOSES, Op Reis 1.

γ) In bepalingen van gevolg. – Men zegt in het Fransch pour comble de malheur, pour surcroît de malheur enz. De betrekking, in het Fransch door het voorzetsel pour vervuld, wordt in het Nederlandsch door tot uitgedrukt: tot overmaat van ramp enz. Maar naar het voorbeeld van de Fransche constructie leest men op de volgende plaats voor overmaat -. || Voor overmaat van beleediging, droeg het plakkaat der vernietiging van verscheidene kloostergestichten de dagteekening van dit antwoord, MATHOT, Jozef II 44.

δ) In bepalingen van voorwaarde. – Bekend is het eigenaardig gebruik dat in het Fransch gemaakt wordt van het voorzetsel pour, om eene berusting te kennen te geven die tot onverschilligheid geworden is, b.v. malheureuse pour malheureuse, autant être duchesse; résistance pour résistance, il préférait une lutte courtoise; mourir pour mourir, autant retourner là-bas; scélérat pur scélérat, il vaut mieux être loup qu’un homme (LA FONTAINE). Het gaat niet aan, in het Nederlandsch hetzelfde begrip te willen uitdrukken met het voorzetsel voor; een omschrijving is onvermijdelijk, b.v. als ik dan toch ongelukkig moet wezen, kan ik evengoed hertogin worden; als er dan toch weerstand geboden moest worden, zette hij liever den strijd krachtig voort; als ik dan toch sterven moet, kan ik evengoed naar mijn vaderland teruggaan; als ik dan toch voor een booswicht moet uitgescholden worden, is het toch beter een wolf dan een mensch te zijn enz. || Fabel voor fabel, genieten wij oneindig meer de reuzensage van Pol de Mont dan de deftig burgerlijke patriarkenzangen van Hoogvliet en anderen, ROOSES, Derde Schetsenb. 382 (men zou zeggen als wij nu toch een fabel moeten slikken, genieten wij enz.).

ε) In bepalingen van beperking. Zoowel het Nederlandsche voorzetsel voor als het Fransche pour wordt gebruikt in den zin van aangaande, wat betreft, met het oog op, maar in onze taal is dit gebruik veel beperkter dan in het Fransch: behalve in de uitdrukkingen ik voor mij, voor zooveel en voor zoover, en in zinnen als voor zijn leeftijd is hij nog kras, voor een meisje is zij mij te vrij, is voor in die beteekenis niet in gebruik, terwijl in het Fransch pour in tallooze gevallen en verbindingen kan gebezigd worden. Naar het voorbeeld daarvan wordt ook voor door Zuidnederlandsche schrijvers aldus gebruikt meer dan ons taaleigen het veroorlooft. || Voor het handwerk geloof ik uw stelsel uitstekend, GEIREGAT, Maatschapp. Vraagst. 17 (hier past wat het handwerk betreft). Voor de natuurwetenschappen moet men het eenvoudig beschrijvend element en het proefondervindinglijk (sic, men zegt proefondervindelijk) element onderscheiden, 130 (bij RICHET in Revue Scientifique 49, 328 b: Pour les sciences naturelles, d.i. waar het de natuurlijke wetenschappen geldt enz.). Voor ons, kalm tegen alle onrechtvaardige aanranding, … zullen (wij) voortgaan in onze ernstige en aangename onderlinge werkzaamheden, DE PAUW in Versl. Vl. Ac. 1888, 340 (er wordt vereischt wat ons betreft).
De aangestipte fout komt meestal voor in de uitdrukkingen voor wat aangaat en voor wat betreft, aldus gebruikt naar het voorbeeld van fr. pour ce qui regarde, pour ce qui est de -. Men zegt in zuiver Nederlandsch eenvoudig wat betreft, wat aangaat. || Voor wat de fraaie kunsten betreft, … bloeiden dan reeds de neringen der goud- en zilversmeden, en der schilders, die beide hunne inrichting kregen in het eerste jaar van Artevelde’s bestuur, DE PAUW, Voorgeb. XX. De zorgen, die het lichaam vereischt, voor wat voedsel, kleeding, licht, reinheid aangaat, MINNAERT in De Toekomst 35, 372. Allen (t.w. zekere kinderen) stonden op gelijken rang voor wat de keuze der stoffen betreft, LOVELING, Hoofd v. ’t Huis 26. Hij was onschuldig, voor wat de mishandelingen op den baas gepleegd aanging, LOVELING, Sophie 50. Het was wel Emilie, die sedert mama’s krankheid, voor wat de zorgen betrof, Louitje tot moeder verstrekte, 147. De Chinees bezigt … eenen zeilkruiwagen, in Europa volstrekt onbekend, althans voor wat het gebruik betreft, DAEMS, Kruiw. 94. Wij (sluiten) … ons kapittel … met eene laatste bemerking …, eene niet genoeg begrepen waarheid bevattende, niet alleen voor wat boekwerken aangaat, maar eveneens voor wat welke beruchtheid (bedoeld wordt welk beroemd man) ook betreft, 184. Tot dusverre, voor wat de leesles betreft, STINISSEN in De Toekomst 34, 292. Voor wat de leermiddelen betreft is onze nieuwe methodieker alles behalve nieuw van gedachten, TEMMERMAN in De Toekomst 31, 204. De Herbartianen zijn het over het heel (sic) niet eens met Ziller voor wat de keus der concentreerstof betreft, zelfs niet voor het getal der leertrappen, 32, 62. Voor hetgeen nu de methode of de manier, volgens welke de stof moet behandeld worden, betreft, zoo wordt enz., 32, 105. Voor wat de scholen met behoorlijke onderwijskrachten … betreft, 34, 65. Voor wat de leerstof in hare verdeeling aangaat, 35, 68. Er zijn in de laatste jaren handleidingen voor ’t onderwijs, zelfs voor wat de methode betreft, bij de vleet verschenen, 35, 69. Voor wat het geld aangaat, ge zult het hebben, STIJNS, In de Ton 235. Allerellendigst, voor wat gemak en genoegen der bewoners betrof, moest dit huisje genoemd worden, TEIRLINCK, Cil. 20. Voor wat ’s dichters gewrochten in het vak der kinderpoëzie betreft, CORNETTE in De Toekomst 31, 321. Voor wat zijne vorming, de ontwikkeling en veredeling zijner geestelijke vermogens betreft, 34, 6. Voor wat het onderricht der moedertaal aangaat, 34, 56. De zaak is aan goede handen vertrouwd, zoowel voor wat de oordeelkundige keus als de smaakvolle uitvoering betreft, CORNETTE in Vl. School 1895, 67b. Voor wat inhoud en indeeling betreft, DE FLOU in Ned. Dicht- en Kunsth. 13, 273. Voor wat de kunstwaarde aangaat, WATTEZ in Holl.-Vl. 2, 127. Voor wat de plats de résistance betreft, GITTÉE, Bij onze Noorderbr. 89. Hij (t.w. De Gids) … kan, voor wat het gehalte betreft, heel goed de vergelijking doorstaan (met de Revue des Deux Mondes), 136. Zoowel voor wat den grond als wat den vorm betreft, GITTÉE in Dietsche War. N. R. 7, 13. Wij betrouwen op den goeden smaak onzer lezers, voor wat het geheel of gedeeltelijk beamen dezer lofspraak betreft, HAERYNCK, Boendale 85. Voor wat de taal, als taal, aangaat, MEERT in De Toekomst 35, 406. Voor wat betreft bewegingen en houdingen, daarvoor zijn andere middelen aan te wenden, P. B. in Vl. School 1895, 121a. Voor wat taal en stijl betreft, hebben zij (zekere schrijvers) voor ons, Vlamingen, niets eigenaardigs, Versl. Vl. Ac. 1890, 172.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

voor ‘voorzetsel’ -> Deens fore- ‘prefix: met de voorkant van het schip of voortop te maken hebbend’ (uit Nederlands of Engels); Zweeds för ‘voorzetsel’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect si vorer; vorè; vorer ‘vooruitsnellen, zich op iemand of ergens op storten’; Ambons-Maleis par ‘voorzetsel’ (uit Nederlands of Spaans); Makassaars pôr, pôró ‘voorhoedespeler (voetbal)’; Menadonees vorvor ‘eerder’; Menadonees for ‘voorzetsel; opofferen (bijv. schaakstuk)’; Muna foro ‘leiden (in spel), voorsprong (in spel of ruimte)’; Petjoh voor, foor ‘voorzetsel; om’; Javindo foor ‘voorzetsel’; Negerhollands voor, fo, for ‘voorzetsel; voordat, opdat, daarmee, om te’; Berbice-Nederlands foro ‘voorzetsel’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † voor ‘voorzetsel’ <via Negerhollands>.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

voor. Volgens de taalkundige Don van Minde kent het Ambonees drie voorzetsels/voegwoorden met de betekenis 'voor, om, ten behoeve van', namelijk par, ontleend aan het Portugees; buat, een Maleis woord; en for, fur, dat naar alle waarschijnlijkheid teruggaat op het Nederlandse voor, hoewel het woord ook een contaminatie kan zijn van het Nederlandse voor en het Spaans/Portugese por. De functie en het gebruik van deze drie woorden loopt door elkaar. Het is beslist bijzonder dat een taal zoveel grammaticale woorden voor een en dezelfde functie uit andere talen overneemt.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

voor* voorzetsel 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2591. Voor den wind gaan,

slechts onpers. gebruikt in den zin van voorspoedig gaan, onder begunstiging van alle omstandigheden; evenals een schip, dat den wind vlak achter zich heeft; fr. avoir le vent en poupe; eng. to sail before the wind; vgl. voor wind en stroom gaan (Ndl. Wdb. IV, 86); voor het lapje gaan (zie no. 1340); mnl. voorwint hebben of den wint int seil hebben; Anna Bijns, Refr. 115: Haer scheepken zeyldt hier nu al voor den windt; Servilius, 35: 'tgaet al voor den wint, secundis ventis (navigare); Sart. I, 2, 11: heel voor stroom ende voor windt seylen, Neptuno propitio navigari; II, 5, 91: voor de wint seylen, 't geluck mede hebben, de eo cui res et sententia succedunt; Hooft, Ged. I, 53: Soo gaet het mij noch al voor wint, voor stroom; Pers, 460 b; 868 b; 912; Winschooten, 362: Vaaren met een voorwind of voor de wind; 363: De saaken gaan voor de wind: dat is, voorspoedig; Huydecoper, Proeve III, 198-200; Sewel, 960: Voor de wind zeilen, voorspoedig zijn; Halma, 789; Harreb. II, 316; afrik. dat gaat hom voor die wind; fri. foar de wyn gean; oostfri. vör die Wind gân. Vgl. nog andere uitdr. als hij heeft den wind mee (o.a. De Vrijheid, 12 Maart 1924 bl. 1 p. 4 k. 1); Joos, 84: hij heeft den wind van achter of 't waait in zijn zeilen (N. Taalgids, XII, 148); Tuerlinckx, 731: de wind van achter! gelukkige reis! Waasch Idiot. 717: het waait in zijnen vlieger, in zijn zeilen, hij heeft geluk (Antw. Idiot. 2162); iemand (den) wind in de zeilen blazen (Haagsche Post, 5 Juli 1924 p. 1 k. 2; Amsterdammer, 29 Maart 1924 p. 1 k. 2), hem helpen, begunstigen, naast iemand den wind uit de zeilen nemen (Handelsblad, 31 Juli 1924 p. 5 k. 1 (A); Amsterdammer, 5 April 1924 p. 3), d.i. hem den wind onderscheppen, hem tegenwerken; vgl. eng. to take the wind out of one's sails, to frustate him by anticipating his arguments, using his material.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

per-2 ‘das Hinausführen über’

A. Dient als Präposition, Präverb und Adverb: a. per, peri (Lokative des Wurzelnomens) ‘vorwärts, im Hinausgehen, Hinübergehen über, im Durchdringen, im Übermaß’, woraus ‘über - hinaus, durch - hin’;
ai. pári, av. pairi, apers. pariy, gr. περί, πέρ, alb. për (z. T. auch = idg. *pro), pej, pe; daneben per (*peri) mit wiederhergestelltem r; lat. per (*per oder *peri); osk.-umbr. per- und pert (*per-ti); gall. eri-, air. ir-, er- (analogisch *ero-); cymr. corn. bret. er; got. faír-, ags. fyr-, ahd. fir- ‘ver-’, ahd. as. firi- ds.; apr. per, lit. per̃, per-; slav. per- in aksl. prě- usw.; aus ‘vorwärts’ entwickelte sich schon idg. die Bedeutung ‘sehr’ (ai. pari-prī́- ‘sehr lieb’, gr. περι-καλλής ‘sehr schön’, lat. per-magnus ‘sehr groß’; lit. per̃-didis ‘zu groß’, aksl. prě-blagъ ‘sehr gut’), dann die der Überlegenheit (ai. pári - as-, pári - bhū- ‘übertreffen’, gr. περι-εῖναι ds.), des Übermaßes oder hohen Grades (ai. pári-vid-, gr. περί-οιδα, lat. per-vidēre ‘genau wissen’); besonders ai. und gr. ist die Bedeutung ‘ringsum, umherum’ (ai. pári i- ‘umhergehen’, gr. περι-ίεναι; gr. περι-ζώννυμι = lit. pér-jousti ‘umgürten’);
Ableitungen sind:
Got. faírra Adv. ‘fern’, als Präp. ‘fern von’, aisl. fjar(ri) Adv. ‘fern’ (davon Kompar. firr, Superl. first), ags. feor(r), engl. far, as. ferr, ahd. ferro Adv. ‘fern, sehr’, Kompar. ferrōr (*fer-ro- aus *fer-ero-); aksl. prědъ ‘vor; voran; das Vordere’ (wie na-dъ), prězъ ‘über - hin’; -ko-Adj.: prěkъ ‘quer’, čech. příč(ka) ‘Querholz’ = umbr. percam ‘virgam’, osk. perk[ais] ‘perticis’;
in zeitlicher Verwendung: ai. par-út, gr. πέρυσι usw. (s. unter u̯et- ‘Jahr’) und die Ableitungen lit. pérnai ‘im vorigen Jahre’, lett. pērns Adj. ‘vorjährig, firn’, mhd. verne ‘vorjährig’, vern ‘im vorigen Jahre’, got. nur in af faírnin jēra ‘vom Vorjahre’, as. fernun gēre, fernun iāra ‘im Vorjahre’, davon mit i̯o-Formans got. faírneis ‘παλαιός’, aisl. fyrnd f. ‘Alter’, ahd. firni ‘alt; weise’, nhd. Firn ‘alter Schnee’; ebenso zum tiefstufigen got. faúr das aisl. forn ‘alt’, neben dem i-St. as. an furndagun, ags. fyrn, firn ‘alt’; vgl. ai. purāṇá- ‘vormalig’ zu purā́, ap. paranam ‘vormals’ zu parā; lat. perendiē ‘übermorgen’ aus *peren-die?
auf per- in anderer Verwendung weist *per-u̯-r̥/n- in hom. πεῖραρ (Pind. πεῖρας), πείρατος, att. πέρας, -ατος ‘Ausgang, Ende’, hom. ἀπείρων ‘unendlich’ = (att.) ἀπέρονα· πέρας μη ἔχοντα Hes., hom. πειραίνω, att. περαίνω ‘vollende’; - daneben im Ai. eine gleichlautende Sippe der Bedeutung ‘Knoten’: ai. párva- Nom. Akk. Pl. n. ‘Knoten, Gelenke’ (statt *parvr̥), páru- m. ‘Knoten, Gelenk, Glied (Ozean, Himmel)’, paruṣ- n. ‘Knoten, Gelenk, Glied’; gr. πεῖραρ ‘Knoten’ ist unsicher (G. Björck Mél. Boisacq 1, 143 ff.).
b. Adj. pero-s ‘ferner’: ai. pára-ḥ ‘ferner, jenseitig, Feind; früher; später’, Superl. paramá-ḥ ‘fernster, letzter, bester’, av. ap. para- ‘ulterior, der andere, spätere, künftige’, para-tara- ‘Feind’; ai. paráḥ (Nom. Sg. m. mit adv. Endbetonung) Präp. m. Akk. ‘über - hinaus’, mit Abl. ‘fern von’, mit Instr. ‘jenseits von’, selten adverbal = av. parō Präp. m. Akk. ‘außer - abgesehen von’; ai. párā, av. para (Instr. Sg.) adverbal ‘fort, weg, zur Seite’; ai. parḗ (Lok. Sg.) ‘darauf, fernerhin’; ai. param (Nom. Akk. Sg. n. = osk. perum) ‘hinaus über, jenseits, nach’, Präp. mit Abl.;
arm. heri ‘entfernt, fern’;
gr. πέρᾱ(ν), ion. πέρην (Akk. Sg. f.) ‘darüber hinaus, jenseits’, Adv., Präp. m. Abl. (Gen.); lat. per-perām ‘verkehrt’, per-perus ‘falsch’, woraus gr. πέρπερος ‘Geck’; gr. πέρᾱ ‘darüber hinaus, jenseits’ (Instr. Sg. f. vom St. *pero- = ai. párā ‘weg, fort’) ; davon περαῖος ‘jenseitig’ (περαίτερος), πέραθεν ‘von jenseits her’, τῃ̃ περάτῃ (γῃ̃) ‘gegen Westen’;
aus einer schwundstufigen Nebenform von πέρᾱ durch -ko- erweitert ist delph. πρᾱκος ‘mit e. Geldstrafe belegt’, ion. πρήσσω att. πρά̄ττω ‘durchfahre, vollstrecke, vollführe, verrichte, tue’;
osk. perum (= ai. param) ‘sine’;
air. ī̆re ‘weiter, länger’ (*peri̯o-, das ī nach sīr ‘lang’);
hitt. parā (= gr. πέρᾱ) ‘vorwärts, weiter, ferner’, Postpos. ‘aus - heraus’; perii̯a(n) ‘darüber hinaus’, Postpos. ‘über - hinaus’, parranda ds. (*= gr. πέραν + δε).
c. prai, perai (Richtungsdativ des St. per), auch prei, pri, peri.
Ai. parḗ ‘daraufhin’ (Lok. Sg.);
gr. παραί ‘παρά’, außerhalb des hom. (ion. att.) nur in Kompositis, wie kyren. Παραι-βάτᾱ; πρίν (hom. auch πρί̄ν) ‘vorher; vor’; wohl umgebildet aus *πρῐς (*pri-is, zu lat. prior, prīscus) vgl. kret. πρειν aus *πρεις;
alb. pa ‘bevor’, wenn aus *pari̯- (im Vokal nach parë ‘erster’ umgebildet?);
lat. prae Präf. ‘voran, voraus, überaus’, Präp. ‘vor, wegen’, osk. prai, prae-, umbr. pre ‘ргае’, Präf. und Präp., pre-pa ‘priusquam’, Kompar. lat. praeter ‘vorbei an = außer, ausgenommen’ (*prai-tero-), umbr. pretra ‘priōrēs’;
alat. prī (*prei) ‘prae’ (prehendō ‘ergreife’ aus *praehendō), Kompar. *pri-i̯ōs, *pri-is (woraus prīs-) in prior ‘der frühere’, prīmus (aus *prīs-mos), päl. prismu ‘prīma’, vermutlich auch prīdem ‘vor längerer Zeit, längst’; prīs-cus ‘altertümlich’ (*preis-ko-, vgl. arm. erēc̣, Gen. eric̣u ‘Ältester, Priester’, *preis-ku); prīstinus ‘vorig, vormalig, alt’, pälign. pri-trom-e ‘prōtinus’, pristafalacirix ‘*praestibulātrīx’; hierher wohl auch lat. prīvus (*prei-u̯os) ‘für sich bestehend, einzeln; eigentümlich; einer Sache beraubt’, prīvō, -āre ‘einer Sache berauben’, prīvātus ‘beraubt; jemandem als Sondereigentum gehörig’, umbr. prever ‘singulis’, preve ‘singulāriter’, osk. preiuatud Abl. ‘prīvātō, reō’;
peri- = kelt. [p]ari- in gall. are- (Are-morica, Are-brigium, abrit. Are-clūtā usw.) ‘bei, vor, bes. östlich von’ (vgl. ir. an-air ‘von Osten’);
ahd. as. furi ‘vor, für, vorbei’, aisl. fyr (und mit Komparativendung fyrir) ‘vor, für’; Kompar. ahd. furiro ‘der frühere, vordere’, Superl. furist, mhd. vürst ‘erster, vornehmster’, as. furist, ags. fyr(e)st, engl. first, aisl. fyrr adv. ‘früher, vorher’, fyrri ‘der frühere’, fyrstr ‘der erste’, ags. fyrsta, as. ahd. furisto ‘Fürst’; got. fri-sahts ‘Bild, Beispiel, Rätsel’ enthält schwundstufiges *pri-, wie auch ahd. fri-liez neben fir-, far-, fra-liez.
prei- in lit. priẽ, žem. prỹ ‘bei, an’, Nominalpräf. príe-, priẽ-, prie-, prý- (auch prei-kãlas m. ‘Amboß’), Präverb pri-; Präpos. priẽš ‘gegen’, príeš ‘vor’; lett. prìe(k)ša ‘das Vordere’ (*preiti̯ā); lett. pìere ‘Stirn, Vorderseite’ (*prìere?); apr. prei ‘zu, bei’, als Präf. ‘auch, vor, an’, prēisiks m. ‘Feind’; aksl. pri Präp. und Präf. ‘bei, an, zu’;
aus einem dem lat. prī[s]mus ähnlichem *prĭsemi-, -ei: air. rem- Präf. (lenierend) ‘vor, voran’ (rïam ‘vor ihm’, remi ‘vor ihr’), remi- als Präverb, Präpos. re (nas.).
d. peres, peros (und als 1. Kompositionsglied pres- ‘vor’, Gen.-Abl. des St. per-):
Ai. puráḥ Adv. und Präf. ‘voran, vorn’, Präp. ‘vor’, av. parō Adv. ‘vorn, vor’, Präp. ‘vor’, gr. πάρος Adv. ‘früher; voran, vorn’, Präp. ‘vor’; pres- in gr. πρέσ-βυς, -γυς ‘alt’ (‘*im Alter vorangehend’, vgl. ai. purō-gavá- ‘Führer’ (*Leitstier), s. unter gou- ‘Rind’; zu kret. πρεῖσγος s. oben); ahd. frist m. n., as. frist n., ags. first m. ‘Frist’ aus *pres-sti-, aisl. frest n. ds. aus *pres-sto-, vgl. ai. puraḥ-sthita- ‘bevorstehend’; aus *peros-stăti-s ‘im Alter voran seiend’ wohl air. arsaid, arsid ‘vetus’ (ai. purástāt ‘vor, voran, vorn, vorher’ ist freilich puraḥ + Abl. -tāt).
e. pr̥- ‘hervor’, etwa Nom. Sg. n. des St. per-: gr. πάρ in Eigennamen wie Παρ-μενίσκος, in el. παρ-βαίνω u. dgl., πὰρ τὸν νόμον u. dgl.; lat. por-tendō (: got. faúraþanjan), -rigō, pol-liceor u. a., umbr. pur-douitu ‘porricito’, falisk. por-ded ‘brachte dar, widmete’; got. faúr, as. for, fur Präp. ‘vor, für’, ags. for ds., aisl. for- ‘vor’, mit steigender Bed. aisl. for-ljōtr ‘sehr häßlich’, ags. for-manig ‘gar viele, allzu viele’;
germ. Ableitungen: aisl. forr ‘hastig, voreilig’ (*furha-, vgl. von *pro: gr. πρόκα unten S. 815); as. afries. forth, ford, ags. forð ‘fort, vorwärts’; mhd. vort ‘vorwärts, weiter, fort’, norw. fort ‘schnell, bald’, aisl. forða, ags. ge-forþian ‘fortbringen’; Kompar. *furþera- in as. furþor, furdor Adv., ags. furðor Adv. ‘weiter’, furðra Adj. ‘größer, höher’, ahd. furdir, -ar Adv. Adj. ‘vorder, vorzüglicher, früher, vormalig’.
Komposita mit Formen von stā- ‘stehen’ in ai. pr̥ṣṭi- f. ‘Rippe’, pr̥-ṣṭhá-m ‘hervorstehender Rücken, Gipfel’, av. par-šta- m. ‘Rücken’, par-šti- f. (Du.) ‘Rücken’, mnd. vorst- f. ‘Dachfirst’ aus *for-stō, ags. fyrst ds. aus *fur-sti-; daneben mit hochstuf. Präfix ahd. first m., ags. fierst f. ‘First’ aus *fir-sti-; wahrscheinlich ebenso lat. postis ‘Pfosten, Türpfosten’ (*por-sti-s ‘hervorstehendes’); gr. παστάς (neben παραστάς) ‘Pfosten, Pfeiler, Türpfeiler’, παρτάδες· ἄμπελοι Hes. (*παρ-στάς), lit. pir̃štas, aksl. prъstъ ‘Finger’ (‘hervorstehend’);
f. peră Instr. Sg. des St. *per; ai. purā́ Adv. ‘vormals, früher; ehe, bevor’, Präp. ‘(zum Schutze) vor, ohne. außer’, av. para, ap. parā Adv. ‘zuvor’, Präp. ‘vor’, davon ai. purāṇá- ‘vormalig, früher, alt’, ap. paranam Adv. ‘vormals’; gr. παρά, πάρα Verbalpräf. ‘vor - hin, dar-’, Präp. ‘an etwas hin, entlang, neben; während’; ‘bei, aus der Nähe weg, von seiten’; got. faúra, ahd. as. fora Adv. ‘vorn, vorher’, Verbalpräf. ‘vorher, voraus, vor’, Präp. ‘vor’, ags. fore Präp. ‘vor’.
g. pro, prō ‘vorwärts, vorn, voran’, Bildung wie *apo, *upo; prō mit Auslautsdehnung.
Ai. prá- Präf. ‘vor, vorwärts, fort’ (vor Subst. und Verben), ‘sehr’ (vor Adj.), av. frā, fra-, ар. fra- Präf. ‘vorwärts, voran; fort, weg’; gr. πρό Präverb ‘vor’, Präp. ‘vor’, πρω-πέρυσι (rhythm. Dehnung) ‘im vorvorigen Jahr’; lat. prŏ-, prō- in Kompositis, prō Präp. ‘vor, für’; prōnus ‘vorwärts geneigt’ (von *prōne, vgl. pōne ‘hinten’ aus *post-ne); über prōdest s. WH. II 365; osk.-umbr. Präverb. pro-, pru-;
air- ro-, cymr. ry-, abret. ro-, ru-, mbret. nbret. ra-, Präverb und Intensivpräfix, z. B. air. ro-már ‘zu groß’, gall. GN f. Ro-smerta;
got. fra-, ahd. fir-, nhd. ver- Präverb (letztere z. T. auch = got. faír-, s. oben A.);
apr. pra, pro ‘durch’, als Präverb ‘ver-’, lit. pra, prõ ‘vorbei’, als Präverb ‘vorbei-, durch-, ver-’, vgl. prã-garas ‘Vielfraß’ = lett. pra-garis ds.; lett. pruô-jãm ‘weg, fort’; aksl. Präverb pro- ‘durch-, ver-’, Präpos. russ. čech. pro ‘wegen’, ablaut. russ. prá-děd, serb. prȁ-djed ‘Urgroßvater’;
gedoppelt: ai. prápra, gr. πρόπρο ‘immer vorwärts’.
pru- (Reim auf *pu, s. *apo?) liegt zugrunde in gr. δια-πρυ-σιός ‘durchgehend’, πρυμνός ‘das äußerste Ende von etwa bildend’ (πρύμνη ‘Hinterschiff’ usw.).
prō- ‘früh, morgens’ in ai. prā-tár ‘früh, morgens’, gr. πρωΐ (att. πρῴ) ‘früh, morgens’, πρώιος ‘morgendlich’, dor. πρώᾱν, πρά̄ν (*πρωᾱν), att. πρῴην (*πρωϝιᾱν scil. ἡμέραν) ‘kürzlich, vorgestern’, ahd. fruo ‘in der Frühe’, fruoi, mhd. vrüeje (= πρωίος) Adj. ‘früh’ (idg. *prō); lit. prõ ‘vorbei’, slav. pra- s. oben.
Ableitungen von pro-:
pro-tero- in ai. pratarám, -ā́m Adv. ‘weiter, künftig’, av. fratara- ‘der vordere, frühere’, gr. πρότερος ‘der vordere, vorige’; osk. pruter pan ‘priusquam’ ist einzelsprachlich zu *prō- gebildet, ebenso ai. prātár ‘früh, morgens’ s. oben;
dazu mit Superlativsuffix -temo-: ai. pratamām ‘vorzugsweise’, av. fratǝma-, ар. fratama- ‘der vorderste, vornehmste, erste’ (daneben ai. prathamá- ‘erster’ und einzelne iran. Formen mit th); gr. *πρό-ατος (aus πρότατος?) vielleicht in dor. πρᾶτος ‘erster’; aber gr. πρῶτος ds. aus *pr̥̄-to- (umgebildet aus *pr̥̄-mo- ds.); dazu πρητήν m. ‘einjähriges Lamm’ (s. oben S. 314);
pro-mo-: gr. πρόμος ‘Vorderster, Vorkämpfer, Führer’, umbr. promom Adv. ‘prīmum’, got. fram Adv. ‘weiter’, Präp. ‘von - her’, aisl. fram Adv. ‘vorwärts’, frā (*fram) Präp. ‘weg von’, ahd. fram Adv. ‘vorwärts, fort, weiter, sogleich’, Präp. ‘fort von, von - her’, ags. from Adv. ‘fort’, Präp. ‘weg von’; aisl. framr ‘voranstehend, vorwärtsstrebend, ausgezeichnet’, ags. fram ‘tüchtig keck’;
pre-mo- in gr. πράμος ‘Führer’ (eher korrupt für πρόμος ds.?), got. fruma ‘erster’ (Sup. frumists), mhd. frum, vrom ‘tüchtig, brav’ (nhd. fromm; ahd. as. fruma f. ‘Nutzen’, nhd. Frommen); ähnlich lat. probus ‘gut, tüchtig, brav’, umbr. profe ‘probe’ aus *pro-bhu̯o-s : ai. pra-bhú- ‘hervorragend an Macht und Fülle’, sowie in abg. pro-stъ ‘rechtschaffen, einfach, schlicht’, und (aus *pr̥̄-mo-) as. formo, ags. forma ‘erster’ (Superl. fyrmest), lit. рìrmas apr. pirmas ‘erster’, wahrscheinlich lat. prandium ‘Frühmahlzeit’ aus *prām-edi̯om (*pr̥̄m-).
prō̆-ko- ‘voran seiend’: gr. πρόκα (Nom. Akk. Pl. n.) Adv. ‘sofort’, lat. reci-procus eig. ‘rückwärts und vorwärts gerichtet’, alat. procum Gen. Pl., ‘procerum’, nach pauperēs umgebildet zu procerēs, -um ‘die Vornehmsten; die aus der Wand herausragenden Balkenköpfe’; procul ‘fern’ (vgl. simul);
lat. prope ‘nahe bei’, Superl. proximus, eigentl. *pro-ke ‘und vorwärts (an etwas heran)’, mit Assimil. pk zu pp; dazu propter ‘daneben’ (*propiter) und propinquus ‘benachbart, verwandt’ (vgl. ai. praty-áñč- ‘zugewandt’); vgl. oben S. 813 germ. *furha;
aksl. prokъ ‘übrig’, proče Adv. ‘λοιπόν, igitur’ (*proki̯om);
auf ein *prō-ko- geht zurück bret. a-raok ‘vorwärts, voran, früher’, cymr. (y)rhawg ‘auf lange’, mit Proklisenkürzung: bret. rak, corn. rag, cymr. rhag ‘vor’.
prō̆-u̯o-: in ai. pravaṇā- ‘(vorwärts) geneigt, abschüssig’, n. ‘Abhang, Halde’; über lat. prōnus s. oben; gr. πρᾱνής, hom. πρηνής ‘vorwärts geneigt’ nach Leumann Homer. Wörter 77 f. aus *προ-ᾱνης ‘Gesicht voraus’; mit anderer Bedeutung ahd. frō, as. frao, ags. frēa ‘Herr’ (*frawan-), got. frauja ‘Herr’ (aisl. Freyr GN zum o-St. geworden), as. frōio ds., aisl. freyja ‘Herrin; Name der Göttin’, ahd. frouwa ‘Frau’; daneben as. frūa, mnd. frūwe ‘Frau’ aus *frōwōn, idg *prō-u̯o-, das auch in att. πρῳ̃ρα (lat. Lw. prōra) ‘Schiffsvorderteil’ (πρωϝαιρα-, -αρι̯α idg. *prōu̯-r̥i̯ā); vielleicht lat. prōvincia, wenn auf einem *prōu̯iōn ‘Herr, Herrschaft’ beruhend; abg. pravъ ‘recht, richtig’ (‘*gradaus’);
mit demselben Formans, aber wie lit. pìr-mas ‘erster’ von *perǝ- ‘gebildet’, idg. реrǝ-u̯o- in: ai. pū́rva-, av. paurva-, pourva-, ар. paruva- ‘der vordere, frühere’ (ai. pūrvyá-, av. paouruya- paoirya-, ap. paruviya ‘prior’, dann ‘primus’), alb. parë ‘erster’, para ‘vor’; aksl. prъvъ prьvъ ‘der erste’; wohl auch die Grundlage von ags. forwost, forwest ‘der erste’.
h. preti, proti ‘gegenüber, entgegen, gegen’, z. T. im Sinne des Entgelts; preti̯-os ‘gleichwertig an’.
Ai. práti (im Iran. durch paiti verdrängt) Präf. ‘gegen, zurück usw.’ Präp. ‘gegen’ usw.; gr. hom. προτί (kret. πορτί umgestellt), ion. att. lesb. πρός (vgl. πρόσ(σ)ω ‘vorwärts’ aus *proti̯ō, πρόσθε(ν) ‘von vorn’), pamphyl. περτί (umgestellt aus *πρετί), äol. πρές, Adv. ‘noch dazu, überdies’, Präf., Präp. ‘gegen - hin, zu, gegen’, ‘an’, ‘nach einem Bereich hin; bei (in Schwüren)’, ‘von - her, von’; lat. pretium ‘Wert, Preis einer Sache’ (Neutr. eines Adj. *preti̯os), vgl. ai. prati-as- ‘gleichkommen’, apratā (St. *pratay-) ‘ohne Entgelt, umsonst’, av. pǝrǝskā (*pr̥t-skā) ‘Preis oder Wert’, aksl. protivъ, protivǫ ‘entgegen’, kaschub. procim; wruss. preci, poln. przeciw ‘gegen’ (auch im Sinn des Tauschverhältnisses); lett. pret usw.
i. porsō(d): arm. aṙ ‘bei, an, neben’, Verbalpräf. und Präp.; dazu aṙaǰ ‘Vorderseite, Anfang’, aṙaǰin ‘erster’; gr. πόρρω, πόρσω (Pind.) ‘vorwärts’ = lat. porrō ‘vorwärts, fürder’; durch ihren o-Vokalismus auffällige Bildung.

WP. II 29 ff., EM.2 754 f., 801, 808 ff., 811 f., WH. II 283 ff., 351, 364 ff., Trautmann 214 f., 220, 229 f., 230 ff., Schwyzer Gr. Gr. 2, 491 ff., 499 ff., 505 ff., 508 ff., 541 f., 543 ff., 654 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal