Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

voogd - (wettelijk belangenbehartiger)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

voogd zn. ‘wettelijk belangenbehartiger’
Mnl. Soikins et Godefridi Vohts [1208; Debrabandere 2003], voghet, voocht ‘wettelijk vertegenwoordiger van niet-rechtsbevoegde personen of instellingen’ in Scepnen sullen den wesen geuen uoghet ‘de schepenen zullen een voogd over de wees aanstellen’ [1237; VMNW], voeght van marien minen wiue ‘voogd van mijn echtgenote Marie’ [1274; VMNW], voghede van der wedewen hus ‘voogden van het weduwenhuis’ [1278; VMNW].
Door e-syncope uit mnl. voghet, zoals → hoofd uit mnl. hovet. Het woord is ontleend aan middeleeuws Latijn vocatus ‘wettelijk vertegenwoordiger’ [9e eeuw; Niermeyer], verkorting van advocatus ‘id.’, dat reeds als klassiek Latijn advocātus ‘raadsman’ voorkomt, zie → advocaat 1. De -c- en de -t- in vocatus, waren oorspr. stemloze occlusieven, maar werden in het westelijke Romaanse taalgebied al vroeg als -g- en -d- uitgesproken en daardoor ook stemhebbend ontleend in het Middelnederlands.
Evenzo ontleend, in dezelfde betekenis, zijn: os. vogat (mnd. voget, vaget); ohd. fogat (nhd. Vogt); ofri. fogid (nfri. foud, fâd). De Noord-Germaanse vormen on. fógeti, fóguti (nzw. fogde enz.) zijn via het mnd. ontleend.
De oorspr. betekenis is ‘wettelijk belangenbehartiger en/of plaatsvervanger van niet-rechtsbevoegde personen c.q. instellingen’. In het Nederlands is de betekenis vernauwd en heeft het woord alleen nog betrekking op de belangenbehartiging van minderjarigen.
voogdij zn. ‘wettelijke belangenbehartiging’. Mnl. voghedie ‘bewindvoering’ in die ... geboren sin binnen der vogedien ‘die geboren zijn binnen het bestuurlijk gebied (van ...)’ [1253; VMNW], waert in voghedien ‘als het (kind) onder voogdij zou staan’ [1278; VMNW], voichdie [1290; MNW]; vnnl. voochdij ‘gezagsfunctie’ [ca. 1560; iWNT], vooghdije der weesen oft andere [1573; Thes.]. Afleiding van voogd met het ontleende achtervoegsel -ij, d.w.z.-erij.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

voogd [belangenbehartiger van minderjarige] {voget, voocht [voogd, beschermer, bewindvoerder, bevelhebber, heerser] 1237} < middeleeuws latijn vocatus [gevolmachtigde, afgevaardigde, beheerder], eig. verl. deelw. van vocare [roepen, oproepen] (vgl. vocatie).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

voogd znw. m., mnl. vōghet, voocht ‘beschermer, heer’, os. vogat, mnd. vōget (> on. foguti, fugutr), ohd. fogat (nhd. vogt), ofri. fogid, foged, fogith, fogeth ‘voogd, beschermer, verdediger’ < lat. vocātus (= advocātus) oorspr. ‘hij die in rechte iemand, die niet voor het gerecht kan optreden, vertegenwoordigt’, vooral voor een klooster of bisdom (daar deze niet voor een wereldlijke rechtbank konden optreden); daaruit komen dan verder betekenissen als ‘beschermer, ambtenaar, voogd, legeraanvoerder’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

voogd znw., mnl. vōghet, voocht (d) m. “beschermer, heer”, ook de naam van verschillende ambtenaren. = ohd. fógā̆t (nhd. vogt; ohd. ook fogā́t), os. vogat, mnd. vōget, ofri. fogid, -ed, -ith, -eth m. “voogd, beschermer, verdediger”, verder de naam van verschillende beambten. Uit een rom. vorm van lat. vocâtus (in bet. = advocâtus); voor de d vgl. abt, voor de v vesper.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

voogd m., Mnl. voghet, gelijk Ohd. fogat (Mhd. voget, Nhd. vogt), uit Mlat. vocatum (-us), synon. van advocatus, zelfst. gebr. v.d. van advocare = (ter verdediging) bijroepen (ad: z. toogen — vocare: z. gewag).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

voog s.nw.
Iemand wat aangestel is om die belange van 'n ander, veral 'n minderjarige, te behartig.
Uit Ndl. voogd (Mnl. voget).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

voog: behartiger v. minderjariges se belange; Ndl. voogd (Mnl. vōghet/voocht, “beskermer”), Hd. vogt, via ’n Rom. vorm ontln. aan Lat. vocātus in bet. “advocātus”, hou dus verb. m. advokaat.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

voogd (Latijn vocatus)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Voogd, van ’t M.-Lat. vocatus: de geroepene, n.1. tot bijstand en bescherming; hetzelfde woord is ad-vocatus = de bij-geroepene.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

voogd ‘belangenbehartiger van minderjarige’ -> Engels vogt ‘rentmeester’ (uit Nederlands of Duits); Deens foged ‘deurwaarder; persoon met bevoegdheid op bepaald gebied’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fogd ‘deurwaarder’ (uit Nederlands of Nederduits); Soendanees puh ‘belangenbehartiger van minderjarige’; Papiaments voogd ‘belangenbehartiger van minderjarige’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

voogd belangenbehartiger van minderjarige 1237 [CG I1, 39] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal