Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

volledig - (compleet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

volledig bn. ‘compleet’
Nnl. volledig ‘compleet, alle delen bevattend’ in De Oudheid die 't minste verloop heeft, en de oorspronkelijke Gedaente volledigst vertoont ‘... en de oorspronkelijke vorm (van een vervoegd werkwoord) met al zijn onderdelen (vervoegingsmorfemen) het best laat zien’ [1723; iWNT oorspronkelijk], een volledig zinslot ‘een volzin waarin geen zinsdeel ontbreekt’ [1729; Halma NF], Een volledig project, in wat voegen voortaen alle Proceduren ... zullen worden ... voleindigd ‘een compleet geschrift op welke manier voortaan alle procedures zullen worden afgehandeld’ [1750; iWNT vervolgen], deze is: volledig ... wanneer dezelve uit kelk, bloemkroon, meeldraadjes en stampers bestaat (over een bloem) [1834; iWNT], als bijwoord ‘ten volle’ in Zoodra Geeraart zijne krachten volledig herwonnen had [1867; iWNT].
Gevormd met het achtervoegsel → -ig uit → vol in de betekenis ‘compleet, geheel’ en de verbogen vorm lede- van → lid 1 ‘deel van een samengesteld geheel’, naar analogie van eenledig, tweeledig enz. De oorspr. betekenis is dus ‘alle onderdelen bevattende’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

volledig* [geheel] {1729} lett. met alle leden, van vol1 + lid.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

volledig bnw., eerst na Kiliaen, bet. ‘met alle leden’. Onzeker is laat-mnl. vollēdighen ‘perfectionneren’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

volledig bnw. Nog niet bij Kil. Bij lid I: “met alle leden”. Vgl. bij volslagen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

volledig. Reeds laat-mnl. vollēdigen ‘perfectionneren’??

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

volledig bijv., met -ig zijn vol en leden (d.i. ledematen) tot één woord verbonden: vergel. lamlendig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

volledig b.nw.
Geheel, volkome, waaraan niks ontbreek nie, voltallig.
Uit Ndl. volledig (1729), 'n samestellende afleiding met -ig van vol en lede, so genoem omdat die lede of dele van iets waaraan niks ontbreek nie en wat geheel, volkome of voltallig is, ten volle teenwoordig is.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Volledig: de volle (alle) leden hebbende.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

volledig ‘geheel’ -> Fries folledich ‘geheel’; Duits dialect volledig, vulledich, volledich ‘geheel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

volledig* geheel 1729 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal