Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

volkomen - (geheel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

volkomen bn. ‘geheel’
Mnl. volcomen ‘volmaakt’ in mine dochter ... die scone was end uollencomen ‘mijn dochter, die mooi en volmaakt was’ [1220-40; VMNW], met volcomen vonnesse ‘met definitief vonnis’ [1291; VMNW], mit volkomen jnde vrien willen ‘met volledig vrije wil’ [1298; VMNW], als bijwoord in Ghi sijt ... cranc ende en hebt noch gheen volcomen verlicht verstant ‘u bent ziek en hebt nog geen geheel helder verstand’ [ca. 1450; MNW].
Verl.deelw. van het verouderde werkwoord volkomen, oorspr. ‘aankomen, bereiken’, zoals in thaz her uollecume ad fontem totius boni ‘dat hij de bron van alle goeds bereikt’ [ca. 1100; Will.], bij uitbreiding ook ‘uitvoeren; voltooien; het hoogtepunt bereiken’ [13e eeuw; VMNW]. Dit werkwoord is gevormd uit → vol in de betekenis ‘tot het einde’ en → komen en raakte in het Vroegnieuwnederlands verouderd. Onafhankelijk hiervan heeft het bijvoeglijk naamwoord een geheel eigen betekenisontwikkeling gekend naar ‘volgroeid, volmaakt, volledig, geheel, in alle opzichten goed, enz.’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

volkomen* [geheel] {volcomen [idem] 1201-1250} middelnederduits vulkomen, middelhoogduits volkomen, verl. deelw. van middelnederlands volcomen [iets volbrengen, voltooien], middelnederduits vulkomen, oudhoogduits follaqueman; van vol1 + komen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

volkomen bnw., mnl. volcōmen, mnd. vulkōmen, mhd. volkomen (nhd. vollkommen) ‘voltooid, volwassen, volkomen’ (owfri. fulkomelike bijw. ‘geheel en al’). Deelw. van het ww. mnl. volcōmen mnd. vulkōmen, ohd. follaqueman ‘tot het eind komen’, ofri. fulkama ‘voldragen worden’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

volkomen bnw., mnl. volcōmen. = mhd. volkomen (nhd. vollkommen), mnd. vulkōmen “voltooid, volwassen, volkomen” (owfri. fulkomelike bijw. “geheel”). Deelw. van ’t ww. mnl. volcōmen, ohd. follaquëman, mnd. vulkōmen “tot het eind toe komen, pervenire”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

volkomen. Het ww. mnl. volcōmen enz. = ofri. fulkuma ‘voldragen worden’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

volkomen bijv., is v.d. van Mnl. vulcomen = het doel bereiken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

volkome b.nw.
1. Heeltemal, sonder voorbehoud. 2. Volmaak, sonder gebrek.
Uit Ndl. volkomen (1506 in bet. 1, ongeveer 1510 in bet. 2), die voltooide dw. van volkomen 'vervul, volbring, uitvoer'.
D. vollkommen (12de eeu).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Volkomen, deelw. van ’t Mnl. vulcomen, eig.: tot het doel komen, het doel bereiken; er ontbreekt niets meer aan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

volkomen ‘geheel’ -> Fries folkomen ‘geheel’; Negerhollands volkom ‘geheel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

volkomen* geheel 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut