Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

volk - (stam, bewoners van een staat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

volk zn. ‘stam, bewoners van een staat’
Onl. folk ‘volk, stam; menigte’ in Begian thi folc got, begian thi folc alla ‘mogen de volkeren u erkennen, God, mogen alle volkeren u erkennen’, Getruit an imo al samnunga folkis ‘alle verzamelingen van volk (d.i. mensen), vertrouw op hem’ [10e eeuw; W.Ps.], thes ist thaz arme uolc be drogon ‘daardoor wordt het arme volk bedrogen’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. volc ook ‘legerschaar, krijgsvolk’ in uan unsen uolc is menich doet. wi hadden dertich dusent doch ‘van ons krijgsvolk zijn er velen dood, we hadden er minstens dertigduizend’ [1220-40; VMNW].
Os. folk (mnd. volk); ohd. folc (nhd. Volk); ofri. folk (nfri. folk); oe. folc (ne. folk, zie ook → folklore); on. folk (nzw. folk); alle ‘volk, stam; menigte, troep, leger e.d.’, < pgm. *fulka-. Pgm. *fulka- is door de Slavische talen ontleend als Oudkerkslavisch plŭkŭ ‘troep, (leger)schare’ (Russisch polk ‘regiment, leger’, Tsjechisch pluk ‘regiment’, enz.). Onl. folk is in het Oudfrans ontleend als folc ‘troep, schare’, met een al vroege vulgair-Latijnse attestatie fulcus ‘id.’ [8e eeuw; ONW].
Pgm. *fulka- < pie. *plh1-go- is misschien een afleiding van de wortel *pleh1- ‘vullen, vol worden’, zie → vol en → veel. Van dezelfde wortel is met vergelijkbare betekenis afgeleid: Latijn plēb(e)s ‘het gewone volk’, zie → plebs.
De betekenis ‘legerschaar’, die centraal staat in de vroege Slavische en Noord-Franse ontleningen en die ook in de meeste oudste Germaanse taalfasen voorkomt, is wrsch. de oorspronkelijke. Deze is nog herkenbaar in de samenstelling voetvolk ‘infanterie’ en heeft zich al vroeg via ‘het geheel van de mannen’ uitgebreid tot ‘volk, de mensen’. Voor twee andere Germaanse woorden voor ‘volk, mensen, menigte, troep e.d.’, namelijk onl. thiat en liudī, zie resp.diets en → lieden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

volk* [stam, bewoners van een staat] {oudnederlands folc 901-1000, middelnederlands volc, folc, volke} oudhoogduits, oudengels folc, oudsaksisch, oudfries, oudnoors fólk en fylki [landsdeel]; vermoedelijk van dezelfde i.-e. stam als vol1, waarbij ook veel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

volk znw. o., mnl. volc o., onfrank. folc o. ‘populus, plebs’, os. folk ‘schaar, stam, volk’, ohd. folc ‘volk, schaar, krijgsschaar’ (nhd. volk), ofri. folk, oe. folc (ne. folk), on. folk o.

Gewoonlijk verbonden met de idg. wt. *pelə ‘vol zijn’ (zie daarvoor: vol 1) nog IEW 799; ofschoon men daarmee ook lat. plebs verbindt, is de etymologie weinig overtuigend. Het volk aan te duiden als ‘het volle’ of ‘de volheid’ is te abstrakt voor de idg. tijd. — Misschien kan men eerder uitgaan van een begrip ‘gemeenschap’ (of van de stam of van een krijgsschaar) en dan is er de mogelijkheid deze bet. terug te voeren op ‘omheining’ (bijv. van de dingvergadering). Wij zouden dan verder kunnen aanknopen aan veld met de door Trier daarvoor gegeven verklaring.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

volk znw. o., mnl. volc o. = onfr. folc o. “populus, plebs”, ohd. folc o. (m.) “volk, schaar, lieden, krijgsschaar” (nhd. volk o.), os. ofri. folk, ags. folc o. “id.” (eng. folk), on. folk o. “schaar, stam, volk”. Wsch. van de bij vol I besproken basis: voor de bet. vgl. lat. plêbs, plêbês “volksmenigte, plebs”, gr. plẽthos, plēthús “menigte”, lat. populus (*ṗo-pel-o-) “volk”. Uit ’t Germ. obg. plǔkǔ- (oerslav. *pǔlkǔ) “schaar, legerschaar”, lit. pul̃kas “menigte”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

volk. Misschien is formantisch met het germ. woord te vergelijken alb. pl’ok, pl’ogu ‘hoop’ (*plê-go-).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

volk o., Mnl. volc, Onfra. folc, Os. folk + Ohd. folc (Mhd. volc, Nhd. volk), Ags. folc (Eng. folk), Ofri. id., On. id. (Zw. en De. id.) + Oier. lucht (d.i. *pḷkt-) = volk; van denz. wortel als vol, van waar ook Skr. puriṣ, Gr. pólis = stad, Gr. plẽthos = menigte, Lat. plebs = menigte, populus = volk. Uit het Germ. komen Osl. plŭkŭ = leger, Lit. pulkas = menigte.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

volk (zn.) volk; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) volk, Aajdnederlands folk <901-1000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

volk I: groep mense m. gemeenskaplike tradisies en saamhorigheidsbesef, nasie; Ndl. volk (Mnl. volc), Hd. volk, Eng. folk, herk. hoërop onseker.

volk II: by sommige sprekers m. gerekte vok., “nie-blanke bediendes”, vgl. Frank TB 198 en 206 No. 75 en lRo T DLT 267, by Trig blb. ook in bet. “manskappe”; in Ndl. o.a. “mense”, in Gron. “dienspersoneel” (tLa NGW), vgl. ook Eng. folk, origens v. dies. herk. as volk I.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Het uitverkoren volk, naam voor het joodse volk; (fig.) volk dat zichzelf als door God uitverkoren beschouwt.

In de bijbel wordt het volk van Israël beschreven als het door God uitverkoren volk, het volk dat Hij uitgekozen heeft om Hem te dienen en om zijn goddelijke leiding te ontvangen: 'Het gedierte des velds zal Mij eren, jakhalzen en struisen, want Ik geef water in de woestijn, rivieren in de wildernis om mijn uitverkoren volk te drenken' (Jesaja 43:20, NBG-vertaling; de NBV heeft hier 'het volk dat ik heb uitgekozen', maar op andere plaatsen wordt 'uitverkoren' nog wel gebruikt). Zie ook uitverkoren.

Liesveldtbijbel (1526), Jesaja 43:20. Want ic heb in die woestine water gegeuen stromen in die wildernisse, op dat gedrenct werde mijn volc, mijn wtuercorene.
Canisiusvertaling (1929-1939), Jesaja 43:20. Want Ik breng water in de woestijn, En in de wildernis stromen, Om mijn uitverkoren volk te drenken.
De meeste milities én hun sympatisanten drijven op een duistere 'teologische' overtuiging die in de Angelsaksische ('WASP') bevolking van de VS een 'uitverkoren volk' ziet, met de Verenigde Staten als het Beloofde Land. (De Standaard, dec. 1995)
Op gezag van de apostel Paulus en vele kerkvaders werden de joden tot zeer recent beschouwd als een verblind, 'perfide' en zéér voormalig uitverkoren volk. (NRC, mei 1994)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

volk (ik ben al mijn -- tot belaching geworden (vert. van Hebreeuws ḥāyītī śĕḥoq lĕkǫl ‘ammī)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

volk ‘stam, bewoners van een staat’ -> Zuid-Afrikaans-Engels volk ‘de Afrikaners; zwarte werknemers van een Afrikaner’ ; Negerhollands volk, folǝk, folok, folk, fulǝk, fulok, fuluk, folluk ‘bewoners van een staat, mensen, persoon’; Sranantongo folku ‘stam, bewoners van een staat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

volk* stam, bewoners van een staat 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

125. Hoe later op den avond hoe schooner volk,

een gezegde, dat de Duitschers in dezelfde beteekenis kennen als wij, blijkens Wander I, 7: Je später um den Abend, je schöner die Leute (oder Gäste), ein Compliment, mit dem der Holsteiner um die Abendzeit anlangende liebe Besuche zu empfangen pflegt; Eckart, 2: Je later up 'n Avend, je moier de Lü; je later up den Dag, je beter Lüde (Taalgids IV, 275). Bij ons dagteekent deze zegswijze uit de 17de eeuw; zie Paffenr. 62: Hoe later op den dagh hoe schoonder vollik; Kluchtspel III, 307: Hoe laater op den dag, hoe schoonder volk. Wie heeft zijn leeven! Een veenboer in een koffyhuis! Janus 48: Hoe later op dena vond, hoe zoeter gezelschap; in Zandstr. 90: Hoe later in den avond hoe beter volk; Schuermans, Bijv. 15 b; in Zuid-Nederland ook hoe later op den avend hoe viezer (= vreemder) of schoonder volk, omdat men dan meer gedronken heeft (Antw. Idiot. 169; Teirl. 88); Gron.hou loater op de oavend, hou mooyer volk (of ), een compliment voor een bezoek, laat in den avond (Taalgids IV, 275); de. jo sildigere om Aftenen, jo smukkere Folk.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut