Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

volharden - (volhouden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

volharden ww. ‘volhouden’
Mnl. uolherden ‘volhouden’ [1240; Bern.], in die ten inde volherden Selen alle behouden werden ‘degenen die tot het einde volharden, zullen allemaal behouden worden’ [1390-1410; MNW-R], volharden in volharden tot inder doot toe [1437; MNW-P].
Gevormd uit → vol ‘tot het einde’ en mnl. harden, herden in de betekenis ‘volhouden, voortzetten’ [1240; Bern.], als in Dit herdde si en stukke. mar Nit lange en heft si dis geplegen ‘dit hield ze even vol, maar ze heeft dat niet lang gedaan’ [1265-70; VMNW]. Dit werkwoord is afgeleid van mnl. hart, hert ‘hard’, zie → hard, in de overdrachtelijke betekenis ‘standvastig, sterk, volhardend’. De betekenis is vergelijkbaar met die van Latijn durāre (o.a.) ‘volhouden’ bij dūrus ‘hard’.
Bij mnl. harden; os. hardōn; ohd. hartēn; oe. heardian; alle ‘hard worden’, ohd. ook ‘volhouden’; < pgm *hardōn-.
Bij mnl. herden: os. (gi-)herdian; ohd. hartian, hertan; ofri. herda; oe. hierdan, hyrdan; on. herða (nzw. härda); got. (ga-)hardjan; < pgm. *hardijan- ‘hard maken’. In het Middelnederlands bestond een wisseling van -a- en -e- voor -r- + dentaal en vielen harden en herden samen. Uiteindelijk is (vol)harden de gewone vorm geworden naar analogie van de klinker in hard zelf.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

volharden* [doorgaan met] {volhe(e)rden, volha(e)rden 1201-1250} middelnederduits vulherden, vulharden, middelhoogduits volherten; van vol1 + harden (vgl. hard).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

volharden ww. mnl. volherden, volharden, volhaerden, mnd. vulherden, vulharden, mhd. volherten is een samenst. van vol + harden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

volharden ww. Reeds mnl. volherden, -ha(e)rden, mhd. volherten, mnd. vulherden, -harden. Samenst. van harden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

volharden ono.w., Mnl. herden = volhouden, duren + Ohd. harten (Mhd. id.): denomin. van hard: vergel. Lat. durare (Fr. durer) van durus: z. duren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

volhard ww.
Aanhou, uithou tot die einde.
Uit Ndl. volharden (al Mnl.), 'n samestelling van vol 'volledig, heeltemal' en harden 'volhou, voortsit'.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Volharden. Hier is harden: duren, uithouden („hij kan het niet langer harden”); afl. van hard: wat hard is, duurt lang; vgl. ’t Fr. durer en ’t Lat. durare, van durns = hard.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

volharden ‘doorgaan met’ -> Fries folhurde ‘standvastig zijn’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

volharden* doorgaan met 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut