Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vogel - (gewerveld dier met vleugels en snavel van de klasse Aves)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vogel zn. ‘gewerveld dier met vleugels en snavel van de klasse Aves
Onl. fogal ‘vogel’, gelatiniseerd als focla [8e eeuw; ONW], in hebban olla uogala nestas hagunnan ‘alle vogels zijn nesten begonnen’ [1091-1110; ONW]; mnl. vogel [1240; Bern.].
Os. fugal (mnd. vogel); ohd. fogal (nhd. Vogel); ofri. fugel (nfri. fûgel); oe. fugel (ne. fowl ‘hoen; jachtvogel’); on. fugl (nzw. fågel); got. fugls; < pgm. *fugla-.
Herkomst onzeker. Mogelijk door dissimilatie ontstaan uit ouder *flugla- en dan een zuiver Germaanse afleiding van de wortel *fleug- van → vliegen.
gevogelte zn. ‘gezamenlijke vogels’. Mnl. jn herefsten tijt gaet hi ten westen alse oec dat gheuogelte doet ‘in de herfst trekt hij (de haring) naar het westen, zoals ook de vogels doen’ [1287; VMNW]; nnl. de beentjens van 't gevogelte [1793; iWNT]. Afleiding van vogel met de voor- en achtervoegselcombinatie → ge-te, die collectieven vormt. In het Nieuwnederlands blijft het woord meestal beperkt tot vogels die men als gerecht bereidt. ♦ vogelen 1 ww. ‘op vogeljacht gaan’. Mnl. in Oec canic vogelen ter rivieren Ende vaen wilde pluvieren ‘ik kan ook bij de rivier op vogeljacht gaan en wilde plevieren vangen’ [1340-60; MNW-R]. Afleiding van vogel. Tegenwoordig bij vogelliefhebbers ook wel in de betekenis ‘vogels bekijken, bestuderen e.d.’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vogel* [dier met vleugels] {oudnederlands vogal ca. 1100, middelnederlands vogel} bekend uit het oudste Nederlandse zinnetje hebban olla vogala nestas hagunnan/hinase hi(c) (e)nda thu [alle vogels zijn met hun nesten begonnen, behalve ik en jij], oudsaksisch fugal, oudhoogduits fogal, oudfries fugel, oudengels fugol, oudnoors fugl, gotisch fugls; etymologie onduidelijk, maar verband met vliegen ligt voor de hand.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vogel znw. m., mnl. voghel m., os. fugal, ohd. fogal (nhd. vogel), ofri. fugel, oe. fugol (ne. fowl), on. fugl, got. fugls.

De etymologie is onzeker, 1. als dissimilatie van *flugla en dan dus een afl. van vliegen (Bezzen-berger ZdW 7, 1883, 78, IEW 837); mogelijk, maar zeer onzeker. — 2. Men verbindt ook met lit. paũkstis ‘vogel’ naast putýtis ‘jong van dier, jonge vogel’, die met veulen samenhangen. Zeer gewaagde combinatie. Maar nog verdedigd door Krause KZ 55, 1928, 312 en aangenomen door Jóhannesson Isl. Etym. Wb. 564. — Voor de Vlaams-Zeeuws-, Hollandse vormen veugel (zoals slotel: sleutel, zoon: zeun, molen: meulen) zie C. Vereecken Hand. Comm. Top. Dial. 12, 1938, 33-99 met kaart.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vogel znw., mnl. vōghel m. = ohd. fogal (nhd. vogel), os. fugal, ofri. fugel, ags. fugol (eng. fowl), on. fugl, got. fugls m. “vogel”. Oorsprong onzeker. Of door dissimilatie uit *fluӡ-la-, bij vliegen, óf (minder wsch.) met lit. paũksztis “vogel” verwant en verder ’t zij als “de stekende, spits-snavelige” bij gr. peukedanós “stekend, wondend”, ekhe-peukḗs “met een punt voorziene pijl”, ’t zij als “de gevederde” bij lit. pũkas “dons, donsveer” (dit wsch. echter uit ’t Slav.). Een oi. phuka- “vogel” is onzeker. Een idg. woord voor vogel is *(a)wi-: zie ei.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vogel. Het eerste alternatief (dissimilatie uit *fluʒ-la-) verdient de voorkeur; bij het tweede alternatief (bij lit. paũkštis) zijn in ieder geval de verdere combinaties van het germ. en lit. woord zeer onzeker; men heeft het laatste wel opgevat als een afl. met het diernamensuffix -úkštis, -ýkštis (vgl. levýkštis, levúkštis ‘jonge leeuw’ bij le͂vas ‘leeuw’) bij de onder veulen besproken basis *pū̌- (Solmsen IF. 31, 482 vlgg.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vogel m., Mnl. voghele, Os. fugal + Ohd. id. (Mhd. vogel, Nhd. id.), Ags. fugel (Eng. fowl), Ofri. fugel, On. fugl (Zw. fogel, De. fugl), Go. fugls: misschien dissimil. uit *vlogel en dan een afleid. van denz. stam als ʼt meerv. imp. van vliegen.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Canuts Vogel Oude N naam voor de Kanoet ↑, bij Houttuyn 1763.

Vogel Algemene N benaming voor de klasse der Vogels (classis Aves), en alleen in die betekenis als naam op te vatten (bijv. tegenover de Reptielen), dus met een hoofdletter te spellen. In veel andere gevallen zal het woord vogel niet die streng-taxonomische betekenis hebben en kan dan met kleine beginletter worden gespeld. Het element vogel vindt men in menig soort- en familienaam terug: zuidafrikaans Aasvoël ‘Gier’, Alievogel ↑, Baardvogels Capitonidae (E Barbets), mnl Braecvogel ↑, Brandvogel ↑, Brilvogel ↑, zuidafrikaans Bromvoël Bucorvus leadbeateri (Vigors) 1825, Dekfûgeltsje ↑, Diomedes-Vogel (zie sub Kuhls Pijlstormvogel), Eidervogel ↑, Fregatvogel ↑, Goudvogel ↑, Hapvogels Eurylaimidae (E Broadbill), Hopvogel (zie sub Hop), IJsvogel ↑, Jaarvogel (synoniem met Neushoornvogel), Kanarievogel ↑, Katvogel Dumetella carolinensis (Linnaeus), Kraanvogel ↑, Kramsvogel ↑, zuidafrikaans Kwêvoël Corythaixoides concolor (A Smith) 1833 (Grey Lourie of Go-away-Bird), zuidafrikaans Kwêkwêvoël (Camaroptera), Lakvogel ↑, Liervogel (Menura), Meivogeltje ↑, Muisvoël (“naam door de Hollanders aan de Kaap de Goede Hoop gegeven aan vogels van het geslacht Colius, omdat zij zachte veeren hebben en langs den grond door de struiken voortschuiven” (WNT) [De Tollenaere 1997 p.94]), Neushoornvogels (Bucerotidae), Onweersvogels ↑, Pestvogel ↑, Piepvöggelke, Pijlstormvogel ↑, Plaatvöggelken, Pronkvogel ↑, Purpervoghel ↑, Renvogel ↑, Reus-Vogel ↑, Rijstvogel Padda oryzivora (Linnaeus: Loxia) 1758 (reeds bij Houttuyn 1763 Rystvogel), Rupsvogel Campephaga (met verwijzing naar de rups in zowel de N als de wetenschappelijke naam), Secretarisvogel ↑, Slangenhalsvogel (Anhinga; zuidafrikaans Slanghalsvoël), Sneeuwvogel ↑, Spotvogel ↑, Steekveugel ↑, Stormvogel ↑, een ander geslacht dan het Stormvogeltje ↑, Struisvogel ↑, Trapvogel ↑, de mythologische ‘Vuurvogel’, Walghvoghel ↑, Wevervogels (Ploceidae), Witvogel ↑, Zee-Vogel ↑.
Ook in de namen voor grotere groepen binnen de klasse: Roofvogel ↑, Stootvogel ↑, Schreeuw- en Klimvogels (Van Dobben 1957), Zangvogel ↑, Eendvogel.
Verder de ss.en broedvogel ↑, trekvogel ↑, standvogel (synoniem jaarvogel [HFP]), zwerfvogel naar de tijd van voorkomen; bosvogel (Bosvogeltje Cephalanthéra is de naam van een Orchideeëngeslacht), kustvogel, Landvogelen [Houttuyn 1763 p.11], moerasvogel [Voous 1992], Strand-Vogelen [Houttuyn], watervogel, weidevogel ↑ en zeevogel ↑ naar de plaats van voorkomen (de woorden zijn geen naam voor een taxon en worden daarom met kleine letter gespeld); loopvogel, Ruid- of Ruigvogelen [Houttuyn 1763 p.11] vD (1904/1970) geeft als betekenis voor vogel ook: ‘eend’; dit is dan jagerstaal. In het beiers is Vogel zelfs nóg meer gepreciseerd: ‘het mannetje van de Eend’ [Schmeller 1872/77; Maak 2001 p.69]. Maak (l.c.) concludeert uit laat-ohd anut-fogal ‘Woerd’ dat toevoeging van -fogal aan een vrouwelijke vogelnaam (zoals ohd anut) een speciale manier was om juist de mannelijke tegenhanger aan te duiden en vervolgt dan met de nog belangwekkender stelling dat dit eerder zo gedaan werd met een ohd woord dat voor ‘draak’ stond. Beide stellingen echter zijn niet verder bewezen; het ohd woord is zelfs hypothetisch: geattesteerd is alleen ohd anutrehho, waaruit *anut-trahho geconstrueerd is (vgl. Ganzerik sub Gans).
Bij vogel in overdrachtelijke zin voor personen is de betekenis lichtelijk ongunstig: Wat is dat toch voor een (vreemde) vogel! (= een rare snoeshaan). Het verkleinwoord vogeltje daarentegen heeft iets vertederends, iets meelijwekkends (De vogeltjes voeren; een vogeltje voor de poes). Uit het grote aantal verkleinwoorden voor vogelnamen (in veel talen!) valt af te leiden dat vogels bij de mensen over het algemeen sympathiek aangeschreven stonden/staan.
ETYMOLOGIE N vogel voghel vogal, gespeld uogal.
Hebban olla uogala nestas hagunnan / hinase hic enda thu / wat unbidan we nu (of: wat unbidat ghe nu) = ‘Nu alle vogels met nestelen zijn begonnen / behalve jij en ik / waar wachten wij nu nog op? (of: waar wacht gij nog op?)’ [kopie van het origineel in Dautzenberg 1998 p.18] onl/oudnederfr, oudwestvlaams, c.1100; het handschrift wordt te Oxford (VK) bewaard.
Zeeuws/westfries veugel vuegel heeft zgn. spontane palatalisatie ofwel umlaut zonder umlautsfactor [Van Bree p.8; Van Loey p.50]. Achterhoeks vöggelken ‘vogeltje’ en limburgs vuggelke hebben, net als D Vögelchen, de umlaut van de o aan de verkleiningsuitgang te danken.
In de ss. *ortfocla ↑ komt het woord in de 8e eeuw voor [Schoonheim 2002].
D Vogel vogel fogal; gotisch fugls; fries fûgel fugel; E fowl (in de ss.en waterfowl, wild-fowl) foul fugol; zweeds fågel, noors fugl fugl; oudsaksisch fugal; geopperd wordt wel dat de grondvorm een l-dissimilatie is van *flugl, waarna aangesloten kan worden bij het ww. vliegen (zie sub Vliegende Krodde). [In *flugl komen twee lettergrepen voor met een l; door nu in de eerste lettergreep de -l- weg te laten, wordt deze gedissimileerd (= ongelijk gemaakt) met de tweede.]

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vogel (vreemde --) (vert. van Latijn rara avis)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

De vogelen des velds, de vogels, met name in de vrije natuur.

Dit is een contaminatie van twee verschillende bijbelse formuleringen. Vogels worden in zowel het Oude als het Nieuwe Testament (in de NBG-vertaling) gewoonlijk gevogelte of vogelen des hemels genoemd, terwijl er steeds sprake is van dieren of gedierte of beesten des velds, ook wel bomen of struiken, planten e.d. Een mooi voorbeeld staat in Genesis 2:20, 'En de mens gaf namen aan al het vee, aan het gevogelte des hemels en aan al het gedierte des velds, maar voor zichzelf vond hij geen hulp, die bij hem paste' (NBG-vertaling). Het lijkt erop dat de contaminatie niet wordt herkend, maar dat de bijbels-archaïsche vorm (de oude meervoudsvorm vogelen en de genitief des velds) versterkt is door de klankrijke allitteratie met v, en dat de wat onlogische verbinding daardoor acceptabel gevonden is. Zij is overigens niet algemeen gangbaar buiten verwijzingen naar de bijbel. In het volgende citaat is nog iets meer aan de hand: 'Beziet de vogelen des velds, zij arbeiden niet en zijn toch goed gevoed. Dat is mijn papegaai ten voeten uit. Mattheüs zag het goed. Een leeg voerbakje komt altijd weer vol' (NRC, 8-3-1999, p. 22). In deze column over een papegaai als huisdier wordt verwezen naar Matteüs 6:28-29, waar Jezus tot zijn discipelen zegt: 'En wat zijt gij bezorgd over kleding? Let op de leliën des velds, hoe zij groeien: zij arbeiden niet en spinnen niet; en Ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als een van deze' (NBG-vertaling). In de NBV komen de archaïsche frasen niet meer terug. In de tweede aanhaling hieronder wordt met vogelen des velds de achterban van de betreffende politieke partij bedoeld en wordt er daarbij waarschijnlijk gealludeerd aan de preken voor dieren van de heilige Franciscus.

Statenvertaling (1637), Genesis 2:20. So hadde Adam genoemt de namen van al het vee, ende van het gevogelte des hemels, ende van al $t gedierte des velts.
Men zei dat de boerennon haar wel eens in de moestuin stalde, wat alleen de vogels wisten: bedoeld als verschikker; de boerennon drukte het testamentair uit en haalde de vogelen des velds aan. (J.F. Vogelaar, De dood als meisje van acht, 1991, p. 167-168)
[De SGP] ging gisteren op campagne in een natuurgebied. Geen ongemakkelijke confrontaties met het kiezersvolk, en eindelijk weer eens een preek voor de vogelen des velds. (NRC, apr. 1994)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

vogel In 1835 voor het eerst gevonden, in Friesland, als fûgel. Een fûgel of fûgelgleske ‘vogelglaasje’ is eigenlijk een borrelglas waarvan de voet is afgebroken. Maar al snel werd de naam ook gebruikt voor de inhoud van het glas, dus voor ‘borreltje’. Landarbeiders namen dergelijke minder kwetsbare glaasjes vroeger mee naar het land. Een informant schreef over de herkomst van deze borrelnaam: ‘De boerenlandarbeiders namen na een lange dag een glaasje zonder voet en lieten dat na lediging in het veld achter. Door de laagstaande zon schitterden de glaasjes en leken het vogeltjes.’ Een andere verklaring is niet gevonden. In Vriezenveen in Overijssel stond zo’n borreltje bekend als grasmaaiertje.
De borrelnaam vogel werd ook in Groningen gebruikt en is in verschillende uitdrukkingen terechtgekomen. In Friesland zei men: de man in fûgel ‘per man een borrel’. En Groningse boeren zeiden bij het uitdelen van een borrel: jongens een vogel, de boer een gans, ofwel: de boer iets extra’s. In 1912 is ook de verkleinvorm vogeltje gevonden. Niet lang geleden is het ‘vogelglaasje’ door een Friese destillateur opnieuw op de markt gebracht, speciaal voor toeristen.

[Ter Laan 1929:103; Ter Laan 1952:1023; WFT 6:391, 394]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vogel, waarschijnlijk van vliegen; het woord zou dan staan voor vlogel (vgl. Hgd. Geflügel = gevogelte).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vogel (zn.) vogel; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) veugels, Aajdnederlands fogal <701-800>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

vo’gel (de, -s), (i.h.b.:) kip. Zie Cairo 1980c: 94. - Etym.: S fowroe = vogel; kip. Vgl. E fowl = o.m. kip, haan. Oudste vindpl. Van Schaick (1866: 174) in de samenst. vogelkweek.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

voël: – vol- (alleen in ss. volstruis) – , eierlêende, geveerde, gevleuelde, gewerwelde dier (spp. Avis); eufem. ook v. “penis”; Ndl. vogel (Mnl. vōghel), Hd. vogel, Eng. fowl, Got. fugls, hou verb. m. Ndl./Afr. ww. vlieg(en), maar dit en ook ander verw. word in twyfel getrek; v. ook Kloe HGA 92, 99.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Voël snw. Segsw.: Solank die voël vlie, kan jy skiet. Sien Malherbe 347. – Vgl. Joos 747: Zoolang de vogel op de wip staat, kan er ieder naar schieten, zoolang er een gunstige gelegenheid is, tracht ieder ze voor zich te hebben;” Tuerlinckx 236: “Zoeëlank den hoas lupt es ter um schiete, zoolang er eenige kans is, mag men den moed niet opgeven.”

Voël snw. – Uitdr.: Soos n voël op ’n tak. Sien Malh. 347. – Schuermans 825: “Het is een vogel op een tak, hij geniet volle vrijheid (VI.).” In Nederlands lui dit: Zo vrij als een vogel in de lucht.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vogel ‘gewerveld dier met veren’ -> Japans † bōgoru, hōgorō ‘(struis)vogel’; Negerhollands vogel ‘gewerveld dier met veren’; Sranantongo fowru (oudere vorm: vol, vool) ‘gewerveld dier met veren, kip, hoen’ (uit Nederlands of Engels); Saramakkaans fóu ‘gewerveld dier met veren’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vogel* gewerveld dier met veren 0701-800 [Lex Salica]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2025. Elk schot is geen eendvogel,

van eene daad blijven de natuurlijke gevolgen wel eens uit; niet alles gelukt. Vgl. Winschooten, 235: Elke schoot is geen endvoogel: dat is, het lukt altijd niet eeven wel; Halma, 138: Elke schoot is geen endvogel, spreekw. tous les coups ne portent pas; on ne rencontre pas toujours; Sewel, 214; Tuinman I, 280: Een paard met vier voeten struikelt wel; zo mist het ook een meester wel eens. Elke schoot is geen endvogel; Adagia, 3: Alle scheuten sijn geen entvogels, non semper feriet quodcumque minabitur arcus; Harreb. I, 171: Elk schot is geen eendvogel, anders kwamen er meer, men past dit toe op mislukking van allerlei aard, bepaaldelijk op het gedrag van den lichtmis, die er zich mede troost; Molema, 516: Elk schot is gijn eendvogel; zuidndl. Alle scheuten zijn geen endvogels, niet alles gelukt (Antw. Idiot. 406); oostfri. elker schöt is gên treffer (of gên ântfögel).

2464. Beter éen vogel in de hand dan tien in de lucht,

d.i. het zekere is boven het onzekere te verkiezen; eene gedachte, die op soortgelijke wijze al vroeg in onze literatuur wordt uitgedrukt. Vgl. Boeth. 190 c: Beter es een mussce in de hant dan twee up dhaghe; Goedthals, 48: Beter eenen vogel in de hant dan thien over 't lant, mieux vaut un present, que deux, et dire, attends; Prov. Comm. 135: beter eenen voghel ondert net dan X in de lucht, est avis in reti melior grege quoque volanti; mlat. una avis in laqueo plus valet octo vagis; Bebel, 55: melior est avis in manu vel nido quam decem in aere; Campen, 11: tis beter een Mussche in der handt, dan een Krane oppet dack (vgl. mlat. plus valet in manibus passer quam sub dubio grus); Coornhert, 467 b: Een mosche is beter inder hant dan thien oyevaeren inder lucht; Vondel, War. d. Dieren, CXVII; Idinau, 98:

 T' is beter een voghel in de handt,
 Dan seven die noch in de locht vlieghen:
 So is een kleyn beter, als seker pandt,
 Dan groote beloften, die dickmal bedrieghen.
 T' staet qualijck te gader, waer-segghen en lieghen.

Winschooten, 146: Het is beeter een Voogel in de hand, als tien in de lugt; Tuinman I, 131; II, 176; Taalgids IV, 250; Welters, 79; Harreb. I, 276 b; III, 214; Antw. Idiot. 1393; Waasch Idiot. 121: beter een duit in de hand als een blanke in den kant; 323: een vogel in de hand is beter als tien in den kant (heg); Ndl. Wdb. V, 1812, alwaar gewezen wordt op het onr. betri ein kráka i hendi en tvaer i skógi (13de eeuw); Wander IV, 1646; 1653-1654; Eckart, 547; fr. un moineau dans la main vaut mieux qu'une grue qui vole; hd. ein Sperling in der Hand ist besser als eine Taube auf dem Dache; eng. a bird in the hand is worth two in the bush. Vgl. V.d. Venne, Voor-Beduydsel, 5: Beter een Turf in de Keucken als duysent op het Veenlant.

2465. Ieder vogel zingt zooals hij gebekt is,

d.i. ‘elke vogel zingt op zijne natuurlijke wijze; in toepassing op menschen, ieder spreekt of uit zich overeenkomstig zijn aard of den trap zijner beschaving’; Ndl. Wdb. IV, 393. Vgl. mlat. cantat avis quevis, sicut rostrum sibi crevit (Werner, 8); mnl. elc voghel singht soo hem den bec ghewassen is; Plantijn: Elck vogel singt soo hy gebeckt is, chasque oyseau chante ainsi qu'il est bechu; Goedthals, 58: elck vogelken singht also 't ghebeckt is, chascun oyseau desire sa nature et chante ce que nature luy a apris; Spreuken, 28: Hy calt als hem die nebbe ghewassen is; Anna Bijns, Refr. 13: Elc vogel singt nu, nadat hij gebect is; 51, 9: So den vogel gebect is, voorwaer so craeyt hij; Leuv. Bijdr. IV, 209; Sart. II, 6, 34; III, 3, 52; Spieghel, 279; V.d. Venne, 230: Yder Voghelken singht als het gebeckt is; Cats I, 524; Idinau, 17:

 Elck vogheltken singht, soo t' is ghe-beckt.
 Elck mensche spreckt, naer sijn ghevoelen.
 Zydy wijs, u tonghe naer t' beste streckt:
 Want een quae tonghe werckt wonder woelen.
 In 't helsche vier en is gheen verkoelen.

De Brune, 358; Paffenrode, 221; Tuinman I, 6; Adagia, 23; 41; Halma, 151: Elke vogel zingt zoo als hij gebekt is, chaque oiseau chante à sa façon, ou selon qu'il a le bec tourné; Harrebomée I, 44 b; Waasch Idiot. 236; Joos, 194: ieder vogel zingt naardat hij gebekt is; Taalgids IV, 268; Wander IV, 1652; Eckart, 547; hd. jeder Vogel singt darnach ihm der Schnabel gewachsen ist; fr. tel bec, tel chant; fri. eltse fûgel tsjottert nei 't syn bek is.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut