Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

voet - (lichaamsdeel waarop men staat, onderste deel van iets)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

voet zn. ‘lichaamsdeel waarop men staat, onderste deel van iets’
Onl. fuot ‘voet’ in stric macodon fuoti mina ‘zij maakten een valstrik voor mijn voeten’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. voet.
Os. fōt (mnd. vōt); ohd. fuoz (nhd. Fuß); ofri. fōt (nfri. foet); oe. fōt (ne. foot); on. fótr (nzw. fot); got. fōtus; < pgm. *fōt- ‘voet’. Sporen van een oudere nominatief meervoud *fōtīz en umlaut zijn: ofri. fēt; oe. fēt (ne. feet); on. føtr (nno. føtter).
Verwant met: Latijn pēs (< *ped-s) ‘voet’ (zie ook → pedaal); Grieks poús (genitief podós) ‘id.’ (zie ook → kaliber, → likkepot, → octopus, → podium); Sanskrit pā́t ‘id.’; Avestisch pad- ‘id.’; Litouws pãdas ‘voetzool’; Proto-Slavisch podŭ ‘bodem, grond’ (Oudrussisch poda, Tsjechisch půda, Servisch/Kroatisch pód); Armeens otn ‘voet’; Hittitisch pata- ‘id.’; Tochaars B paiyye ‘id.’; < pie. *pōd-s ‘voet’ (nominatief enkelvoud), *ped- (nominatief mv. en andere naamvallen), een wortelnomen waarbij in de afzonderlijke talen op verschillende manieren generalisaties zijn opgetreden. Zo is bijv. in het Latijn de korte -e- verspreid over het hele paradigma (behalve de eenlettergrepige vorm pēs, waar de e verlengd is) en in het Germaans de -ō- uit de nominatief enkelvoud. In het Noord-Germaans zijn ook vormen met e-trap geattesteerd: on. fet ‘stap, schrede’ (nzw. fjät); on. fjötturr ‘boei’ (nzw. fjättrar (mv.) ‘boeien’), vergelijk Grieks pédē ‘voetboei, beenkluister’; Latijn pedica.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

voet* [lichaamsdeel waarop men staat] {oudnederlands fuot 901-1000, middelnederlands voet} oudsaksisch, oudfries, oudengels fōt, oudhoogduits fuoz, oudnoors fōtr, gotisch fotus; buiten het germ. latijn pes (2e nv. pedis), grieks pous (2e nv. podos), litouws pėda [voetstap], avestisch pad- [voet], oudindisch pad- [idem]. De uitdrukking voet bij stuk houden luidde in de zestiende eeuw ook voet by steck zetten {1569}, van middelnederlands stec betekende ‘afgepaalde ruimte, perk’. De uitdrukking is te vergelijken met zich schrap zetten. De uitdrukking voet geven vgl. Die klemmen wilt, die geeft men den voedt (16e eeuw). De oorspr. betekenis was dus ‘iem. steunen door hem op te tillen’. De uitdrukking veel voeten in de aarde hebben is verklaard door de vergelijking met een boom met veel wortels (voeten), die gerooid moet worden. De uitdrukking op geen voeten of vamen [op geen stukken na] bevat de namen van twee lengtematen, de voet en de vadem. De uitdrukking op staande voet [onmiddellijk], vroeger staensvoets {1573} en voetstaens {1524} herinnert mogelijk aan het oude gebruik, dat iem. die in hoger beroep wilde gaan dit onmiddellijk moest melden bij het uitspreken van het vonnis, nog voordat hij een voet verzette. De uitdrukking een wit voetje hebben [een potje kunnen breken] berust waarschijnlijk daarop, dat vroeger in sommige plaatsen paarden met vier witte benen tolvrij waren (men zag daarin magie). De uitdrukking voet van oorlog [toestand van gewapend conflict] is vermoedelijk een leenvertaling van frans pied de guerre.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

voet znw. m., mnl. voet m., onfrank. fuot, os. fōt, ohd. fuoʒ (nhd. fuss), ofri. oe. fōt (ne. foot), on. fōtr, got. fōtus. — Idg. stam *pō̆d: pē̆d: oi. pad-, av. -pad ‘voet’, gr. pṓs (att. poús, 2de nv. podós), lat. pēs, pĕdis, toch. A pe, Β pai (IEW 790-2). Daarnaast de afl. *pedi̭o: oi. pádyā- ‘tot de voet behorend’, pádyā ‘voetstap, hoef’, gr. péza v. ‘voet, rand, zoom, klein visnet’, ohd. fizza (nhd. fitze) ‘draad’ en van germ. *fetī: oe. fitt ‘deel van een gedicht’, on. fit ‘zwemhuid tussen de poten; rand’, vgl. mnd. veʒʒel, viʒʒel m. ‘deel van de paardepoot’ en nnl. dial. vetlok, vitlok, ne. fetlock ‘haar bij de hoeven van een paard’ (bet. waarsch. beïnvloed door lok), mhd. viʒ(ʒe)loch, viʒlach o. ‘deel van de paardepoot’. De afl. *pedom in oi. padá- o. ‘stap’, gr. pédon ‘grond, bodem’, lat. peda ‘voetspoor’, oppidō ‘geheel en al’ (eig. ‘op de plaats’), miers ined (< *eni-pedo) ‘spoor, plaats’, oiers ed ‘tijdruimte’. — Verder ook verba zoals ohd. fezzan ‘labare’, oe. gefetan ‘vallen’, on. feta ‘de weg vinden’ en ohd. sihuazzōn ‘scandere’, oe. fatian(wīf) ‘uxorem ducere’, on. fata ‘de weg vinden’, en oe. fetian (ne. fetch) ‘halen’.

Gewoonlijk verbindt men hiermee ook het woord veter en gaat dan uit van de bet. ‘voetboei’ (vgl. gr. péde ‘boei’ en lat. oppidum ‘de heining van het circus; stad’, eig. de met palissaden voorziene vluchtburg’); maar zie daarvoor bij dit woord. — In vele dial. (o.a. Noord-Holl., deel Zuidholl. kust, Utrecht enz.) is voet ook ‘been’ gaan betekenen, waarvoor met verdere speculaties daarover en een taalkaartje van Ginneken, Taaltuin 8, 1939-40, 187-190. — Als naam van een maat > russ. fut, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. A W Amsterdam 66, 2, 1959, 102.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

voet znw., mnl. voet m. = onfr. fuot, ohd. fuoӡ (nhd. fuss), os. ofri. ags. fôt (eng. foot), on. fôtr, got. fotus m. “voet”. Met doorvoering van de dehnstufe en in sommige talen overgang in een andere flexieklasse uit idg. *ped-, *pod- “voet”, waaruit ook lat. pês, pedis, gr. poús, dor. pṓs, podós, arm. otn, mv. otkʽ, oi. pā́t, padáḥ “voet”; ook kelt. ádes· pódes (Hes.) niettegenstaande de a. Hierbij nog on. fët o. “schrede” = umbr. peřum, gr. pédon “bodem”, arm. het “voetspoor”, oi. padá- “schrede”, ook in gall. candetum(*cantedum) “spatium centum pedum”, ier. in-ad (*eni-pedo-) “spoor, plaats”, misschien ook in lat. op-pidum “stad”. Verder o.a. ksl. podŭ “bodem”, lit. pãdas “zool”, pėdà “voetspoor” en met schwundstufe gr. epí-bdai “dag na ’t feest”, oi. upa-bdá- “getrappel”. Verba als kymr. eddwyd “ivisti”, oi. pádyate “hij gaat” zijn denominatief, ’t oi. ww. is met pádyate “hij valt” samengevallen, verwant met ags. fêtan “vallen”, obg. padą, pasti “id.”. Zie nog bij vatten, veter, treeft.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

voet. Met germ. e hierbij ndl. dial. vetlok, vitlok ‘haar bij de hoeven van het paard’, eng. fetlock (meng. fetlak, fitlok) — in vorm en bet. geïnfluenceerd door lok? — = mhd. viʒ(ʒe)loch, viʒlach o. ‘deel van een paardevoet’ (nhd. fissloch); verder mhd. vëʒʒel, viʒʒel m. ‘deel van een paardevoet’ (nhd. fessel v.), on. fit v. (mv. fitjar) ‘huid bij de klauwen, zwemvlies’, en wsch. ook met germ. a ags. sîð-fæt m. o. ‘reis, weg’. Vgl. W.de Vries Tschr. 43, 135.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

voet m., Mnl. id., Onfra. fuot, Os. fôt + Ohd. fuoʒ (Mhd. vuoʒ, Nhd. fusz), Ags. fót (Eng. foot), Ofri. fót, On. fótr (Zw. fot, De. fod), Go. fotus: Germ. wrt. fet (het Germ. naamw. vertoont den gerekten st. graad) + Skr. acc. pādam, Arm. otn (d.i. *potn), Gr. poús, genit. podós, Gr. pédon = bodem, Lat. pes, genit. pedis, Lit. pėda = voetspoor: Idg. wrt. ped, homon. met dien van vatten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

voot (zn.) voet; Aajdnederlands fuot <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

voet (de, -en), (ook:) 1. been met voet. Waarop één van de dames*: Naai ons maar! Ging zitten met gespreide voeten! (Cairo 1978b: 281). - 2. (ook mv.), vrouwelijk schaamdeel. Meisje, heb je je ’voeten’ gewassen? vroeg Ma Lien eensklaps aan Cynthia. - Die werd groot, zou onverwachts ook ’peetje’* krijgen. Een vrouw hoorde bovendien ’s morgens en ’s avonds d’r ’voeten’ te wassen (Cairo 1976: 76). - Zie i.v.m. 2 ook: middenvoet*, poentje* (voor andere syn. zie aldaar).
— : één voet schoen (kous, sok, slipper, teptep, jubel), de schoen van één voet, één schoen (kous, enz.). Ik heb maar één voet sokken van U hier gezien (mond.). Waar is mijn ene voet slipper? (BN 120: 60; 1980). - Etym.: Zie schoen*. S wan foetoe soesoe (wan = één; foetoe = voet; soesoe = schoen(en)).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

voet I: lengtemaat; liggaamsdeel; versreëldeel; verhouding; Ndl. voet (Mnl. voet), Hd. fuss, Eng. foot, Got. fotus, hou verb. m. Lat. pēs (gen. pedis), Gr. pous (gen. podos), “voet”, ook Skt. padáh, “voet”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

voet ‘versvoet’ (bet. van Latijn pes); (op -- van gelijkheid) (vert. van Frans sur un pied d’égalité); (op -- van oorlog) (vert. van Frans sur le pied de guerre); (op grote -- leven) (vert. van Frans vivre sur un grand pied); (op staande --) (vert. van Latijn stante pede)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

voet. In de historische eedformule bij Gods voeten worden God en zijn voeten tot getuigen aangeroepen dat men de waarheid spreekt. Het ijdel gebruik van die eedformule maakt haar tot vloek, die, om anderen niet te kwetsen, verbasterd en dus afgezwakt kon worden. Hieruit is vóór de 17de eeuw waarschijnlijk gans hoerenvoet ontstaan. Deze verwensing noodzaakt ons tot de nodige speculaties. Is hoerenvoet een pars pro toto en staat het voor hoer? In dat geval zou met hoer Gods moeder, Maria, bedoeld kunnen zijn, die volgens de roomse overlevering onbevlekt ontvangen is van de heilige Geest. Een tweede verklaring zou kunnen zijn dat hoerenvoet rechtstreeks terugslaat op de heilige Geest. De betekenis heeft dan opnieuw een deel-geheel-relatie: de hoerenvoeten is de heilige Geest, die voorgesteld wordt als een hoerenjager. Beide veronderstellingen brandmerken de vloek wel als extreem godslasterlijk: ‘bij de moeder van God die een hoer was’ of ‘bij de hoerenjager van God’. Als variant noteerden wij ook bi gans voeten.
In het hedendaags Nederlands komt voor de zelfverwensing ik mag hier geen voet meer verzetten. De betekenis ervan is ‘als ik de waarheid niet spreek, mag ik hier niet meer komen of vandaan komen’. Ook mijn kop voor mijn voeten ‘mijn hoofd mag voor mijn voeten vallen als niet ...’ is een vloek die oorspronkelijk als vrome wens werd gebruikt ter bevestiging van de waarheid. Door oneigenlijk gebruik werd hij tot uitroep van verontwaardiging. In Vlaanderen komt volgens Mullebrouck (1984) de verwensing mijn voeten Gerard! voor. Ik zie daarin een elliptische variant van kus of lik mijn voeten! De verwensing drukt minachting uit en kan weergegeven worden met ‘bekijk het maar, ik kots van je’. → Gerard.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

voet ‘lichaamsdeel waarop men staat; maat; voetstuk’ -> Deens voet ‘oude maat’; Russisch fut ‘lengtemaat (12 duimen); affuit van een scheepsmortier’; Negerhollands voet, voeti, fut, futu, vut ‘lichaamsdeel waarop men staat’; Skepi-Nederlands fut ‘lichaamsdeel waarop men staat’; Sranantongo futu ‘lichaamsdeel waarop men staat, been; stap’ (uit Nederlands of Engels); Aucaans foetoe ‘lichaamsdeel waarop men staat’; Saramakkaans fútu ‘lichaamsdeel waarop men staat’ (uit Nederlands of Engels); Creools-Engels (Maagdeneilanden) † voet ‘lichaamsdeel waarop men staat’ .

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

millimeter, centimeter, meter, kilometer [lengtematen] (1809). In 1809 wordt het metrieke stelsel in Nederland ingevoerd. Dit stelsel leidt tot een reeks nieuwe benamingen voor lengtematen, die oude namen als roede, voet, duim en el vervingen. Het metrieke stelsel werd weer afgeschaft in 1813 en heringevoerd in 1821. In 1869 wordt het definitief bij wet aangenomen.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

voet* lichaamsdeel waarop men staat 0901-1000 [WPs]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

voeten: met de — stemmen (← Dui.), uit protest opstappen; door te vertrekken uit een partij, vereniging of kerkgemeenschap laten blijken dat men het niet eens is met een bepaalde gang van zaken. Ook: ongeldig stemmen of zich van stemming onthouden.

De ‘kiezers’ begroeten het nieuwe kabinet met meer skepsis. Ze stemden met hun voeten en lieten de PvdA — bij de gemeenteraadsverkiezingen én de provinciale staten — tot twee keer toe in de steek. (Vrij Nederland, 07/09/91)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

728. Iemand het gras voor (of onder) de voeten wegmaaien,

d.w.z. iemand een voordeel, een kans, of wel de gelegenheid om iets te doen benemen of afsnoepen, hem met iets voor zijn; Ndl. Wdb. V, 581. Verg. het oostfri. êmand 't gras för de fôten wegmeien; nd. weame dat Gras vör den Fäuten weag mäggen (Eckart, 169). De oorspr. bet. schijnt te zijn ‘iemand den voet lichten’, en vandaar eene kans afzien, hem vóór zijn; vgl. Spaan, 46: Alzoo hy wel zag, dat dit jonge borsje hem tavond of morgen het gras onder de voeten af zou komen te snyden; Tuinman I, 330; II, 119; C. Wildsch. III, 73: Ja ik ken ook wel wat uit de Schrift, al pronk ik er zô niet mee als zekere vrouwen, die de leeraars dikwijls het woord uit den mond neemen, en het gras voor de voeten wegmaaijen; Halma, 193: Iemand het gras van onder de voeten afmaaijen, couper à quelqu'un l'herbe sous le pied, le supplanter; Sewel, 295: Iemand 't gras onder de voeten weg maaijen, to trip up one's heels, to supplant or undermine one; Waasch Idiot. 229 a; Teirl. 481. De zegswijze is dan synoniem met iemand het gras onder de zolen maaien, dat Hooft in zijne Ned. Hist. 6 in den zin van ‘iemand den voet lichten’ gebruikt; fr. couper l'herbe sous le pied à qqn; eng. to cut the grass from under one's feet. In Zuid-Nederland: iemand den bal van veur de neuze nemen, pakken of slaan (Teirl. 95; Waasch Idiot. 88).

806. Een handje van iets hebben,

of, zooals de Vlamingen zeggen een handje aan iet (weg) hebben, wil zeggen zeer bedreven zijn in iets, slag hebben van iets, gehand zijn op iets (De Bo, 351), behendig zijn, gewoon zijn; zie Hooft, Brieven, 404; Coster, 11, vs. 49; Tuinman II, 174; Halma, 204: Hij heeft daar een handje van, c'est là sa manière, il est stilé à cela; Sewel, 315: Hy heeft 'er een handje af, hy is dat gewoon te doen; enz. Het znw. hand heeft hier eene beteekenis, die nauw verwant is aan die van wijze, welke het in de middeleeuwen had en nog heeft in langzamerhand; de uitdr. wil dan eigenlijk zeggen: de wijze, de manier, waarop men iets moet doen, goed kennen. Ook bij voet nemen we dezelfde beteekenisontwikkeling waar; vgl. op grooten voet leven, eene zaak op denzelfden voet voortzetten; zie het Mnl. Wdb. III, 100; Ndl. Wdb. V, 1794; De Bo, 404 a; Schuermans, 175 b; Rutten, 86 b; Teirl. II, 12; Antw. Idiot. 529; Claes, 82; Waasch Idiot. 276 a: het handje van iets hebben, in iets zeer behendig zijn; fri. er in hantsje fen ha; fr. savoir le tour de main du métier; eng. to get one's hand in, er den slag van beet krijgen; hd. etwas im Griff haben. (Aanv.) Ook in Limburg zegt men, evenals de meeste Vlamingen, een handje aan iet (weg) hebben;

2225. Zijn beenen (of voeten) onder een anderman's tafel (moeten) steken,

d.w.z. van iemand afhankelijk zijn, door hem onderhouden worden; bij een ander in dienst gaan als knecht of meid (N. Taalgids XIV, 254). Vgl. Serv. 264*: Hie et altijt op eenen tonne, niemant en kan de voet onder de tafel ghecryghen, d.w.z. hij eet altijd alleen; niemand wordt aan zijn disch gevoed (vgl. Huygens, Tr. Corn. 1386); M. de Br. 250: Alles wat ze eten zou in de eerste dagen zou ze moeten krijgen. Ze zou haar beenen onder de tafel van een ander moeten steken; Antw. Idiot. 2077: Ievers zijn beenen onder tafel steken, er gaan eten; Waasch Idiot. 641; Molema, 8: Zien vouten onder ander mans toafel mouten steken, bij vreemden moeten dienen; Afrik. sy voete onder andermans tafel steek, niet meer in de ouderlijke woning zijn (Boshoff, 334); nd. hä musz sing Bein unger ander Luch 's Desch sätze (zie Taalgids V, 187).

2443. Den voet in den (stijg)beugel hebben (of krijgen),

d.i. ‘den eersten stap tot iets gedaan hebben en op weg zijn om tot zijn doel te komen’; Ndl. Wdb. II, 2264. Vgl. het fr. avoir le pied à l'étrier, être prêt à partir, commencer à faire son chemin dans une carrière (Hatzfeld, 983 b); Hooft, Ned. Hist. 124: Dit dan haar aldus gelukt zynde, en de voet in den beughel gekreeghen, voer zy voort, tot lichten van krysvolk, en zette zich in den zaadel; Pers, 279: De Hertoginne die den voet in den stegelreepEig. de riem, waaraan de stijgbeugel hangt, doch ook voor den stijgbeugel zelf gebruikt, zooals thans nog in het Westvlaamsch; zie De Bo, 1094. en den sadel onder 't lijf begost te krijgen, sprack nu ronder; Tuinman I, 250: Hy heeft de voet in den beugel gekregen, dit zegt men van ymand die op den trap is om tot eene hooger bevoordering op te klimmen; 't is ontleent van een stegelreep, waardoor men te paarde raakt, en zich in den zadel zet; Harreb. I, 51 a; oostfri.: he hed de gôt in den bögel; hd. einen Fusz im Amte habenGrimm IV1, 976.; eng. to have one's foot in the stirrup (or the ladder).

2441. Voet bij stuk houden (of zetten),

d.i. blijven bij het onderwerp, waarover men spreekt; niet van de bate wegdraaien, zooals de Westvlamingen zeggenDe Bo, 71 a., niet afwijken van zijn plan; zijn eigen op zijn punt houdenAntw. Idiot. 1007., niet toegeven; ‘zich op de volvoering van zijn eigenlijk opzet toeleggen’ (Weiland). De uitdrukking komt in de 16de eeuw voor bij Kiliaen, met dit verschil, dat hij niet van stuk maar van stek spreekt; vgl. Voet by steck setten, voet by voet setten, collato pede proeliari: gradum conferre cum hoste: conferre manum: ad manus venire. Evenzoo bij Plantijn: Voet by steck setten: mettre pied contre pied; Marnix, Byenc. 16 r: Daer moesten sy voet by steck setten, ende so lange kampen tot dat sy haer vleesch gantsch overwonnen hadden; Huygens V, 57; Hofwijck, vs. 1753: Houdt jy maer voet by steck; Poirters, Mask. 170: Den oprechten toetssteen dan vande waraghtighe, ende goetjonstighe vrinden is teghenspoet; die dan voet by steck houdt die moght ghy vrijlijck voor eenen vrindt teeckenen. In de 18de eeuw geeft Tuinman I, 38 eveneens nog op ‘voet by stek zetten’ met de verklaring ‘Dit acht ik genomen te zyn van die in een tweegevecht voet tegen voet zetten, en niet te rugge wyken van het voorgeschreven perk: gelyk zo de Latijnen zeggen: collato pede pugnare. 't Word overgebragt op ymand die stand houd, en niet deinst in eenige zaak’. Thans nog in Zuidndl. dial. voet bij stek houden, iets niet opgeven (Antw. Idiot. 1391; Waasch Idiot. 626 a; 719 b); Schuermans, 674 b: voet bij stek houden, standvastig volharden, volhouden (Brab. Antw.). Hiernaast komt sedert de 16de eeuw ook voor voet bij stuk (of 't stuk) zetten; vgl. Tijdschrift XXXII, 156: ‘Ten huyze van eenen Thielman soetelaer’ is een ‘root schoorlaeckense galeybrouck’ weggenomen. Genoemde Thielman verklaart ‘dat het Jan van Gent ende Henrick van Diest gedaen hadden ende dat hij deselve voor die man hielt ende voet bij stuck wilde setten (anno 1575); Winschooten, 303: Voet bij 't stuk setten: het welk eigendlijk beteekend, de voet setten bij het geschutVgl. het eng. to stand to one's gun(s); to run away from one's own guns? en dewijl dit als een teeken van onversaagdheid gereekend werd, soo daagd de eene konstaapel den ander wel eens uit: seggende, soo gij een braaf kaarel sijt, en moed en courage hebt, maak niet veel praats! maar set voet bij 't stuk, het welk ook oneigendlijk genoomen werd, voor sijn woord gestand doen; bewijsen met 'er daad, dat men gesprooken heeft; Seven Engelen der Dienstmaagden (anno 1697), bl. 99: Daarom is het best, dat ik weer voet by stuk set; Antonides II, 184: Zet eens voet by stuk; Van Effen, Spect. V, 189: Deze onverwagte verweering deed hem zyne pogingen verdubbelen om my te dwingen voet by stuk te zetten, om regt met my aan 't werk te raken; Rusting, 412; Boere-krakeel, 29: Hy zet 'er pal en voet by 't stuk; Halma, 737: Voet bij 't stuk zetten, toetreeden om iets te doen, eene zaak verdeedigen; voet bij 't stuk houden, wakker strijden; evenzoo bij Sewel, 902; Kmz. 262; Kalv. II, 35; Tuerlinckx, 701: voet bij stäk (stok), voet bij stuk houden; fri. foet by stik hâlde. Dat de oorspronkelijke beteekenis van stuk niet, zooals Winschooten meent, die van een stuk geschut geweest is, bewijst de vorm stek, die op de oudste plaatsen voorkomt, en waaraan ik met Tuinman I, 266 de beteekenis paal, grens, meet zou willen toekennen, zoodat de uitdrukking dan te vergelijken is met zich schrap zetten, in welken zin zij ook door Kiliaen wordt vermeld. Onder invloed van uitdr. als bij zijn stuk blijven, op zijn stuk staan, van zijn stuk zijn en dergelijke kan later stek veranderd zijn in stukDr. J. Prinsen spreekt in Tijdschrift, XXXII, 157 het vermoeden uit dat de uitdr. aan de Oud-Germaansche rechtspractijk is ontleend, en vraagt: Kan het zich plaatsen bij of op een betwist voorwerp niet het symbool zijn geweest, dat men zijn recht erop wilde verdedigen?. Vgl. Kiliaen: stick, sax. j. steck, stipes; Teuth.2 376: stecke, stipes, stilus; Schuerm. 674 b: stek, stok; Bijv. 320: van zijnen stek vallen, van zijn stokje vallen; De Bo, 1094 b: stek, puntige stok; Molema, 401 a: 't Met iemand in 't stek hebben, aan den stok hebben. Steun aan deze verklaring geven het oostfri.: de fôt bi de stok setten, syn. van de fôt bi 't mâl (merkzeichen) holden (Ten Doornk. Koolm. I, 547 b; Grimm IV, 980); Molema, 258 b: Vout bie de meet hollen (fri. foet by de miet hâlde, zich aan orde en regel houden); Halma, 258: Zijne keep houden, soutenir sa thèse; Sewel, 382: Ik hou keep, ik blyf by myn stuk; bij Rusting, 566: keep geven, toegeven; Weiland: hij houdt zijne keep, hij staat op zijn stuk; V.d. Water, 93; Bouman, 51; Ndl. Wdb. VII, 1956; afrik. jy moet voet by stuk hou. Zie no. 2029.

2442. Voet geven,

d.i. steunen, begunstigen, zoowel van personen als denkbeelden en gevoelens gezegd ‘gelegenheid geven om vastigheid te krijgen’ (Weiland). Het znw. voet heeft hier de beteekenis van steunpunt, waarop iets rust; evenals in voet krijgen, eig. een steunpunt krijgen, vastigheid krijgen, ingang vinden, invloed krijgen. Vgl. het fr. avoir pied (dans l'eau), sentir le fond sous ses pieds, grond krijgen; donner du pied à un mur, élargir la base; donner du pied à une échelle, l'appuyer en l'inclinant pour lui donner plus d'équilibre; prendre pied, gagner confiance; hd. festen Fusz Fassen; eng. to get a footing (vgl. westvl. voeting). Op de oudste plaatsen luidt de uitdrukking gewoonlijk de(n) voet geven; vgl. Despars I, 362: Ghemerct dat zy hemlieden oyt totter piraterie verwect ende voet ghegheven hadden; Kiliaen: Den voet gheven, oorsaecke geven, dare ansam, prebere occasionem, fenestram aperire; Servilius, 210*: fenestram aperire, den voet gheven; Sart. I, 4, 56: de voet geven; III, 7, 48: fores aperire, de voet geven; Dagb. van Jan de Pottre, 84: De prince van Orannen die huerlien den voet gaf; Idinau, 125:

 Iemandt den voedt gheven.
 Die klemmen wilt, die gheeftmen den voedt,
 So gheeft men oock voetsel tot eenigh quaedt.

Uit deze plaats blijkt, dat de oorspronkelijke beteekenis moet geweest zijn: iemands voet steunen om hem op te lichten (vgl. iemand een beentje geven, hem helpen te paard stijgen, eng. to give a leg (up), en iemand een gatje geven, hem een zetje of een duw geven, om hem op te wippen (Ndl. Wdb. IV, 344), eene meening, die bevestigd wordt door Trou m. Bl. 16:

 Siet geen veijnster! dat moeten wij inne.
 Ick salder na climmen, geeff mij den voet!
 En dan sal ick de deure open doenVgl. de synonieme uitdrukkingen staantje geven, de handen saamgevouwen houden derwijze dat een ander er den voet kunne opstellen als op eenen trap, om ergens op te klimmen of aan te geraken (De Bo, 1086); bokjestoan (Molema, 47), oostfri. bukstân; eenen bok zetten (Schuermans, 66 b; Bijv. 44 a); leertje staan, leerken staan (Tuerlinckx, 555; Antw. Idiot. 751; Ndl. Wdb. VIII, 1304); schoudertje staan of schortje staan (Bijv. 184 a); schoere of schoerk(en) staan (De Bo, 999 b)..

Bij Winschooten, 340: Iemand een voet geeven, iemand iets inwilligen, iemand aanleiding ergens toe geeven; Ned. Hist. 458: voet nemen, aanleiding nemen; 412: voet hebben, een grondslag hebben, een begin hebben; Sart. I, V, 58: In aqua haeret, hy heeft geen vaste voet; Vondel, Adonias, 553: Daar Nathan my kroont om dien weerspanneling geen' voet in 't rijck te geven; Tuinman I, nal. bl. 20: Ymand een voet geven, dat wil zeggen, grond en aanleiding, hem plaats ruimen. In de 18de eeuw komt de uitdrukking ook zonder het lidwoord voor, blijkens Langendijk, Wederz. Huwelijksbedr. vs. 1862: Dat gaf aan and'ren voet tot schelmerijen; Van Effen, Spect. III, 21: De gelukkige uitslag van deze stoute onderneming geeft hem voet, om alle die Heren, te groeten; XII, 6: Immers zou ik door my niet te wreken myn belediger voetgeven om my al meer en meer kwaet te doen; Halma, 737: Iemand te veel voets geeven, te veel inwilligen of toelaaten, donner trop de pied à quelqu'un, lui accorder trop de liberté; Sewel, 902: Voet geeven (aanleiding geeven), to give cause; iemand te veel voets geeven (te veel toegeeven), to yield too much to one; fri. immen foet jaen, gelegenheid geven om iets te doen wat hij wel wou (Fri. Wdb. I, 386). Voet krijgen treft men in de 17de eeuw o.a. aan bij Vondel, Salomon, 396: Zoo krijght de godsdienst hier een' vasten voet in 't Rijck; Pers, 472 a: En was Billy oock besich om eenigen voet in 't noorder-quartier te krijghen; zie verder Van Effen, Spect. III, 79; Op dien grond, waar ze (de Roomsche gezindheid) maar de minste voet krygt, houd ze niet op met geduurig te woelen, om meer en meer aanhang te maken; Schuermans, 824: voet krijgen, veld winnen; Tuerlinckx, 700: ieverans voet krijge, er in gelukken zich ergens beginnen in te dringen; fri. foet krije, voet krijgen; ook: op het spoor komen (in de jacht). Het is zeer wel mogelijk, dat beide uitdrukkingen den voet geven en voet geven (of krijgen) van elkander moeten worden gescheiden, en de laatste niet uit maar naast de eerste is ontstaan.

2444. Iemand den voet (dwars)zetten,

d.i. iemand tegenwerken; eig. den voet dwars voor iemands voeten zetten om hem het voortgaan te beletten; lat. alicui pedem opponere; Sedert de 17de eeuw vrij gewoon; vgl. Vondel, Virg. II, 3: Dees heeft alleen, mijn hart en zinnen bewogen, en mijn opzet aan 't slibberen, den voet gezet; bl. 42: Indien dezelve Fortuin my oock den voet niet dwers had gezet; Winschooten, 340: Iemand de voet dwars setten, teegen iemand dwars drijven! en hem soo veel hinderlijk sijn, als moogelijk is; Hooft, Ned. Hist. 150; Brieven, 75: Overmits d'animeusheidt die men te Naarden schijnt genoomen te hebben, om my den voet dwers te zetten; Antonides I, 105: Zoo dra Astrates moet lijden, datmen haer de voeten dwars durf zetten; Paffenr. 6: Eer dat hy ons dan komt de voet ter dwars te setten; Zeeus, Ged. 397: Die Justus, die voorheen Hans Pekbroek wou beletten in zyn geluk en dus den voet hem dwars ging zetten; Van Effen, Spect. IV, 116; Br. v. Abr. Bl. I, 186; Tuinman I, 293; Halma, 737: Iemand den voet dwars zetten, iemand in zyn voorneemen wederstreeven, traverser quelqu'un, traverser ses desseins; Sewel, 202; 902; V. Janus III, 213; Harreb. II, 398 a; fri. immen de foet dwers sette.

2445. Veel voeten in de aarde hebben,

d.i. veel moeite en zwarigheden opleveren; wellicht ‘eigenlijk ziende op het vellen van een boom, die met veel wortels (figuurlijk voeten; vgl. lat. pes, wortel; pes betaceus, beetwortel) vast in de aarde staat en dus niet met den eersten slag valt; maar altijd overdrachtelijk van allerlei moeilijke ondernemingen gezegd’Volgens H. Beckering Vinckers in Tijdschrift XXXIX, 159 eig. veel voetstappen in den grond, veel heen en weer geloop kosten; er zullen heel wat stappen om moeten worden gedaan (vgl. het zuidndl. ‘veel voeten op de eerde hebben’; Breug. 19 v: T is haest gheseyt, maar t' can qualick wesen; het sou met vreesen veel voeten op d' aerd' brengen; Waasch Idiot. 202: Veel voeten op de eerde hebben, veel geloop, veel drukte veroorzaken (ook Antw. Idiot. 1392); Loquela, 564: Dat heeft veel voeten-op-de-eerde gekost om de zake zooverre te krijgen.. Vgl. Hooft, Brieven II, 82: Schanssen ende sterkten, die voeten in de aerde hebben, ende swaerlijk uit deune (vasthoudende) handen te breken zijn; Coornhert, Vierschare, 424 r: Dat bewijs soude noch al te veel voeten in d'aerde hebben (soomen seydt); wanneer souden wy eynden? Hooft, Ned. Hist. 1; 481; Brieven, 158; 187; 355: Waar uit te scheppen staat, dat de zaak nog veel voeten in d'aarde zouw hebben, ende alzoo alles van geen leyen dak afloopen; V.d. Goes, Briefw. I, 110; R. Ansloo, 456: Nu zie ik, heel bezwaart, hoe al dit werk eerst heeft veel voeten in der aard; V. Moerk. 252: Ik hat het noyt gelooft dat heyliken soo veel voeten in de aert hat; Van Effen, Spect. III, 31; X, 202; W. Leevend IV, 79; Tuinman I, 247; Sewel, 902; Halma, 737; Harreb. I, 6 b; Sjof. 40: 't Had in den beginne heel wat voeten in de aarde gekost; De Telegraaf, 17 Nov. 1914 (avondbl.) p. 5 k. 5: Het over en weer passeeren der Nederlandsch-Duitsche grenzen heeft al heel wat voeten in de aarde gehad; Het Volk, 11 Januari 1915 p. 1 k. 1: Zelfs om deze internationale bijeenkomst op bescheiden schaal te doen plaats hebben, wat heeft het een voeten in de aarde gehad! In de 17de eeuw kende men in denzelfden zin veel voeten in 't sant hebben, dat voorkomt bij Pers, 732 a; 896 a; vgl. ook het fri. dat het foetten yn 'e groun of yn 't gat; nd. dat hett vêl Föt bi de Er, ist umständlich (Eckart, 135). Syn. Heel wat aarde aan den dijk hebben in Handelsblad, 29 Jan. 1918 (A) p. 1 k. 2: Het had heel wat aarde aan den dijk eer er eenigszins overeenstemming was over het al of niet doorvoeren van den voorgenomen maatregel.

2446. Iemand den voet lichten,

d.i. hem doen vallen, hem achterover doen tuimelen, hem een beentje lichten (no. 177; fr. donner la jambette à qqn; eng. to trip one up), hem overstag werpen (zie no. 1746), mnl. enen scrinckelen, oostfri. strikbêntjen; in overdrachtelijken zin: iemand op behendige wijze van zijn post verwijderen, hem er uitwippen; ook ‘hem een nadeeligen trek spelen’ (Weiland); hetzelfde als het 16de-eeuwsche (iemand een) voetken setten, supplantare: pede supposito in terram deiicere (Kil.); dat voetken setten om te doen vallen, donner le crochet du pied pour faire cheoir, supplantare alicui pedem (Plantijn), iemand een beentje zetten (17de eeuwRechtb. 4 (voorw.): Ick schijne u een beentje te willen setten, om u de hielen op te slaen, ende u ter neder te vellen; Spaan, 224.), hd. einem ein Bein stellen; to give a person a foot (verouderd). Sedert de 17de eeuw is onze uitdr. in gebruik; vgl. Hooft, Brieven, 371; 307: 's Kaizers toeleg om hem (Wallenstein) den voet te lichten; Ged. I, 289: Een tol, die met gestadigh swindelen zich zelven licht den voet, en eighe grafsteê graeft; Poirters, Mask. 73; 86; Winschooten, 340: Iemand de voet ligten: dat is, iemand sijn ampt, eer, en aansien beneemen, en op sijn scheeps: iemand buiten boord smijten; W. Leevend III, 139; C. Wildsch. II, 156; Tuinman I, 37; Halma, 737: Iemand den voet ligten, iemand uit zijn ambt zetten; Harreb. II, 398 a; Het Volk, 7 Nov. 1913, p. 1 k. 3: Niet omdat we hoopten hierdoor zoo spoedig mogelijk de kans schoon te krijgen om 't kabinet het voetje te lichten; Ndl. Wdb. VIII, 1969; afrik. iemand die voet lig; Antw. Idiot. 1392: iemand e voetje zetten, doen struikelen of vallen. Syn. Iemand van de plank wippen in De Arbeid, 31 Juli 1915, p. 4 k. 2: En enkelen die den moed hebben dit te beweren en op principieelen grond aan te toonen, trachten zij met een zekere brutaliteit van de plank te wippen. Vgl. no. 770.

2447. Iemand den voet op den nek zetten,

d.i. ‘iemand met de grootste minachting bejegenen’ (Harreb. II, 119 b); ‘hem geweldig drukken, en knellen’ (Weiland); iemand geheel en al in zijne macht hebben en hem dat op vernederende wijze doen gevoelen (Laurillard, 35); eene uitdrukking die herinnert aan de vroegere gewoonte, om den overwonnene den voet op den nek te zetten, of hem, bij het te paard stijgen of aan tafel zitten als voetbank te gebruiken. Vgl. Jozua X, 22-24: Ende hy seyde tot de overste des krijchsvolcx, die met hem getogen waren: Treedt toe, sett uwe voeten op de halsen deser Coningen: ende sy traden toe, ende setten hare voeten op hare halsen; I Kon. V, 3; Ps. CX, 1. Vgl. Hooft, Ned. Hist. 55: De wieken der hooghe maghten te fnuiken, ende der wereldlyke Ooverheit den voet op den nek te zetten; Ged. II, 240, vs. 611: O Rome, die met de necken trots des aertrijcks opgheheven uw voeten hebt gheschraecht; Ned. Hist. 154: Iemand de hiel op 't hoofd zetten; J.v.d. Sande, Wakende Leeuw, bl. 27: En liet hem duncken dat hy nu de Geusen de voet op haer keel en de victorie in zijn hant had; Tuinman I, 36; Harreb. II, 119 b; Het Volk, 2 Jan. 1914, p. 7 k. 3: Niemand late zich tot het onedel bedrijf verleiden om dien patroon in staat te stellen zijn gezellen den voet op den nek te zetten; Ndl. Wdb. IX, 1816; De Cock1, 36; afrik. iem. die voet op die nek hou; fr. tenir le pied sur la gorge à qqn (vgl. Vondel, Jos. in Dothan, vs. 256: Hy arbeit elck den voet te zetten op den strot); hd. einem den Fusz auf den Nacken (oder die Brust) setzen; eng. to put one's foot on a person's neck.

2448. Iemand de voeten spoelen,

d.i. iemand verdrinken, over boord smijten (15de eeuw); in de 17de eeuw ook: bedanken (een vrijer). Vgl. C.C.v.d. Graft, Mnl. Historieliederen (anno 1482), bl. 104: Nu isser som hoer voeten ghespoelt; Sart. II, 2, 71: Werpt hem in zee, spoelt hem de voeten, nostrates, quos submersos volunt, his pedes jubent ablui; Winschooten, 279: De voeten spoelen, oneigendlijk, iemand buiten boord in see werpen: gelijk eertijds bij de Duinkerkers, en daar naa in weerwraak bij de Seeuwen in gebruik geweest is; Brederoo, Moortje, vs. 252:

 De Specken (Spanjaarden) die haar lyf met gelt niet konden boeten,
 Die nam het Grauw gheswindt en spoeldese de voeten.

Vondel X, 580; Antonides II, 152: Toen Faro, met zijn heir aen 't drijven, als drenkeling, de voeten spoelt (verdrinkt), daer Israël geen water voelt; Com. Vet. 77 (aant.); Tuinman I, 57: Ymand de voeten spoelen, dit drukt uit, hem buiten boord, en in zee werpen; Sewel, 741: De voeten spoelen, to throw a dead body into the sea; Halma, 737: Iemand de voeten spoelen, noyer quelqu'un, le jetter à la mer; Van Eijk I, 128; Harreb. II, 399.

2449. Iemand iets voor de voeten werpen (of gooien),

d.i. iemand iets verwijten, van iets beschuldigen; eig. hem iets voorleggen (mnl. enen iet te voren leggen), waaraan men hem schuldig houdt; lat. objicere alicui aliquid. In de 17de en 18de eeuw iemand iets voor den neus smijten of iemand iets voor de scheenen werpen, smijten; zie voor deze laatste zegswijze Winschooten, 265; Pers, 505 a; Vondel, Palamedes, vs. 35; Gysb. Japicx, I, 74; Sewel, 698; enz. naast een voorwerp, eene beschuldiging (Pers, 503 b); vgl. hd. Vorwurf; einem etwas vorwerfen; eng. to cast s. th. in a p.'s teeth. Syn. iemand iets voor 't hoofd gooien.

2450. Iemand voeten maken,

d.i. hem doen wegloopen, hem wegjagen, hetzelfde als het sedert de 18de eeuw voorkomende iemand beenen makenZie Ndl. Wdb. II1, 1306; Tuinman I, 284: Ymand beenen maken, dat is, hem doen betoonen, dat hy die heeft, door gaan of vluchten.); hd. jemand Beine machen; eig. maken dat iemand voeten krijgt. Vgl. Ned. Hist. 714: De Engelsche ruiters die den Rennenberghschen de verooverde vendels ontjoeghen en voeten maakten; Pers, 253 a: De andere stelden sich tegen den schout aen, die sy voeten maeckten; Paffenr. 67: Al quam den bitebou selver, 'k sou hem wel haest voeten maken; Winschooten, 340: Iemand voeten maaken, iemand met geweld doen vertrekken; Tuinman I, 284; II, 146; Bed. Huish. 36; Halma, 737: Iemand voeten maaken, iemand de vlugt doen neemen; Sewel, 902; nd. ik will di Föt mâken (Eckart, 135); eng. to make a p. find his legs; fr. faire qqn jouer des jambes; vgl. Köster Henke, 37: kuiten maken, gaan loopen; fri. immen skonken meitsje.

2451. Met voeten treden,

d.i. met de voeten op iets treden, als bewijs van minachting en geringschatting; daarna in het algemeen: iets verachten, niet om iets geven, iets vertrappen (vgl. no. 2354); mnl. iet ondertreden of iet onder voet trecken, onder die voete werpen; onder voeten treden; metten voeten treden; onder voet terden; lat. calcare aliquid; proterere aliquem. Vgl. Kil.: Treden met voeten, calcare, conculcare: proterere pedibus; Anna Bijns, Refr. 407: Sacramenten werden met voeten getredenVgl. Bib. 92: Alle sacramenten steeckse (stoot ze) met voeten.; Hooft, Ged. I, 168: De Roomsche maght verspuwt der wetten toom en treedt de tught met voeten; II, 172; Pers, 548 b: Alle ontsach met voeten tredende; 634 b: Alle wetten en privilegien metten voet te treden; 624 a; 710 b; 472 a; 21 a: Om onder dese Christlijcke vryheydt alle wetten en billickheydt te verpletten, en de ovrigheyt, Paus en Concilium niet alleene met voeten te trappen, maer ook desselfs wetten te verbranden; 808 b: De Prince van Oragnien, die des Koninghs achtbaerheyt met voeten heeft getrapt; Com. Vet. 19; Vondel, Maria Stuart, opdracht; J. De Decker I, 165: De Stoische statigheit die myn edel goud met voeten heeft getreden. Vgl. Huydecoper, Proeve II, 215; Harreb. II, 399; De Telegraaf, 3 Febr. 1915 (avondbl.), p. 1 k. 2: België, waaraan Bismarck in 1870 verweet, dat het de neutraliteit met voeten trad; De Arbeid, 1 Mei 1915, p. 2 k. 1: Indien 't belang van de brandkast het medebrengt, worden recht en wet met voeten getreden; afrik. hy vertrap sy fortuin onder (met) sy voete; Antw. Idiot. 1392: zijn geluk onder de voeten trappen; Tuerlinckx, 700: veur de voet stooten, verwerpen, minachten; zijn geluk met voete stoote, een goede kans niet waarnemen; fr. fouler aux pieds, mettre sous ses pieds, mépriser; hd. etwas unter die Füsse treten; mit Füssen treten (Wander I, 1305-1306); eng. to tread or trample something under foot.

2452. Met één voet in het graf staan,

oud en ziekelijk zijn, den dood nabij; vgl. voor 't Mnl. Doct. I, 127: Haddic enen voet int graf, nochtan soudic willen leren. Voor later tijd zie Serv. 174*: Hy staet met den eenen voet opt graft; Sart. II, 2, 25: Hy gaet met de eene voet int graft; De Brune, 298: Hij heeft den eenen voet in 't graf en d' ander moet er oock haest af; Tuinman I, 317: Hy gaat met zyn een been in 't graf; II, 233: Oude lieden gaan met een been in 't graf; Harreb. I, 40; Ndl. Wdb. V, 541. De uitdr. is oud blijkens 't voorkomen er van bij Lucianus, Hermotimos, c 78: και τον ετερον ποδα, φασιν, εν τγ σορω εχων; lat. alterum pedem in sepulcro habere. Zie Erasmus, IX en vgl. afrik. hy het al een voet in die graf; fr. il a un pied dans la fosse; hd. er steht mit einem Fusz im Grabe; eng. he has one foot already in the grave. (Aanv.) Vgl. nog Erasmus IX: alterum pedem in cymba Charontis habere; τον ετερον ποδα εν τη σορω εχειν.

2453. Onder de(n) voet raken (of vallen),

d.i. op den grond vallen; bezwijken; ook: ziek worden. Wellicht is deze uitdrukking ontleend aan een gevecht, waarbij degeen, die valt, onder de voeten der paarden en der krijgslieden raakt; vgl. Parth. 6610: Want hi M. van den orse daer neder stac, dat hi onder die voete lach. Zoo ook enen onder voet(e) riden, - steken, - slaen; onder voet(e) vallen, te gronde gaan, te niet gaan; ook ondervallen, onder den voet vallen, bezwijken, onder voet leggen (Mnl. Wdb. V, 310; 442). Zie verder Huydecoper, Proeve II, 214-215, waar verschillende uitdrukkingen uit de 17de eeuw geciteerd worden; Rabelais I, 393: Sy zoopen zich al t' zaamen zoo vol en dol, datse eindelijk onder voeten vielen; I, 245: Ik zou in gevaer zijn van onder voeten te vallen door flauwte; Asselijn, 246: Den eene tijd is hij (een koopman) er hiel boven op, en dan leid hy weer eens hiel onder de voet; Tuinman II, 234: Hy blyft onder de voet, dat is hy kan het niet te boven komen; Halma, 737: In een gevegt worden veele soldaaten aan weerskanten onder de voet geschooten; onder de voet leggen, être par terre; onder de voet stooten, jetter sur le carreau; Sewel, 902: Iemand onder de voet loopen, to run one down; onder de voet gesmeeten, thrown down on the ground; onder de voet stooten (dood steeken), to kill with a sword; iemand onder de voet drinken, to drink one down; Tuerlinckx, 700: onder de voet, in den weg, van zijne plaats; in slechten toestand; De Bo, 1341 b en Antw. Idiot. 1392: onder de voet(en) zijn, ziek zijn; bl. 2138: onder de voet geraken, vervallen (een handelszaak); De Cock1, 16: hij is onder den voet, hij zit slecht in zijn zaken; zijne gezondheid laat te wenschen over; fri. ûnder 'e foetten reitsje, ziek worden.

2454. Op geen voeten en (of) vaâmen,

d.i. in de verste verte niet; in 't geheel niet, op of in geen velden of wegenTuinman I, 363: In wegen en velden is zulk een niet te vinden.; eig. op geen afstand van voeten (een voet = 3 decimeter) en vademen (een vadem = 6 voet). Vgl. Van Effen, Spect. V, 162: Terwyl een ander, die ook ten hoogsten wierd geroemt, nogtans by zyn makker op voeten en vademen niet halen kan; V. Janus II, 32: 't Gaat jou immers op geen voeten of vaamen aan; III, 50: Zoo dat hij er zich op geen voeten of vaamen naa mee conformeeren konde; Harreb. II, 86 b: Dat verscheelt vademen en mijlen of voeten en vademen; De Telegraaf, 17 Nov. 1914 (avondbl.), p. 11 k. 4: Op geen voeten of vademen na klaar komen; fri. it skeelt foetten en fiemen; Molema, 263 a: 't scheelt mielen en voamen; vgl. ook Loquela, 516: buiten vame en voet, buitenmate.

2455. Op gespannen voet,

d.i. op niet vriendschappelijken voet: zóo, dat de goede verstandhouding door de geringste aanleiding verbroken wordt, evenals een strak gespannen draad of een snaar door de minste aanraking stuk springt; eig. op gespannen wijze, in een gespannen toestand. Voor deze beteekenis van voet zie no. 2456. Vgl. het zal er (om) spannen, het zal niet gemakkelijk gaan, moeite kosten, het zal er (om) kraken; ook bij Schuermans, 650 a: het zal er spannen, het zal er spoken (Antw. Idiot. 1150); het spant er niet, daar is geen haast bij; De Bo, 1063; Waasch Idiot. 611; Rutten, 211 b: spannen, moeite kosten; syn. het wringt er, er is onmin (Waasch Idiot. 751); hd. auf gespanntem Fusze, mit jemand gespannt sein; mit jemand über den Fusz gespannt seinGrimm IV, 982; 987.; gespannte Beziehungen (die drohen, zu einem Risse zu führen); fr. avoir des rapports tendus avec quelqu'un; eng. strained relations.

2456. Op grooten voet leven,

d.i. op rijkelijke, ruime wijze leven; ook wel in scherts gebezigd voor: groote voeten hebben. Het is onnoodig voor de verklaring van deze spreekwijze te denken aan de in de 14de eeuw in Frankrijk voorkomende gewoonte der adellijke heeren om schoenen te dragen met lange spitsenZie Borchardt, no. 399; Wander I, 1301. In de 17de eeuw droeg men ook bij ons nog dergelijke tootschoenen (De Brune, Bank. II, 102).; zij laat zich veel eenvoudiger verklaren, wanneer men ‘voet’ opvat in den zin van wijze, die zich geleidelijk ontwikkelt uit dien van steunpunt, basis, grondslagVgl. Grimm IV1, 1006: Fusz: der stand den eine sache hat, die art und weise des seins, die als grundlage geltende bestimmung und einrichtung.; vgl. mnl. uptien voet, aldus; Kiliaen: Voet, modus, lex, conditio; op dien voet, eo modo, ea lege, ea conditione; Vondel, Jeptha, 922: op dien voet, op die wijze; Salomon, 797; afrik. hulle lewe op groot voet; het hd. auf groszem Fusze leben; fr. être sur un grand pied; être sur un bon pied, dans une bonne situation; ook être sur un bon pied avec quelqu'un, met iemand op goeden voet staanVgl. op een goed voetje staan met iem. in D.H.L. 39: 'k Sta nogal op 'n goed voetje met Willemien.; sur le pied de guerre, op voet van oorlog; au petit pied, in het klein, enz.; hd. auf gutem, vertrautem Fusze; etwas auf den alten Fusz bringen; ook in het eng. on the old, same footing; on a friendly, a good footing, en verder bij ons op goeden voet (Pers, 703 a; Janus, 199); op vertrouwden voet; op den ouden voet (Pers, 474 a; Hooft, Brieven, 167); op gelijken voet (Van Effen, Spect. V, 229); op (een) nieuwen voet (Com. Vet. 35); op (een) lossen voet (Van Effen, Spect. XII, 135; V. Janus, 3, 206); op denzelfden voet (C. Wildsch. I, 133); enz. enz. Vgl. fri. hy libbit op in greate foet, hij leeft op grooten voet; ironisch van iemand die buitengewoon groote voeten heeft en bovendien lompe schoenen draagt (W. Dijkstra II, 316 b); Huygens, Hofwijck, 2408: Dat's nu de kleine voet, het gebruik, de manier bij den geringen man; De Cock1, 139, alwaar vermeld zijn de syn. op een hoogen, een breeden voet leven; Schuerm. 825 a: iets op breeden voet aanleggen, op een breede schaal, in het groot; Antw. Idiot. 1392; De Bo, 1340 b; Tuerlinckx, 700: op goeie (of goen) voet zijn of staan, op den goeden weg zijn, veel kans hebben. Vgl. no. 1971; West-Friesl.: Hij kakt op 't groote huisie, leeft op grooten voet.

2457. Op staanden voet,

d.i. onmiddellijk, terstond; eig. terwijl de voet nog staat, voordat men een voet verzet: vgl. het lat. statim, ilico (in loco); mnl. up die stede; vorevoets; hd. auf der Stelle; fr. sur le champ; eng. on the spot; mnl. op de(n) staende(n) voet, op den voet staendeCod. Dipl. Utr. II2, 226; Brab. Yeest. II, 628 b; Mnl. Wdb. VII, 1884; IX, 741.; op eenen voet staende (in Leenr. 19) of voetstaens, voetstandes, voetstaendesCout. v. Brugge I, 213; 350; Boëth. 241 a; R.v. Nedersticht, I, 194, 195; enz.; syn. van sonder ommekeeren; Kil.: Staendsvoets, voets-staends, statim, ilico, vulgo pede stante; voet-staens, statim, actutum, evestigio; bij Despars staensvoets; lat. stante pedeVgl. O.V. Rechtsb. V, 639: Item soe wye appelleert van eenighe sententie werdt ghehouden stante pede te consingneren in handen van den rechter.. In de vroegere rechtspraak moest hij, die niet met een gewezen vonnis tevreden was, dit dadelijk, op de plaats zelve schelden, wederspreken, op de staende voet appelleeren; standes, onverwandes voets of unverwandtes fuszes, im fuszstapfen, e er hinder sich tredeNoordewier, 409; Grimm, Rechtsalterth.4, II, 503.; up dem vote, er des votes wandelingeSchiller und Lübben, V, 515.; stehenden fuszes (vgl. Grimm, IV1, 973-974); Kluchtspel II, 18: op staenden voet; Huygens I, 176: op staende voet (Pers, 474 a; 602 b; Paffenr. 89); Een wijs Hovelingh, 368: staende voets; Vondel, Noah, 928: op staenden voet; Cats II, 85: op de staende voet; bij Coster, 399 vs. 586: op de voet; Van Effen, Spect. III, 147: op staande voet; Rusting, 24; 37; 42; 53: op staande voet (vgl. 220: staande beens); Halma, 737: op staande voet, terstond; Sewel, 748: op staande voet, immediately; Weiland: op staande voet. Thans algemeen op staanden voet; ook in Zuid-Nederland naast op staanden oogenblik (zie Antw. Idiot. 1171); afrik. op staande voet iets doen. Vgl. de syn. uitdr. gapens monts (bij Matthijsz. 161: Ist dat dieghene ... anders naseit dan die rechter voirseit ... hy bevalt in den eedt, opdat hy dairof ghevangen wort gapens monts (onmiddellijk nadat hij de fout begaan heeft, terwijl zijn mond nog open isMnl. Wdb. I, 1176.).

2458. Zich uit de voeten maken,

d.i. wegloopen, zich wegpakken, zich buiten gevaar stellen; vroeger ook zich uit de paardevoeten maken; dus oppassen, dat men niet overreden of ver-trapt wordtVgl. Mnl. Wdb. VI, 275; Suringar, Van Zeden, vs. 351: Van kinderspele ende van quaden tonghen // Der quader knechte, houde ende ionghe, // Van paerdenvoeten, van smeekers tale // Sulstu di wachten, so doestu wale.. Vgl. Erasmus, CLXXVIII: εκ των ποδων ιππειων, id est procul e pedibus equinis; etiam hodie vulgo dicitur, cum significant fugiendum esse periculum; Servilius, 251: procul e pedibus equinis, verre wt peerts voeten; Sart. I, 4, 47: wech uyt de paerde voeten; H. Sacr. v.d. Nyeuwerv. 808: Ghij sijdt daer uut der perden voeten; P.C. Hooft, Warenar, vs. 151: Men loerd' me zoo niet, het moest uit de paardevoeten; Brederoo, Moortje, 2285 (in eigenl. zin); W.D. Hooft, Verl. Soon, 40: 'k Was blijdt dat ick mitter haest raeckten uyt de paerdevoete; Paffenr. 70: Laet ons gaen leggen onse hoofden uyt de peerdevoeten; De Brune, Bank. II, 169: Hy wel, uyt der peerden voeten (= veilig) zit, die op den toren de klocken doet bayaerden; enz. Vgl. Tuinman I, 283: Hy maakt zich uit het stofVgl. Vondel, Olyftack, vs. 20; hd. sich aus dem Staube machen. dat is, hy pakt zich weg; dit behoeft hy niet te doen, die zich buiten schoots houd, en uit de paardevoeten blyft; ook II, 193. Uit de voeten blijven, maken, dat men er niet tusschen komt, 17de eeuw uit de kinken blijven, thans dial. uit de kinkels (kronkels in een touw of een ketting) blijven (zie Winschooten, 106; N. Taalgids XII, 148). In het hd. einem aus den Füszen gehen; sich aus den Füszen machen (Grimm IV1, 986; 1001); Tuerlinckx, 700: uit de voete zijn, weg zijn, afgedaan zijn; hum uit de voete maken, zich uit de voeten maken; Antw. Idiot. 1392; Schuermans, 824 b: uit de voeten geraken, weg geraken; uit de voeten zijn, weg zijn (dial. ook in Noord-Nederland in den zin van aan kant zijn); afrik. hy het hom uit die voete gemaak; vgl. ook Rutten, 263 a: zich uit iemands voeten zetten, zich wegmaken; Antw. Idiot. 1754: iet of iemand uit de voeten helpen, iemand uit den nood, uit de verlegenheid helpen; Tuerlinckx, 248: iemand uit de voeten helpen, iemand bedienen van iets, opdat hij kunne weggaan; iet uit de voeten helpen, iets afmaken. In deze uitdrukkingen behoeft men echter niet aan paardevoeten te denken, maar kunnen de voeten der menschen bedoeld zijn, evenals in het gri. εκποδων, uit de voeten, weg; εκποδιζω en het lat. expedio (?). Syn. zich uit de barrebieze maken (zie Nkr. X, 12 Febr. p. 7).

2459. Dat gaat zoo ver als 't voeten heeft,

d.i. dat gaat zoover als het kan; gebezigd van gezegden en redeneeringen, die niet altijd opgaan of van handelingen, die eens spaak loopen. Vgl. Br. v. Abr. Bl. I, 1: Ik zie, dat het oude spreekwoord die de Dominées wil eeren, moet er niet veel mee verkeeren ook al zo verre gaat, als het voeten heeft en in lang zo algemeen niet bevestigd wordt, als dat de beste Menschen er toch bij 't sluiten van de rekening 't best aan zyn zullen; W. Leevend I, 210: Met my, die altoos in den boel zit, en veel in de Waereld ben, gaat dat (nakomen van christenplichten) zo ver als 't voeten heeft; Esopet, de gefopte bedrieger, 7: Dat moet loopen zoo ver als 't voeten heeft, wie geen yzere keten waagt, krygt zelden een goude; V. Janus, 343: Dit gaat zoo verr' als het voeten heeft; Harreb. II, 395 b; fri.: dat giet sa fier as 't foetten het, het duurt tot een tijd; Twente: dat geet zoa wîd as 't veute in de erde hef.

2460. Een wit voetje hebben bij iemand,

d.i. bij iemand in de gunst, in de pas staan, een potje bij hem kunnen breken; eene uitdrukking, die sedert de 16de eeuw bij ons bekend is en haar ontstaan te danken heeft aan de vroegere gewoonte, dat paarden met vier witte pooten tolvrij warenIn den Navorscher III, 239 b wordt uit Pancarte du Droit de Péage du Comte de Lesmont aangehaald art. XIV: un cheval les quatres pieds blancs, franc de péage; Harreb. II, 336 b: vier witte voeten zijn tolvrij.. Vgl. Marnix, Byenc. 189 v: Dat en mach niemant doen dan onse L. Moeder de H. Roomsche Kercke, die vier witte voeten heeft, ende en kan niet missen; Sart. I, 2, 19: Ghy hebt vier witte voeten, 't witte kindt, sic feliciter natum atque ita gratiosum significamus, ut quidvis fere impune ipsi liceat; Idinau, 114:

 Witte voeten hebben.
 Men prijst de peerden met witte voeten
 En oock men die veur-deel hebben siet.
 Dat seght-men van sulcke, die, wien sy ghemoeten
 Groot veur-deel van al de wereldt gheschiedt.
 Veur Godt en baet 's wereldts veur-deel niet.

Huygens, Korenbl. II, 163; Smetius, 80: Hij heft vier witte voeten, hij slacht des costers koeVgl. Harreb. I, 395 a: Kosters koe weidt op het kerkhof; ook in Zuidndl. bekend; zie Antw. Idiot. 702: Kösters koei mag op 't kerkhof wei(d)en.; Tuinman I, 43: Hij heeft witte voeten, dus zegt men van ymand, die ergens geacht en aangenaam is; Br. v. Abraham Bl. I, VIII: Ja, Ja, ik had altyd vier witte voeten by die zoete Vrouwen; C. Wildsch. III, 268: Vier witte voetjens hebben; V, 300; W. Leevend II, 129; IV, 225: Vier witte voeten bij Tante Martha hebben; Van Eijk II, nal. v.; Harreb. II, 397 a: Hij heeft er een witten voet; 398 a: Hij wil een wit voetje halen; Loquela, 586; Nkr. VII, 27 Sept. p. 6; M. de Br. 55: De juffrouw wou een wit voetje bij haar hebben; Dievenp. 25: Om 'n wit voetje bij de politie te krijgen; Sjof. 20: Hij deed 't alleen om een wit voetje te halen; Menschenw. 225: Zij bespogen hun makkers om wit voetje bij notaris of dokter; De Arbeid, 14 Januari 1914 p. 2 k. 4: Een nieuwe controleur, die zeker een wit voetje bij den baas wilde halen; 19 Dec. 1914 p. 2 k. 4: Als hij een wit voetje wilde halen bij den patroon, welnu, dan had hij wel anders opgetreden; De Telegraaf, 19 Maart 1915 (avondbl.) p. 7 k. 3: Vandaar dat hij den stroopkwast niet spaart, om toch vooral een wit voetje bij onze geuniformeerde Oosterburen te krijgen; enz. De Cock1, 63: met iemand op een witten voet staan; witte voeten bij iemand hebben. Ook hier wordt medegedeeld dat eertijds witvoetige paarden de poorten der Vlaamsche steden tolvrij mochten binnengaan, en gewezen op Rutten, 263: koeien met witte voeten mogen op het kerkhof grazen, zijt ge wel gezien door de overheden, dan bekomt ge voordeelen; afrik. wit voetje soek, trachten in iemands gunst te komen; Joos, 74: hij staat er met witte voeten, hij wordt er zeer bemind; fri. in wyt foetsje by immen ha; in wytfoet hynsder bitellet gjin tol; oostfri.: hê hed 'n witten fôt bî hum; nederd. en witten Fôt bi jemand hebben (Eckart, 135; Wander I, 1303); sik en witten Fôt maken bi enen, sich einschmeicheln (Eckart, 235 b).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut