Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

voeren - (van binnen bekleden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

voeren 2 ww. ‘van binnen bekleden’
Mnl. voederen ‘van binnen bekleden’ in Sonder caproene te voederne ‘behalve de kappen van voering te voorzien’ [1280; VMNW], Dattie mantel ... Met bonten gevodert nine was ‘dat de mantel niet met bont was gevoerd’ [1300-50; MNW-R], Om sine hantscoen te voeyerene ‘om zijn handschoenen van voering te voorzien’ [1450; MNW]; vnnl. mit carmosyn fluweel gevoerdt [1524; iWNT].
Door wegval van intervocalische -d- ontstaan uit ouder voederen, een afleiding van het zn. voeder ‘voering’ als in vodere ende caproen vodere ‘(mantel)voeringen en kapvoeringen’ [1286; VMNW], schaerlaken ... ende de voedere, die daer toe hooren ‘scharlaken kledingstukken en de voeringen die daarbij horen’ [1304; MNW].
Bij het ww.: mnd. voderen; mhd. vuotern (nhd. füttern); nfri. fuorje; alle ‘bekleden’.
Bij het zn. voe(de)r: mnd. vōder; ohd. fuotar (nhd. Futter); ofri. fōder (nfri. foer ‘bekleding’ fuorre ‘schede’); oe. fōdor; on. fóðr (ontleend aan het mnd.; nzw. foder); got. fodr; alle ‘foedraal, omhulsel e.d.’, < pgm. *fōdra-. Het zn. is al vroeg ontleend in de Romaanse talen: middeleeuws Latijn fodorus ‘(zwaard)schede, foedraal, etui’ [1010; Niermeyer], Oudfrans fuer(r)e ‘foedraal’ [1170; FEW] (Nieuwfrans met achtervoegsel fourreau), en zie → foedraal.
Verwant met Sanskrit pā́tra- ‘reservoir, vat’; < pie. *peh2tró-, *péh2tro-, afgeleid met het achtervoegsel *-tro- voor instrumentnamen van de wortel *peh2(i)- ‘beschermen, (vee) hoeden’ (LIV 460), zie → voeden.
voering zn. ‘binnenbekleedsel’. Mnl. voederinghe ‘id.’ in der voederinghe, daer men de cappe mede voederde ‘de voering waar men de kappen mee voerde’ [1336; MNW]; vnnl. foring ‘voeringstof’ [1521; iWNT], voeringh ‘voering’ [1615; iWNT]. Afleiding van voeren met het achtervoegsel → -ing.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

voeren2* [van binnen bekleden] {1376-1400} samentrekking van middelnederlands voederen {1300} middelnederduits voderen, middelhoogduits vuotern, van middelnederlands voeder [foedraal, voering], middelnederduits voder, oudhoogduits fuotar, oudfries, oudengels foder, oudnoors fōðr, gotisch fōdr; vgl. oudindisch pātra- [vat], pāti [hij beschermt], en met een ander formans grieks pōma [deksel], poimèn [herder] (vgl. foedraal).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

voeren 2 ww. ‘van voering voorzien’, mnl. voederen, mnd. vōderen, mhd. vuotern (nhd. füttern), on. fōðra ‘voeren, bekleden’, afl. van mnl. voeder o. ‘foudraal, koker, voering’, mnd. vōder o. ‘foedraal, voering, pelswerk’, ohd. fotar, fuoter o. (nhd. futter) ‘foedraal, omhulsel’, ofri. fōder o. ‘voering’, oe. fōder ‘foedraal, omhulsel’, on. fōðr o. ‘voering’, got. fōdr o. ‘schede, omhulsel’. — oi. pātra- ‘vat’, van een idg. wt. *pō, waarvan ook gr. põma ‘deksel’.

Deze wortel acht men identiek met *poi ‘vee weiden, hoeden’, dan ook ‘beschermen, bedekken’ (IEW 839), waarvoor zie ook: veilig. — J. Trier, Zs. der Savigny-Stiftung f. Rechtsgeschichte 65 Germ. Abt. 1947, 238 vat de geschiedenis van deze wortel anders op. Hij wil uitgaan van een bet. ‘heining’ en verklaart dus lat. pasco als ‘het weiden in een omheind weideland’. Maar een bet. ‘vlechtwerk’ kan ook leiden tot woorden voor ‘schede, vat, foedraal’ en verder ‘eng aanliggende bedekking, voering’. — Uit frank. *fōdr ‘schede’ is afgeleid ofra. fuerre, waarvan zeer vroeg weer gevormd is fra. fourreau ‘schede, voering’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

voeren II (van binnen bekleeden) ww., mnl. voederen. = mhd. vuotern (nhd. füttern), mnd. vôderen, on. fôðra “voeren, bekleeden”. Van mnl. voeder o. “foedraal, koker, voering”, ohd. fôtar, fuoter o. “foedraal, omhulsel” (nhd. futter), mnd. vôder o. “ foedraal, voering, pelswerk”, ags. fôdor o. “foedraal, omhulsel”, on. fôðr o. “voersel, voering”, got. fodr o. “scheede, omhulsel”. Uit idg. *pô-tró-, waarnaast *pṓ-tro- (oi. pā́tra- “vat”, misschien ook voer II). Van de idg. basis pô-, pôi-, waarvan nog gr. põma “deksel”, oi. pā́ti “hij behoedt”. Voor verdere verwanten zie bij veilig. Er is geen voldoende reden om van idg. (i)- uit te gaan en deze basis met die van voeden te identificeeren, ofschoon formaties van de beide bases in sommige talen zjjn samengevallen: vgl. voeder en verder obg. pasą, pasti “weiden, hoeden”, in samenst. “redden”, waarin afll. van beide bases (*pâ-sḱô en *pô-sḱô?) zijn dooreengeloopen. Voor ontll. in ’t Rom. vgl. foedraal, verder fr. fourreau “scheede, overtreksel”, fourrure “pels”. Fr. feurre “voeder” echter van voeder, zie ook fourrage.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

voeren II (van binnen bekleden). Bij mnl. voeder enz. adde: ofri. fôder o. ‘voering’. — (Slot.) De gewone tegenw. bet. van fr. feurre is ‘stro’ (< ‘veevoeder’).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

voeren 1 o.w. (beleggen), Mnl. voedren, denom. van Mnl. voeder = koker, voering + Ohd. fuotar (Mhd. vuoter, Nhd. futter), Ags. fódor, On. fóđr (Zw., De. foder), Go. fodr (= scheede) + Skr. pātram = vat, Gr. põma = deksel: Idg. wrt. . Uit het Germ. komt Nfra. fourreau, fourrer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

4voer ww. (minder gebruiklik)
Voering insit.
Uit Ndl. voeren (1524).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

voer III: ww., v. binne beklee (m. voering); Ndl. voeren (Mnl. voederen), Hd. füttern, afl. v. Mnl. voeder, Hd. futter, vgl. Got. fodr, almal ong. “koker, omhulsel, skede, voering”, hou verb. m. voering en voersis (q.v.).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Voeren (van kleedingstukken) bet. bedekken; vgl. ’t Got. fodr = zwaardbedekking, scheede, ons foudraal; van den Idg. wt. po = bedekken; vgl. ’t Gr. poona = deksel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

voeren ‘van binnen bekleden’ -> Engels fother ‘breeuwen, kalfaten’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

voeren* van binnen bekleden 1376-1400 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut