Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

voer - (voedsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

voer zn. ‘voedsel voor dieren’
Mnl. voeder ‘voedsel voor dieren’, als vuder ‘id.’ [1240; Bern.]; vnnl. voer ‘id.’ in 't voer van den paerden [1519; iWNT].
Ontstaan door wegval van intervocalische -d- uit ouder voeder.
Mnd. vōder; ohd. fuotar (nhd. Futter); nfri. foer; oe. fōdor (ne. fodder); on. fóðr (nzw. foder); < pgm. *fōdra-, afleiding van → voeden. Het woord is al vroeg geattesteerd als middeleeuws Latijn foderum ‘fourrage voor het leger’ [792; Niermeyer], fodrum ‘paardenvoer’ [805; Niermeyer], en is ook ontleend in het Frans: Oudfrans fuer(r)e ‘veevoer’ [ca. 1150; FEW] (Nieuwfrans met achtervoegsel fourrage).
De gewone vorm van dit woord is tegenwoordig voer, maar de volle vorm voeder is zeer frequent in de samenstelling veevoeder; als eerste lid in samenstellingen is het zelfs de standaardvorm, bijv. in voederbak, voederbiet, voederplaats.
voe(de)ren ww. ‘eten geven’. Misschien al onl. *fuodaron in de glosse fuortida (lees fuotrida) ‘hij weidde (de schapen)’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. voederen ‘van voedsel voorzien’, in de afleiding uoderigge (= voederinge) ‘het van voedsel voorzien’ [1286; VMNW], in luden ende perden ... te voederen ‘mensen en paarden te eten geven’ [1400; MNW]; vnnl. den wreeden honden te voeren [1572; iWNT]. Afleiding van voeder, later ook met wegval van intervocalische -d-. Aanvankelijk had het woord een algemene betekenis en kon men mensen, maar ook legers voeren ‘van proviand voorzien’. Tegenwoordig wordt het woord vooral gebruikt bij dieren en kinderen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

voer1* [voedsel] {1519} samengetrokken uit middelnederlands voeder {1201-1250} van voeden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

voeder znw. o., meestal voer, mnl. voeder, mnd. vōder, ohd. fuotar (nhd. futter), oe. fōðor (ne. fodder), on. fōðr ‘voer, voedsel’, afl. met suffix -þra- = idg. -tro van de idg. wt. *pā, waarvoor zie: voeden.

Van frank. *fōðr is afgeleid ofra. fuerre ‘veevoeder’, nfra. feurre ‘stro’.

voer 1 znw., samentrekking van voeder.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

voer I (voedsel) znw. o. Zie voeder, voederen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

voeder 2 o. (voedsel), Mnl. id. + Hgd. futter, Eng. fodder, van voeden. Hieruit Ofra. feurre, Nfra. fourrage.

voer 2 o. (voedsel), samentr. van voeder 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

voor (zn.) voer; Vreugmiddelnederlands vuder <1240>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

voeier 1, zn.: voer, veevoeder. Door d-syncope uit voeder; zie voeierage.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1voer s.nw.
Kos vir diere.
Uit Ndl. voeder (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884).
D. Futter (8ste eeu), Eng. fodder (ongeveer 1000).
Vgl. Fr. fourrage (15de eeu).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

voer I: s.nw. en ww., kos/voedsel v. diere; diere kos/voedsel gee; Ndl. voe(de)r en voe(de)ren (Mnl. voeder en voederen), Hd. futter en futtern/füttern, Eng. (alleen s.nw.) fodder, hou verb. m. Ndl./Afr. voed(en) en voedsel, Eng. food en feed, verb. veronderstel m. Lat. pabulum, “kos”, panis (wu. Fr. pain), “brood”, en pasco, “ek eet”, Gr. pateomai, “eet/vreet”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Voeder, van den Germ. wt. fod, fad, Idg. pa(t) = eten. Vgl. ’t Lat. panis = brood.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

voeder, voer ‘voedsel’ -> Frans fourrage ‘veevoer’ Frankisch; Esperanto furaĝo ‘voer voor vee of huisdieren’ <via Frans>; Surinaams-Javaans pur ‘voedsel voor bijv. kippen’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Voer voor psychologen [boektitel] (1956). De schrijver Harry Mulisch (1927-2010) publiceert in 1956 het autobiografische essay Voer voor psychologen, waarvan de titel spreekwoordelijk wordt. Zo wordt de uitdrukking gebruikt om aan te geven dat iets voor ‘de gewone mens’ niet te begrijpen is, of dat iets (of iemand) door een psycholoog bestudeerd zou moeten worden.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

voeder* voedsel 1160 [Rey]

voer* voedsel 1519 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

pā- : pǝ- und pā-t- : pǝ-t- ‘füttern, nähren, weiden’, Abstraktum pā-tro-

Arm. hauran ‘Herde’ (*pā-tro-), hoviv ‘Hirt’ (*ou̯i-pā-); gr. dor. πανία· πλησμονή, πάνια· τὰπλήσμια; lat. pāscō, -ere, pāvi, pāstum ‘lasse weiden, füttere’, Dep. ‘fresse, weide’ (*pās-scō), pāstor ‘Hirt’, pābulum ‘Futter’ (*pā-dhlom), pānis ‘Brot’ (wegen pastillus ‘Kügelchen aus Mehl’ aus *pa-st-nis); messap. πανός ‘Brot’ ist lat. Lw.; air. ain-chess ‘Brotkorb’; vielleicht als ven.-illyr. Element im Keltischen *pā-ro- ‘Weide’ in cymr. pawr ‘Weide’, Pl. porion, davon Verbalnom. pori, mbret. peuriff, bret. peuri ‘Weiden’; mit -tro- Suffix aisl. fōðr n., ags. fōðor n., ahd. fuotar ‘Futter’; aksl. pasǫ, pasti ‘weiden’ (*pāsk̑ō); toch. A pās-, В pāsk- ‘hüten’; hitt. paḫš- (paḫḫaš-) ‘schützen’.
Mit -t- Weiterbildung: gr. πατέομαι ‘esse und trinke’; ἄπαστος ‘ohne Speise und Trank’; unsicher air. ās(a)id ‘wächst’ (‘es mehrt einen’), mir. ās ‘Wachsen’ (*pāt-to-); got. fōdjan ‘ernähren’, aisl. fø̄ða, ags. fēdan, as. fōdian, ahd. fuoten ds., ags. fōda, engl. food ‘Nahrung’, ags. fōstor ds., aisl. fōstr ‘Erziehung, Unterhalt’ (*pāt-tro-); ablaut. ahd. kauatot ‘pasta’ (ahd. Gl. 2, 333, 65), fatunga ‘Nahrung’, mnd. vedeme f. ‘Eichelmast’.

WP. II 72 f., WH. II 246 f., 260, Trautmann 207 f.; vgl. auch pen-1 ‘füttern’.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal