Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vod - (lap, lor, prul)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vod zn. ‘lap, lor, prul’
Vnnl. vodde ‘lap’ in Een vodde om iet mede te veghen of scoon te maken ‘een lap om iets mee af te vegen of schoon te maken’ [1552; iWNT], Oude vodden oft doeken [1562; Kil.], (mv.) ‘slechte kleren’ in maeghden ..., die haestelijck ... haere vodden aen schoten [1576; iWNT], ‘prullen, slechte producten’ in Dat ... het geheele Landt met vodden ... soude worden vervult [1608; iWNT], vod ‘sjofele kleding’ [1615; iWNT].
Herkomst onzeker. Vermoedelijk een klankexpressief woord, mogelijk samenhangend met vnnl. vadde ‘slappe meelkoek; slet’ en vads ‘werksloof; lui persoon’, zie ook → vadsig en → slet.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vod*, vodde [lor] {vodde 1552} etymologie onzeker, waarschijnlijk een klankschilderend woord, evenzo vadde, vgl. vadsig, waarmee het mogelijk verwant is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vod znw. o., Kiliaen vodde ‘lap, vod’, ook ‘vuile, luie vrouw, hoer’, nnd. vodde, fri. fodde staat naast het onder vadsig genoemde vadde (Kiliaen) ‘dunne, slappe koek; boomzwam; traag wijf’. — Formeel te verbinden met het onder hondsvot behandelde germ. *fuþa ‘vulva’ en dan behorend bij de wortel van vuil. Daartegen behoeft de klinker van vadde geen bezwaar te zijn, daar in woorden van deze soort secundaire vokaalveranderingen vaak optreden. Groter bezwaar is, dat naar de bet. het uitgangspunt niet ‘iets stinkends’ schijnt te zijn, maar eerder iets dat ‘rafelig’ of ook ‘slap, week’ is. Daarom met FW 752 eerder te denken aan een betrekkelijk jong woord, dat zich aansluit aan zulke als flodderen en flard en waarbij dan het boven genoemde woord voor ‘vulva’ als stimulans voor de vervorming kan hebben gediend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vod znw., gew. o. Kil. vodde “lap, vod” (overdr. ook “vuile, trage vrouw, hoer”; vgl. slet), nog niet mnl. Ook ndd. fri. De vorm zou verwantschap met vuil toelaten. Veeleer echter is ’t woord jong en onomatop., deels onder invloed van andere, moeilijk aan te wijzen woorden ontstaan. Voor jonge formaties van ’t zelfde karakter zie vadsig, flodderen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vod v., Mnl. vodde + Ndd. fudde, Mhd. vetze (Nhd. fetzen = vod, en fassen = kleeren), On. fǫt. — In overdrachtelijke toepassing op een vrouwspersoon heeft men vot, tweede lid van hondsvot, met dit vod verward. Hetz. voor de uitdr. iem. achter de vodden zitten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

vod s.nw. (gewoonlik in die mv. vodde)
1. Ou lap. 2. Waardelose iets, rommel.
Uit Ndl. vod (1552 in bet. 1, 1630 in bet. 2), mntl. klanknabootsend gevorm. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm fodde.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

vod: waardeloos iemand. Soms ook voor een liederlijk figuur, een losbol.

Wat brust me de vod! (De Gewaande Weuwenaar, met het Bedroge Kermiskind. Blyspel, 1709)
Lex, je bent een vod, mijn huis uit! (Remco Campert, Een ellendige nietsnut, 1960)
En u komt namens dat vod, dat rachitische onderkruipsel. (Louis Ferron, De keisnijder van Fichtenwald, 1976)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vod ‘lor’ -> Sranantongo fodu ‘lor’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vod* lor 1552 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1162. Iemand bij de kladden grijpen,

d.w.z. iemand bij de kleeren pakken, bij de lurven grijpen, bij den kraag pakken. Vgl. Servilius, 196: Ick sal hem aen syn cladden hanghen ghelyck ien clesse; zie verder Voskuyl, Ouden en Jongen Hillebrant anno 1663); 24; N. Heinsius, Verm. Avent. 12Zwolsche Herdrukken, IIde reeks.; Rusting, 48; 215; Pasquilm. 23: iets aan de kladden hebben; Halma, 266: Iemand bij de kladden krijgen, iemand aangrijpen, se jetter sur quelqu'un, ou sur sa fripperie; Harreb. I, 410; Falkl. VI, 170; Nkr. VII, 11 Maart p. 2; Dievenp. 161: Dezen boef heb je brutaal in z'n kladden te pakken. Iemand in de kladden pakken, hem beetnemen, voor 't lapje houden in Nkr. IX, 20 Nov. p. 2: Ze vonden Krissie een eenige vent, die dat kwasterige kereltje zoo fijn in de kladden kon pakken. Onder de kladden zal men hier moeten verstaan lappen, vodden, welke bet. het Twentsche kladde nog heeft, evenals het oostfri. klatte, klat in: de klêr hangd hum in klatten bi 't lif dâl (Ten Doornk. Koolm. II, 242) en klater, kothklumpen, lumpe (II, 240), zoodat de uitdr. te vergelijken is met: iemand bij de vodden, de lappen, de lurven krijgen achter de vodden zitten, iemand bij de tadden vatten (Boekenoogen, 1044), bij den kraag (Ndl. Wdb. VIII, 3; hd. beim Kragen; fr. au collet; eng. by the collar) vatten; fri.: by de boks(e) krije; aan de geeren komen (Gew. Weeuw. III, 26); bij de klampen (slippen) nemen (Tuerlinckx, 319); bij de klatten pakken naast bij zijn klessen pakken (Waasch Idiot. 345; 348). De oorspr. beteekenis van kladde schijnt te zijn smet, kleverig iets, stuk vuil, en vervolgens vasthechtsel, aanhechtsel, lap; vgl. het mnl. clatte, dat klodder beteekent naast het mnd. klaske, stück, lappen, flickenMnl. Wdb. III. 1488-1490., en klatte, lap, lomp; westvl. klodde, dot, bal (De Bo, 543 b).

1335. Iemand bij de lappen krijgen,

d.w.z. iemand bij zijn kleeren te pakken krijgen; hem bij de kladden, bij de lurven grijpen, bij de vodden; vgl. Jan Zoet, 352: Zoen, en zab, en vatje Bruid bij de lappen, en lurven; Sewel, 437: Iemand by de lappen (by de lurven) krygen, to lay hold of one; oostfri. hê krêgd hum bi de lappen; nd. jemes bei et Läppken kriegen (Eckart, 308); Ndl. Wdb. VIII, 1090.

2438. Iemand achter de vodden zitten,

d.i. iemand op de hielen zitten; ook hem narijden, achter de broek zitten, achter of op de hakken of vessemen zitten (Schuerm. 755 b); achter het leer zitten (Ndl. Wdb. VIII, 1208); eig. iemand achter de kleeren zitten (vgl. Huygens, Hofw. 2791: Op, luyaerd uyt de Pluym, in de vodden t' is hoogh tijd); fri. immen efter 'e fodden sitte; oostfri.: achter de fudden zitten; vgl. Spaan, 64: Een hevige stoker, ofte storm opstaande zat hun zoo vreesselyk agter de vodden, dat ze naauwlyks tyd hadden om hun foken marszeilen te beslaan; bl. 142: Ik stoof vliegens overend, rukte het mes uit, en zat 'er Abram zoo gezwind me agter de vodden, dat hy nolens volens van 't Theater sprong; Rab. I, 149: Sy liepen als hoender-dieven, eeven of heintje-man met syn pikstok haar achter de vodden was; bl. 139: Daarmee gelykelijk op een loopen, watse loopen mogten, of haar de duivel al achter de vodden was; V. Avanturesse, 130; Kale Uiter. Edelman, 174; W. Leevend II, 123; IV, 343; C. Wildsch. II, 83; Nest, 27; Landl. 104; Schuermans, 824 a; Bijv. 378 a; Antw. Idiot. 1389; Tuerlinckx, 698; V. Schothorst, 222; vgl. het syn. achter iemands garen zijn (bij Pers, 788 a; 837 a); iemand achter de geeren (slippen) zitten, ook achter de geerden zittenTijdschrift, XVI, 24; N. Taalgids XIV, 255.; achter het jak zitten; achter de streenen (strengen) zitten (Opprel, 86 a); iemand achter zijn lappen of achter zijne veeren zitten (Schuerm. 889 a; 775 b; Tuerlinckx, 671; Waasch Idiot. 688 a; Antw. Idiot. 1320); achter iene zijn vegge (lappen) zitte (Tuerlinckx, 665); gaan alsof ze hem achter zijn veeren zaten ('t Daghet XII, 186).

2439. Iemand bij de vodden krijgen,

d.i. iemand bij de lurven krijgen, hem te pakken krijgen, bij zijn kraag, zijn lappen krijgen (Rusting, 250); eigenlijk bij zijn kleeren krijgen (zie no. 2438); 17de eeuw: iemand aan of naar de vodden komen of zitten; vgl. Paffenrode, 168: Ey get vogel, hoe wou ik je aen je vodden sitten; Westerbaen II, 41: Sou die niet waerd zijn dat men hem quam dadlijck aen de vodden en voor onsinnigh dreef met steenen daer van daen; Amsterd. Vreughdestroom, I, 147: Laat ze malkaar na de vodden zitten, dattet sijn oogen verkeert; Rusting, 236: Indien ik hem eens by de vodden krijg; Tuinman I, 296; II, 143: Ymand by de vodden krygen, dit zegt hem by de klederen pakken; Harreb. I, 445 a. Syn. is nog het fri. immen by de flarden pakke; De Brune, Bank. I, 354: iemand bij de tasseelenVgl. Mnl. tasseel, mlat. tassellus, ofr. fr. tasel, tassel (Mnl. Wdb. VIII, 90). grijpen; Vondel, Roskam, 7: iemand bij de slippen grijpen; Schuermans, 570 b: iemand bij zijn schabellen krijgen; Tuerlinckx, 319: iemand bij zijn klampen (slippen) nemen; Harreb. II, 355 a: iemand bij zijn vacht krijgenHuydecoper, Proeve II, 288.; Twente: eenen bi de plodden grîpen of krîgen; fri. immen byde skabbelappen krije.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut