Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vocht - (vloeistof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vocht zn. ‘vloeistof’
Onl. alleen in toponiemen voor ‘vochtige plaats, drassig gebied’, bijv. Fughte [1028; Künzel]; mnl. vucht, vocht in Soe es die mane ghemaect om Dat si ... tempert thitte ende tvochte ‘zo is de maan gemaakt omdat ze de hitte en de nattigheid matigt’ [1340-60; MNW-R], Vat dair men wat nats of vuchtes in doit ‘vat waar men een vloeistof in doet’ [1477; Teuth.]; vnnl. vocht ‘(levens)sap’ [1611; iWNT].
Zelfstandig gebruik van het bn. vocht, mnl. vocht, vucht ‘vochtig, nat’ [1351; MNW-R], dat zelf inmiddels is vervangen door de afleiding vochtig, zie onder.
Bij het zn. verder alleen mnd. vucht (o.). Het bn. is algemeen West-Germaans: os. fūht (mnd. vucht); ohd. fūht, fūhti (nhd. feucht); oe. fūht; nzw. fukt (uit mnd.); < pgm. *funhti-, *funhtija-. Hierbij hoort ook een vrouwelijk zn. *funh-tīn-, waaruit: mnd. vuchte; ohd. fūhtī (mhd. viuhte); nfri. fochte.
Pgm. *funhti kan ontwikkeld zijn uit pie. *pnk-ti-, maar dit is twijfelachtig. De stam *pnk- beschouwt men meestal als uitbreiding van de wortel *pn-, *pon- ‘vocht, moeras’, zie → veen.
vochtig bn. ‘nattig, een beetje nat’. Mnl. vugteg [1240; Bern.], vuchtich, vochtich in de afleiding vochticheit ‘vloeistof’ [1340-60; MNW-P], Dat beghinsel van desen jare sal vochtich zijn ende niet zeer hart (streng), met winde, reghen ende cleyn snee [1480; MNW cleine I]. Afleiding van het bn. of zn. vocht met het achtervoegsel → -ig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vocht* [vloeistof] {vucht 1477} vgl. oudnederlands fuchte [drassige bodem] het woord was in het middelnl. oorspronkelijk een bn. met de betekenis ‘vochtig’, dat vervolgens zelfstandig werd gebruikt; naast het bn. middelnederduits vucht, oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels fūht; op enige afstand verwant met veen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vocht 1 znw. o., mnl. vocht, vucht, vochte o., mnd. vucht ‘vocht, damp, nevel’, eig. het bnw. mnl. vocht, vucht (nnl. dial. en arch.), mnd. vucht = ohd. fūht, fūhti (nhd. feucht), os. oe. fūht ‘vochtig’ < germ. *funhtia van de idg. wt. *penk, vgl. oi. pañka- m. o. ‘modder, moeras’, miers ēicne (< *penk-īnio-) ‘zalm’, een k-afl. van de idg. wt. *pen (IEW 807-8), waarvoor zie: veen.

vocht 2 znw. v. ‘vochtigheid’, mnl. vochte, vuchte, mnd. vuchte, ohd. fuhti (nhd. feuchte). — Afl. van het bnw. vocht 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vocht I znw. o. Niet bij Kil., wel al mnl. Evenals mnd. vucht o. “vocht, damp, nevel” het o. van het bnw. mnl. vocht, vucht (ook vochte, vuchte) “vochtig” (nog archaïstisch), mnd. vucht. Dit beantwoordt (met vocaalverkorting vóór cht) aan ohd. fûht, fûhti (nhd. feucht), os. ags. fûht “id.”. Misschien uit *fuŋχt(i)a- of fuŋχtu-, idg. *peŋqt(i)o-, -tu-, ablautend met oi. paŋka- “modder, moeras” en hoogerop verwant met veen. Ook is men van *pi-ûg-tu-, *pj-ûg-tu- uitgegaan: dan zouden gr. hugrós “vochtig, nat” enz. (zie os) verwant zijn, volgens sommigen ook arm. hiut´ “stof, element, vocht” (*pi-ûg-to- of -ti-). Het idg. prefix *pi- komt ook gr. en oi. voor; ’t staat met gr. epí, oi. ápi in ablaut.

vocht II znw. v. (mnl. vochte, vuchte v.?). = ohd. fûhtî (nhd. feuchte), mnd. vuchte v. “vocht”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vocht. Het bnw. vocht, “nog archaïstisch”: ook dialectisch. Lidén (bij Holthausen IF. 44, 191) combineert, behalve oi. paŋka- nog arm. zanganem uit *z-hang ‘kneden, ondereenvermengen’. Onzeker, evenals de aansluiting (Petersson Etym. Misz. 36 vigg.) van lett. panská ‘plas’ (< *pank-ska?) en gr. páskos· pēlós(Hes.) ( < *pakskos pṇq-sqo-?).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vocht bijv., Mnl. id. met vocaalverkorting vóór cht (cf. licht), Os. fûht + Ohd. fûhti (Mhd. viuhte, Nhd. feucht), Ags. fuht: indien uit Ug. *fuŋht- dan met veen verwant.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

vocht Vocht komt in verschillende uitdrukkingen voor in de betekenis ‘brandewijn’ of ‘jenever’. De oudste en inmiddels meest afgesleten benaming is het edel(e) vocht. Aanvankelijk werd deze uitdrukking, die in de eerste helft van de 17de eeuw voor het eerst is aangetroffen, vooral gebruikt voor ‘wijn’, later ook voor ‘brandewijn’ en ‘jenever’. Volgens een van de gidsen van het Jenevermuseum in Schiedam is het nog altijd een populaire benaming voor jenever, zeker onder de echte liefhebbers. Staring had het in 1820 over een pint Schiedammer vocht (zie schiedammer), en Hildebrand in 1841 over Schiedamsch vocht. Tegenstanders van jenever spraken wel van het helse vocht. J.P. Heije gebruikte deze verbinding omstreeks 1870 in het gedicht ‘Verdrinken’:

o Diepe zee, o wijde plas!
Wie in Uw vloed moest sneven,
Weet, dat zijn dood en leven
Toch in de hand des Heeren was!
Maar wie zegt, in Wiens hand zij zonken
Die in het helsche vocht verdronken
Van ’t klein jeneverglas!

In 1952 is in Vlaanderen de borrelnaam kort vocht gevonden. Kort moet hier worden opgevat als ‘geconcentreerd, krachtig, sterk’. Alcohol is natuurlijk ook vaak geestrijk vocht genoemd. In het Duits spreekt men wel van Feuchtigkeit, in het Engels van (something) damp of something moist.

[WNT XXII1 17]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vocht ‘vloeistof’ -> Fries focht, fochte ‘vloeistof’; Deens fugt ‘vloeistof’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fukt ‘vloeistof, vochtigheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds vocht ‘vloeistof’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands vocht ‘vloeistof; nattig’; Papiaments vògt ‘vloeistof, vooral in lichaamsholtes zoals in de longen en ruggenmergholte’; Sranantongo foktu ‘vloeistof’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vocht* vloeistof 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut