Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vluchten - (weggaan van gevaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vlucht 1 zn. ‘het weggaan van gevaar’
Onl. fluht ‘het vluchten, het in veiligheid brengen’, overdrachtelijk in antfengere min in fluht min an dage arbeithis minis ‘mijn beschermer en mijn toevlucht op de dag van mijn tegenspoed’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. vlucht, oostelijk vlogt [1240; Bern.], Die hebben de vlucht ghenomen [1285; VMNW].
Os. fluht (mnd. vlucht); ohd. fluht (nhd. Flucht); ofri. flecht (nfri. flecht); me. flyght (ne. flight); alle ‘het vluchten’, < pgm. *fluhti-.
Afleiding van de wortel van *fleuhan-, *þleuhan- ‘vluchten, ontvluchten’ (de wisseling fl - þl is onverklaard, zie ook → vleien), waaruit: onl. flian (mnl. vlien, vnnl. vlieden); os. fliohan (mnd. vlēn); ohd. fliohan (nhd. fliehen); ofri. fliā; oe. flēon (ne. flee); on. flýja (nzw. fly); got. þliuhan.
Naast *fluhti- staat met ander achtervoegsel on. flótti ‘id.’ < pgm. *fluhtan-; en ablautend got. þlauhs ‘id.’ < pgm. *þlauha- en oe. flēam ‘id.’ < pgm. *flauhma-.
Verdere herkomst onbekend. Niet verwant met → vliegen.
vluchten ww. ‘weggaan van gevaar’. Mnl. vluchten ‘in veiligheid brengen; verduisteren’ in So wie so sijn saywerc ... vlucht; van vresen van vinders ‘al wie zijn saaiweefsel verbergt uit angst voor keurmeesters’ [1277; VMNW], Doe ward antipater veruard. Ende vluchte te arabien ward. Sine kinder ‘toen werd Antipater bang en bracht zijn kinderen in veiligheid in Arabië’ [1285; VMNW]; vnnl. vluchten ‘zichzelf in veiligheid brengen’ in Doen verlieten hem alle dye discipulen ende vluchten ‘toen verlieten alle discipelen hem en ze vluchtten’, doen ic voor ... uwen broeder vluchte ‘toen ik voor uw broer vluchtte’ [beide 1526; iWNT]. Afleiding van vlucht. ♦ vluchteling zn. ‘iemand die vlucht’. Vnnl. de ghuesche vluchtelinghen ‘de gevluchte geuzen’, vluchtelinghen van Doornicke ‘vluchtelingen uit Doornik’ [beide 1566-68; Van Vaernewyck]. Afleiding van vluchten met het achtervoegsel → -ling. ♦ vluchtig 1 bn. ‘vluchtend, op de vlucht zijnd’. Mnl. vluchtich ‘id.’, oostelijk vlogtech ‘id.’ [1240; Bern.], die iueden ... Die vluchtic waren ‘de Joden die op de vlucht waren’ [1285; VMNW]. Afleiding van vlucht met het achtervoegsel → -ig.Tegenwoordig nog gebruikt in de samenstelling voortvluchtig.
Lit.: M. van Vaernewyck (1566-68), Van die beroerlicke tijden in die Nederlanden en voornamelick in Ghendt 1566-1568 (editie Vanderhaeghen, Gent 1872), 110 en 147

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vluchten* [weggaan van gevaar] {vluchten, vlochten [in veiligheid brengen, verduisteren, op de loop gaan] 1285} afgeleid van vlucht2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vluchten ww. mnl. vluchten ‘in veiligheid brengen, vluchten’, mnd. vluchten ‘vluchten, op de vlucht jagen’, ohd. fluhten ‘op de vlucht drijven’, mhd. vlühten (zelden) ‘vluchten’ (nhd. flüchten ‘in veiligheid brengen, vluchten’) is een afl. van vlucht 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vluchten ww. Mnl. vluchten = ohd. fluhten “op de vlucht drijven”, mhd. vlühten (zeldzaam) “vluchten”, nhd. flüchten “in veiligheid brengen, vluchten” (ook refl.), mnd. vluchten “id., op de vlucht jagen”. Zie bij betichten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vluchten. Mnl. vluchten = ‘in veiligheid brengen, vluchten’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vluchten ono.w., Mnl. id., denomin. van vlucht, Mnl. id., Onfra., Os. fluht + Ohd. id. (Mhd. vluht, Nhd. flucht), Ags. flyht (Eng. flight), Go. þlauhs: van denz. stam als ʼt v.d. zoowel van vlieden als van vliegen, Go. echter alleen van vlieden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vlöchte (ww.) vluchten; Vreugmiddelnederlands vluchten <1277>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

4vlug ww.
Vinnig weggaan van gevaar.
Uit Ndl. vluchten (al Mnl.), 'n afleiding van vlucht 'ontvlugting'.
Vgl. D. fliehen (8ste eeu), Eng. flee (ongeveer 825).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vluchten, van den Germ. wt. thlug: zie Vlieden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vluchten ‘weggaan van gevaar’ -> Deens flygte ‘weggaan van gevaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors flykte ‘weggaan van gevaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands vlucht, vlygt ‘weggaan van gevaar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vluchten* weggaan van gevaar 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut