Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlucht - (het vliegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vlucht 2 zn. ‘het vliegen; zwerm vogels’
Mnl. vlucht ‘het vliegen, vaart; zwerm vogels’ in vlieghen met groter vlucht ‘vliegen met een grote snelheid’ [1285; VMNW], om des arens vlucht ‘voor de vlucht van de arend’ [1287; VMNW], niet enen van alder ulucht ‘niet één uit heel de zwerm’ [1287; VMNW].
Mnd. vlucht ‘het vliegen; zwerm vogels’ (nnd. flugt, door ontlening nhd. Flucht ‘zwerm vogels; rechte lijn’); nfri. flecht; oe. flyht (ne. flight); < pgm. *fluhti-.
Afleiding van de wortel van *fleugan-, zie → vliegen, met *-gt- > *-ht- door Primärberührung.
vluchtig 2 bn. ‘vergankelijk; oppervlakkig’. Mnl. vluchtich ‘onrustig, vlug’ in een licht wijf, ghemalsch ende vluchtich, ongedoochsam van rusten ‘een lichtzinnige vrouw, druk en wispelturig, rusteloos’ [ca. 1425; MNW], vluchtich ‘snel, bedrijvig’ [1477; Teuth.]; vnnl. vluchtig ‘vergankelijk, oppervlakkig’, van schriftelijke of mondelinge uitingen, in tot versterckine zynder vluchtiger memoriën ‘ter versterking van zijn voorbijgaande herinneringen’ [ca. 1568; iWNT], 't geen datmen vluchtich spreect ‘dat wat men terloops zegt’ [1610-19; iWNT], of van vloeistoffen, in een vluchtigh nat ‘een snel verdampend vocht’ [1632; iWNT]; nnl. vlugtige olien [1854; iWNT]. Afleiding van vlucht met het achtervoegsel → -ig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vlucht1* [het vliegen] {vlucht(e), vlocht(e) 1287} middelnederduits flucht [hevige beweging, vlug], oudhoogduits flucchi [geschikt om te vliegen], oudengels flycge (engels fledge [van veren voorzien]); van vliegen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlucht 2 znw. v. ‘het vliegen, snelle beweging, zwerm’, mnl. vlucht v., mnd. nhd. flucht, oe. flyht is een afl. van vliegen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vlucht znw., mnl. vlucht v. “ontvluchting, het vliegen, snelle beweging, zwerm”. = onfr. flucht v. “refugium”, ohd. os. fluht v. “het vluchten” (mnd. nhd. flucht ook “het vliegen, vlucht vogels”), ofri. flecht v. “id.”, ags. flyht m. “het vliegen” (eng. flight ook “het vluchten”). Een formatie als tucht. Hoort deels bij mnl. vlien enz. (zie vlieden) deels bij vliegen. Op germ. *þluχtan- berust on. flôtti m. “het vluchten, de vluchtenden”. Nog anders gevormde abstracta zijn got. þlauhs m., ags. flêam (þlauχ-ma- of -ӡ-ma-) m. “het vluchten”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vlucht. Bij mnl. vlucht v. schrap de bet. ‘zwerm’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1vlug s.nw.
1. Handeling van te vlieg. 2. Swerm voëls wat saamvlieg. 3. Geleentheid dat 'n mens vlieg.
Uit Ndl. vlucht (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1670 in bet. 3).
D. Flucht (17de eeu), Eng. flight (900).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vlucht* het vliegen 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut