Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlot - (drijvend, vloeiend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vlot 2 bn. ‘drijvend; beweeglijk, snel’
Mnl. int vlot, ant vlot ‘drijvende, zich op het water bevindende’ in (Zij) die scepen int vlot leggen ‘die schepen voor de vaart gereed maken’ [1436-43; MNW], Ghelyken dattet meerblat Altoes boven is an tvlot ‘zoals de waterlelie altijd op het wateroppervlak drijft’ [1470-90; MNW-R]; vnnl. vlot (bn.) ‘drijvend (van schepen)’, overdrachtelijk in met zynder gracien vlot ‘met Zijn overvloedige gratie’ [1511; iWNT], in wanneer eeneghe ballasters vlot ligghen ‘als (daar) enige ballastschepen liggen te drijven’ [1555; iWNT], 't schip in 't vlot te brengen [1569; iWNT], ‘beweeglijk, wankelend, zonder haperen e.d.’ in Zoo werdt de tonge vlot ‘zo kwam de tong los’ [1624; iWNT], diens vlotte wigge boeght na ... ‘zijn snelle boegpunt vaart naar ...’ [1634; iWNT wig I], Zoo word mijn vlotte geest gedreven heen en weêr ‘... mijn wankelende geest ...’ [1639; iWNT], Hunne vlotte zielen ‘hun in vervoering gebrachte zielen’ [1644; iWNT]; nnl. ‘snel’ in ik ... ging ... zonder verdere Ceremonien te maken ... vlot ten Huizen uit [1731; iWNT], als het zoo vlot mag gaan [1808; iWNT], ‘beweeglijk, extrovert e.d.’ in Ze was knap, modern, vlot [1931; iWNT].
Het bn. vlot is als predicatief bn. ontstaan door verkorting van de Middelnederlandse uitdrukking int vlot, ant vlot (liggen, sijn enz.) ‘drijvende (zijn)’, waarin vlot het zn.vlot 1 is, dat buiten deze uitdrukking niet in deze betekenis voorkomt.
In de oorspr. betekenis ‘drijvende’ komt het woord nog steeds voor in verbindingen als vlot komen, raken, enz. ‘(weer) voldoende water onder zich krijgen om te kunnen drijven of varen’. De verbinding (iets) vlot trekken heeft bovendien een figuurlijke betekenis ‘(een gestagneerd proces) weer op gang brengen’. In deze betekenis is het woord door het Duits ontleend als flott (werden) ‘vlot raken’. Buiten deze vaste verbindingen kreeg vlot allerlei overdrachtelijke betekenissen die teruggaan op de beweeglijkheid van een niet meer vastliggend schip. Zie ook → flut.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vlot2* [drijvend, vloeiend] {1517} hetzelfde woord als vlot1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlot 2 bnw., in de 16de eeuw vlot ‘vloeibaar’?, mnd. vlot ‘drijvend’ (> nhd. flott), fri. flot, een scheepsterm uit uitdrukkingen vlot worden gevormd bij vlotten. — De uitdrukking vlot leven stamt uit de studententaal (vgl. nhd. flott leben sedert de 18de eeuw).

Men kan echter ook denken aan de mnl. uitdrukking ant vlot sijn ‘drijven, vlotten’, vgl. oe. on flote (ne. afloat).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vlot II bnw. Nog niet bij Kil. Een ook ndd. (vandaar nhd. flott) fri. bnw. Ontstaan (op een dgl. wijze als ’t bijw. weg II) uit mnl. ant vlot in ant vlot sijn “drijven, vlotten”, waarin vlot = vlot I is.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vlot II bnw. Reeds in de 16e eeuw een bnw. vlot (‘vloeibaar’?). Sluit zich aan bij vlotten; invloed van de zeldzame mnl. verbinding ant vlot zal bij het opkomen van dit ww. en van het bnw. nauwelijks in het spel zijn geweest.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

flot, bw., bn.: vlug, snel. D. flott ‘vlug, snel’. Het woord stamt uit de Ndd. zeemanstaal flot ‘vlot, vlietend, vloeiend’, van het ww. vlieten, D. fließen.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3vlot b.nw.
1. Maklik, vinnig, sonder moeilikhede. 2. Drywend.
Uit Ndl. vlot (1624 in bet. 1, 1630 in bet. 2).
D. flott (17de eeu).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vlot worden, wil zeggen: vlietende, vlottende worden; vlotten is een versterkte caus. van vlieten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vlot ‘drijvend, vloeiend; handig, gemakkelijk’ -> Duits flott ‘(scheepvaart) als het schip niet vastgelopen is, maar ongehinderd drijven kan; vrij, los, grappig’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens flot ‘(scheepvaart) als het schip niet vastgelopen is, maar ongehinderd varen kan; leuk, mooi, goed, royaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors flott ‘drijvend’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds flott ‘drijvend op water; vrijgevig, ongedwongen, soepel verlopen, stijlvol, elegant, modieus, deftig’ (uit Nederlands of Nederduits); Menadonees flot ‘vloeiend, snel’; Surinaams-Javaans flot ‘vloeiend’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vlot* drijvend, vloeiend 1517 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal