Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlot - (drijvend plankier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vlot 1 zn. ‘drijvend samenstel van stammen e.d.
Mnl. vlot ‘klein vaartuig waarmee waren van en naar een markt worden gebracht’ in de samenstelling vlotscip [1252; MNW] (ulotscip [1199; ONW], zie onder), als simplex in alrehande vlot ‘alle soorten vlotten’ [1301; MNW], ‘drijvend samenstel van stammen’ in die scepen ende die vlotten van houte ‘de schepen en de houtvlotten’ [1485; MNW]; vnnl. vlot ‘id.’ voor goederenvervoer [1586; iWNT].
Ablautend zn. bij → vlieten, oorspr. ‘drijven; stromen’. Met dezelfde ablautstrap ook mnl. vloten ‘drijven, dobberen (o.a. van schepen)’ [1240], zie → vlotten.
Mnd. vlot (o.) ‘room’ (< ‘wat bovendrijft’); nfri. flot ‘drijvend plankier’; oe. flot (o.) ‘zee’; on. flot (o.) ‘het drijven; (bovendrijvend) vet’; < pgm. *fluta-. Zie → vloot 1 voor enkele andere Germaanse woorden voor ‘vlot’.
De lengte van de -o- in de Oud- en Middelnederlandse vindplaatsen van vlotscip ‘vaartuig’ is onzeker; daarom kan het eerste lid in deze samenstelling ook bij mnl. vloten ‘over water vervoeren’ horen. In de onafhankelijk gevormde samenstelling vnnl. vlotschuyt ‘vrachtvaartuig zonder boord en mast (Amsterdam)’ [1555; iWNT] is het eerste lid zeker het zn. vlot.
De oudste betekenis van mnl. vlot is ‘klein, ondiep vaartuig voor lokaal goederenvervoer’. Voor het vervoer over water van grote hoeveelheden hout, zoals stammen, balken, masten e.d., bond men deze aan elkaar tot een drijvend geheel dat vlot wordt genoemd (later ook houtvlot). Deze benaming werd vervolgens ook toegepast op vaartuigen die op dezelfde wijze gebouwd zijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vlot1* [drijvend plankier] {1301 in de betekenis ‘het vlieten, klein vaartuig, vloot, vloed’} ablautend bij vlieten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlot 1 znw. o., mnl. vlot o. (2de nv. vlōtes, later ook vlottes) ‘het drijven, stroom, klein vaartuig, vlot’, mnd. vlot o. ‘vlot, room’, fri. flot ‘vlot’, oe. flot o. ‘zee’, on. flot o. ‘het stromen; bovendrijvend vet’ < germ. *fluta-. Daarnaast abl. ohd. flōʒ m. ‘stroming, boot, schuit’ (nhd. floss o. ‘vlot’), oe. flīete ‘pontonium’, vgl. nog *fluti in ohd. fluʒ (nhd. fluss), os. fluti m. ‘stroom’. — Alle afl. van vlieten.

De bet. ‘room’ als het bovendrijvende vinden wij in mnd. vlot en abl. oe. flīete, on. flautir v. mv. ‘soort van melkspijs’, nnoorw. fløyte, nzw. dial. fløter, nde. flöde; vgl. ook Kiliaen vlotemelck ‘afgeroomde melk’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vlot I znw. o., mnl. vlot (gen. vlōtes, ook al naar den nomin. accus. vlottes) o. “het drijven, stroom, klein vaartuig, vlot”. = mnd. vlot o. (m.?) “vlot; room”, fri. flot “vlot”, ags. flot o. “zee”, on. flot o. “het stroomen, bovendrijvend vet”, germ. *fluta-, ablautend met vlieten. Hiernaast vroegnhd. flotz m. “vlot”, ohd. flôӡ m. “strooming, boot, schuit” (nhd. floss o. “vlot”), ags. flîete (m.?) “pontonium”. Verwante vormen met de bet. “ vlot” zijn bij vloot te vinden. Een stam *fluti- in ohd. fluӡ (nhd. fluss), os. fluti m. “stroom”. De bet. “room” (“wat bovendrijft”) vertoonen evenals mnd. vlot ook ags. flîete v., on. flautir v. mv.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vlot I znw. (slot). Vgl. ook Kil. vloten, vlooten, vlieten ‘afromen’ (nog dial., althans de 1e en 3e vorm), vlote-melck ‘afgeroomde melk’, ook ‘geronnen melk’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vlot o., Mnl. id. (gen. vlotes) + Ndd. id., Fri., Ags., De. flot, Zw. flott: van denz. stam als ʼt v.d. van vlieten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2vlot s.nw.
1. Versameling balke, planke, bome, ens. wat aan mekaar vasgemaak is en as vervoermiddel in water gebruik word. 2. Soortgelyke versameling as reddingsmiddel of steier vir herstelwerk aan die buitewand van 'n skip. 3. Sierwa.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. vlot (1586 in bet. 1, 1594 in bet. 2). Ndl. vlot hou verband met vlieten 'stroom, vloei, stort'. Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel na aanleiding daarvan dat vragmotors op so 'n wyse met planke en ander materiaal versier en toegebou word dat dit lyk asof dit oor die grond dryf en daarom wsk. aan 'n vlot op water herinner.
D. Floß (10de eeu), Eng. float (1535).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vlot (Duits flott)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vlot ‘drijvend plankier’ -> Zweeds flott ‘drijvend plankier’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch flot ‘verzameling vlothouten’; Papiaments vlòt ‘drijvend plankier’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vlot* drijvend plankier 1485 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut