Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vloot - (samen varende schepen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vloot 1 zn. ‘groep schepen’
Mnl. vlote ‘dobber, drijver van een visnet’ in Van boekinen vloten ‘voor beukenhouten dobbers’ [1252; MNW], ‘groep schepen’ in de vlote van Vlaendren [1381; MNW trade], inder vlooten van Amsterdamme [eind 14e eeuw; MNW], ook ‘klein ondiep vaartuig’ [1377-78; MNW], vloot ‘vloot’ [ca. 1425; MNW].
Ablautend zn. bij → vlieten, oorspr. ‘drijven; stromen’.
Os. flota (v.) ‘groep schepen’ (mnd. vlote (v. en o.) ‘vlot, klein ondiep vaartuig; groep schepen’); ohd. flozza (v.) ‘drijver van een visnet; vin’ (nhd. Flosse; vnhd. Flotte ‘vloot’ is ontleend aan het Frans); nfri. float ‘groep schepen’; oe. flota (m.) ‘schip; groep schepen’ (ne. fleet is daarentegen afgeleid van het ww. fleet, zie → vlieten); on. floti (m.) ‘vlot; groep schepen’ (nzw. flotte); < pgm. *flutan- ‘drijvend voorwerp’. Zie ook het zn.vlot 1.
Daarnaast staat met historische lange stamklinker (i.p.v. gerekte -o- in open lettergreep) pgm. *flauta-, waaruit: ohd. flōz (o.) ‘drijver; vlot’ (nhd. Floß).
Een ouder Middelnederlands woord voor ‘groep schepen’ was scheepinge [1240; Bern.]. Omdat vloot ‘groep schepen’ pas anderhalve eeuw later is geattesteerd, kan het een leenwoord uit het Oudnoords zijn, zoals ook wordt aangenomen voor Oudnormandisch flote ‘groep schepen’ [eind 12e eeuw; FEW], dat in het Frans tot flotte ‘id.’ heeft geleid. Spaans en Catalaans flota en Italiaans flotta gaan op hetzelfde woord terug. Zie ook → flottielje ‘groep lichte oorlogsschepen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vloot1* [samen varende schepen] {vlote, vloot [stroom, dobber] 1252; de huidige betekenis 1376-1400} middelnederduits vlote, oudengels flota, oudnoors floti, van middelnederlands vloten [stromen, drijven, varen]; ablautend bij vlieten (vgl. engels fleet [vloot]).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vloot 1 znw. v. ‘samenvarende schepen’, mnl. vlōte, vloot v. o. ‘het stromen, vloot’, mnd. vlōte v. ‘het drijven, beweging, vlot, vloot’, oe. flota m. ‘schip, vloot, zeeman’ (ne float ‘vlot’), on. floti m. ‘vlot, vloot’. — Afl. van vlieten. — Uit het germ. fra. flotte, spa. flota, ital. flotta (> nhd. flotte). — Ohd. flozza (nhd. flosse) v. bet. ‘vin’ dus als ‘middel om te zwemmen’.

Hetzelfde woord heeft ook gewestelijk de bet. ‘dobber’, dus ‘drijvend voorwerp’, vgl. nnd. dial. al-flȫtð ‘drijvende biezenbundel om aal te vangen’. Daarmee te vergelijken lit. pludė̃, lett. pludi mv. ‘dobber’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vloot znw. Kil. vlote, mnl. vlōte, vloot v. (o.) “het stroomen, vloot”. = ohd. floȝȝa (nhd. flosse) v. met de afwijkende bet. “vin (drijf-, zwemwerktuig)”, mnd. vlōte v. “het drijven, beweging, vlot, vloot”, ags. flota m. “schip, vloot, zeeman” (eng. float “vlot”), on. floti m. “vlot, vloot”. Ablautend met vliet, vlieten. Zie daar ook voor eng. fleet “vloot”. Uit ’t Germ. fr. flotte, spa. flota, it. flotta (> nhd. flotte v., oudnhd. ook flotta) “id.”. In ’t Ndl.-Ndd. kan ’t woord van ouds inheemsch geweest zijn, maar ook uit ’t Noorsch of evenals boot I uit ’t Eng. komen. Vgl. nog vlot I. Vloot (bakje)gew. vlootje o., is wsch. ’t zelfde woord, met de oorspr. bet. “schuitje”. Evenzoo verklaart zich dial. vloot “tobbe”, terwijl de dial. bet. “dobber” eer op een oudere bet. “vlot” teruggaat: vgl. Kil. vlot van biesen “dobber” en vgl. met umlaut ndd. dial. å̂l-flȫtə “drijvende biezenbundel om aal te vangen”. Zie bij vleet.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vloot. Hierbij ook mnl. vloot (ô) ‘ondiep’, mnd. vlôt ‘vlak’. Dat het znw. vloot(je) de substantivering hiervan zou zijn (het betekent veelal ‘ondiepe bak’), zoals W.de Vries Tschr. 43, 134 wil, is niet aannemelijk wegens de vocaal in holl. vla. diall., die op identiteit met het znw. vloot wijst.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vloot 1 v. (aantal schepen), Mnl. vlote + Ohd. floʒʒa (Mhd. vloʒʒe, Nhd. flosse) = vin, Ags. flota = schip, vloot (Eng. float = vlot), On. floti = vlot, vloot: abl. met den stam van ʼt v.d. bij vlieten. Eng. fleet = vloot, staat formantisch gelijk met ons vliet. Uit Germ. Fr. flotte, It. flotta.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

vloot 2 zn.: troep, gezelschap. Uitdr. bi de vloot, zoals Wvl. bi de vlote ‘bij de vleet’. Ndl. vloot ‘groot aantal schepen > groot aantal’. Merkwaardig is wel dat in het Ndl. bij de vleet het woord vleet niet ‘vloot’ betekent, maar ‘visnet’, dus ‘zoveel als met een visnet opgehaald wordt’. Misschien betekent Zeeuws vloot, Wvl. vlote ook ‘vleet’; vgl. vloot 1 = vleet ‘rog’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

vloot 2 (ZV), zn.: troep, gezelschap. Uitdr. bi de vloot, zoals Wvl. bi de vlote 'bij de vleet'. Ndl. vloot 'groot aantal schepen > groot aantal'. Merkwaardig is wel dat in Ndl. bij de vleet het woord vleet niet 'vloot' betekent, maar 'visnet', dus 'zoveel als met een visnet opgehaald wordt'. Misschien betekent Zeeuws vloot, Wvl. vlote ook 'vleet'; vgl. vloot 1 = vleet 'rog'.

vlotte (E), zn. v.: overvloed. Zie vloot 2.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

vlote 3 (B, D, K, O, P, R), zn. v.: grote hoeveelheid, overvloed; bij de vlote: bij de vleet. Vlote, Ndl. vloot ‘groot aantal schepen’ > ‘groot aantal, menigte’. Merkwaardig is wel dat in de uitdr. bij de vleet, het woord vleet niet ‘vloot’ betekent, maar ‘visnet’, dus ‘zoveel als met een visnet opgehaald wordt’. Misschien betekent vlote in Wvl. bij de vlote ook ‘vleet’, vgl. vlote = vlete ‘rog’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vloot: aantal skepe/vliegtuie; seemag/lugmag; Ndl. vloot (Mnl. vloot/vlōte, by Kil vlote), vgl. Hd. flosse en flotte, Eng. float en fleet, hou verb. m. Ndl./Afr. vliet(en), “op water dryf”, en vlot, “houttoestel wat op water dryf”; v. ook vleet, asook vlootjie.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vloot, van ’t Fr. flotte, dat weer ontleend is aan een Germ. woord voor vloot (Angels. floto), afl. van vlieten = drijven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vloot ‘samen varende schepen’ -> Duits Flotte ‘samen varende schepen’ (uit Nederlands of Nederduits); Oost-Jiddisch flotn, flottes ‘samen varende schepen’ <via Russisch>; Zweeds flotta ‘samen varende schepen’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools flota ‘samen varende schepen’ (uit Nederlands of Duits); Russisch flot ‘samen varende schepen’; Lets flote ‘samen varende schepen’ <via Duits>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vloot* samen varende schepen 1376-1400 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

pleu- ‘rinnen (und rennen), fließen; schwimmen, schwemmen, gießen; fliegen, flattern’, wohl Erw. von pel- ‘fließen, schwimmen’, und ursprüngl. ds. wie pel(eu)- ‘füllen voll’ (‘Überfluß, überfließend’), plu-to- ‘schwimmend’, plu-ti- ‘das Überfließen’, plou̯i̯om ‘Fahrzeug’, plóu̯o-s ‘das Schwimmen’, plou̯ó-s ‘Schiff’

Ai. plávatē ‘schwimmt, schwebt, fliegt’ (= gr. πλέω, lat. perplovēre, aksl. plovǫ), pravatē ‘springt auf, eilt’ (hier und in av. ava nifrāvayenta ‘sie lassen im Fluge heimkehren’, usfravā̊nte ‘(die Wolken) steigen auf’ kann auch ein idg. preu- ‘springen’ vorliegen); Kaus. plaváyati ‘läßt schwimmen, überschwemmt’ (= serb. ploviti, ahd. flouwen, flewen);
dehnstufig ai. plāváyati ‘läßt schwimmen’, av. usfrāvayōit ‘daß er wegschwemmen könnte’ (= aksl. plavljǫ, plaviti ‘schwimmen lassen, schwemmen’);
plavá- ‘schwimmend; m. Boot, Nachen’ (= russ. plov·); plutá- ‘überschwemmt’ (= gr. πλυτός ‘gewaschen’), pluti- f. ‘Überfließen, Flut’ (= gr. πλύσις ‘das Waschen’), uda-pru-t- ‘im Wasser schwimmend’;
arm luanam, Aor. luapi ‘waschen’ (*plu()a-);
gr. πλέ(ϝ)ω (ἔπλευσα, πλεύσομαι) ‘schiffe, schwimme’ (Inf. ion. πλέειν, πλῶσαι ‘schiffen’, aber πλώειν, πλῶσαι ‘schwimmen’); ion. πλόος, att. πλοῦς m. ‘Schiffahrt’, (=klr. plov), πλοῖον ‘Fahrzeug’ (= aisl. fley ‘Schiff’); πλύ̄νω ‘wasche’ (*πλῠ-ν-ι̯ω; Fut. πλῠνῶ, Aor. Pass. ἐπλύθην), πλυνός m. ‘Waschgrube’, πλύμα n. ‘Spülicht’, πλυτός, πλύσις (s. oben); πλοῦτος m. ‘Fulle, Reichtum’; von der Dehnstufe plō[u]- außer πλώειν, πλῶσαι (s. oben), ἐπέπλων ‘beschiffte’, πλωτός ‘schwimmend, fahrbar’, hom. δακρυπλώειν ‘in Tränen schwimmen’ (von *δακρυπλώς);
illyr. FlN Plavis: lit. See N. Plavõs;
lat. perplovēre (Fest.) ‘durchsickern lassen, leck sein’, plovēbat (Petron.), pluit, -ere ‘regnen’; pluvius, pluor ‘Regen’;
air. loun ‘Reisekost’, loan, loon ‘adeps’ (*plou̯eno-; s. unten mnd. flōme); air. lu- ‘bewegen’, Abstr. luud ‘Antrieb’, luud ‘aries = Mauerbrecher’; auch cét-lud ‘coitus’; ess-com-lu- ‘proficisci’, ess-lu- ‘fortgehen, entkommen’, fo-lu- ‘fliegen’, lūamain ‘das Fliegen’, lūath ‘schnell’, lūas ‘Schnelligkeit’; air. lū(a)ë f. ‘Steuerruder, Ferse, Schwanz’, (*pluu̯i̯ā), cymr. llyw ‘Herrscher, Steuer, Schwanz’, acorn. loe ‘Herrscher’, mir. lūam ‘Steuermann’, cymr. llong-lywydd ds., bret. levier ds.;
ahd. Kausat. flouwen, flewen ‘spülen, waschen’ (= ai. plaváyati), aisl. flaumr ‘Strömung’, ahd. floum ‘colluvies; Fett (obenschwimmend)’, mnd. flōme f. ‘rohes Bauch- und Nierenfett’, nhd. Flom, Flaum m. ds., aisl. fley (= πλοῖον, *plou̯iom) n. ‘Schiff’; aisl. flūð f. ‘blinde Klippe’ (d. i. ‘überflutete’; ū : ō[ū] : ēu); plē- in mhd. vlǣjen ‘spülen’; plō[u]- in aisl. flōa, ags.flōwan ‘überfließen’, got. flōdus (: πλωτός), aisl. flōð f. n., ahd. fluot ‘Flut’, aisl. flōi m. ‘Sumpf’;
lit. Kausat. pláuju, plóviau, pláuti ‘waschen, spülen’, Fut. pláusiu (*plōusi̯ō); plū́tis ‘offene Stelle im Eise’; plevėsúoti ‘flattern’;
aksl. plovǫ, pluti ‘fließe, schiffe’, plujǫ ‘schwimme’, Kaus.-Iter. serb. plòviti ‘schwemmen, schwimmen’, russ. plov ‘Boot’, klr. plov ‘natātiō’, dehnstufig aksl. plaviti ‘schwimmen lassen’, -sę ‘navigare’, plavati ‘schwimmen’; serb. plȕta f., plȕto n. ‘Kork’; *plū- im Inf. russ. plytь, serb. plȉti;
toch. А В plu- ‘fliegen, schweben’, В plewe ‘Schiff’.
Erweiterungen:
pleu-d-: air. im-lūadi ‘exagitat’, imlūad ‘agitatio’, for-lūadi ‘schwenkt’, lūaid- ‘bewegen, erwähnen, äußern’; dazu mir. loscann ‘Frosch’ (‘Springer’); aisl. fljōta, ags. flēotan, as.fliotan, ahd. fliozan ‘fließen’; ags. flotian ‘schwimmen’, flota ‘Schiff’, floterian ‘to flutter’, änhd. flutteren ‘volitāre’; fragwürdig ist die Anreihung von got. flauts ‘prahlerisch’, flautjan ‘sich großmachen’, ahd. flōzzan ‘superbire’; lit. pláudžiu pláusti ‘waschen, reinigen’, lett. plaûst ds., lit. plústu, plū́dau, plū́sti ‘strömen, fluten, überfließen’, pludė̃ ‘Schwimmholz’, plūdìmas ‘das Strömen, Überfließen’, lett. pluduôt ‘obenauf schwimmen’, pludi, pludińi ‘Schwimmhölzer’, plûdi Pl. ‘Überschwemmung, Flut’, plūdît ‘ergießen, strömen; bewässern’; lit. plúostas ‘Fähre’ (*plōud-tā), pláustas ds. (*ploud-tā).
pleu-k-: schwed. norw. fly ‘Moor, Pfütze’ (*fluhja-); aisl. fljūga, ags. flēogan, ahd. fliogan ‘fliegen’ (die Beseitigung des gramm. Wechsels wohl durch Differenzierung gegen fliehen = got. þliuhan); dazu ags. fleoge, aisl. fluga, ahd. flioga ‘Fliege’; dissimil. aus germ. *flug-la- (vgl. ags. flugol ‘fugax’) wohl die Wörter für ‘Vogel’: aisl. fugl, fogl, got. fugls, m., ags. fugol, as. fugal, ahd. fogal m.; lit. plaũkti ‘schwimmen’; plùnksna f. ‘Feder’, älter plū́ksna.

WP. II 94 f., WH. II 326 f., Trautmann 223 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal