Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vloeken - (godslasteringen uiten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vloeken ww. ‘godslasteringen uiten’
Onl. fluokon ‘(iemand) vervloeken, kwaad toewensen’ in of fiunt flukit (lees flukti) mi ic tholodit (lees tholodi it) geuuisso ‘als de vijand mij vervloekte, ik zou het zeker verdragen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. vloeken, ook met een zaak als lijdend voorwerp ‘verwensen’ in dat ... ic die sonden uloeke ‘dat ik de zonden verwens’ [1265-70; VMNW], of met God in die sinen god. Vloeket ‘die zijn God lastert’ [1285; VMNW], en onovergankelijk ‘een vervloeking uitspreken’ in Al sloechmenne hi ne vloecte niet ‘al sloeg men hem, hij vloekte niet’ [1285; VMNW]; nnl. vloeken ook ‘een onaangenaam contrast vormen’ in Aanplakbiljetten van den meest tegenovergestelden letterdruk en vloekende kleur [1844; iWNT].
Os. flōkan ‘vloeken’ (mnd. vloken); ohd. -fluochan ‘vloeken’ (nhd. fluchen); ofri. alleen urflōkin ‘vervloekt’ (nfri. flokke); oe. flōcan ‘(de handen) samenslaan van verdriet’; got. *flōkan (alleen in de vervoeging faiflōkun ‘zij betreurden’); < pgm. *flōkan-. De oorspr. betekenis is ‘slaan’, zie ook de Indo-Europese verwanten. De hieruit ontstane betekenis ‘(iemand) vervloeken, kwaad toewensen’ is vergelijkbaar met de betekenissen van verstoten en verslaan. Oudengels flōcan ‘(de handen) samenslaan van verdriet’ heeft de fysieke betekenis behouden; ten slotte is uit een met het Oudengels vergelijkbare betekenis de Gotische betekenis ‘(een persoon) betreuren’ ontstaan (één attestatie).
Verwant met: Latijn plangere ‘slaan; treuren, weeklagen’ (uit een nasaalpresens *plh2-n-g-); Grieks plázein < *plangye- ‘slaan; uit de koers slaan, doen dwalen’; bij de wortel pie. *pleh2g- ‘slaan’ (LIV 484).
In het Middelnederlands werd vloeken ook sterk vervoegd (vliec, gevloeken). De oudste betekenis in het Nederlands is ‘(iemand) onheil toewensen’, een betekenis die met een zaak als lijdend voorwerp overging in ‘verwensen’; deze beide betekenissen horen tegenwoordig bij de afleiding vervloeken. Als onovergankelijk werkwoord betekende vloeken ‘een vervloeking uitspreken’ en in het bijzonder ‘goddelijk onheil afroepen’, hetzij over een ander, hetzij over zichzelf. In het Nieuwnederlands heeft vloeken overwegend de betekenis ‘de naam van God ijdel gebruiken’ of ‘een krachtterm gebruiken’ gekregen. Het vloeken van kleuren berust op een vergelijking met het onaangename contrast tussen vloek en algemeen, neutraal taalgebruik.
vloek zn. ‘verwensing, godslastering’. Onl. fluok ‘verwensing, vervloeking’ in ic gesag unreht in fluoc an burgi ‘ik zag onrecht en vervloeking in de stad’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. vloec in Ende gaf hem meneghen vloec niet clene ‘en voegde hem menige stevige vloek toe’ [1285; VMNW]. Afleiding van vloeken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vloeken* [krachttermen gebruiken] {vlo(e)ken 1201-1250} oudsaksisch flokan, oudhoogduits fluohhan, oudfries floka, oudengels flocan [in de handen slaan], gotisch flokan [beklagen]; buiten het germ. latijn plangere [slaan, zich op de borst slaan ten teken van rouw, luid jammeren], grieks plèssein [slaan], litouws plakti [slaan], oudkerkslavisch plakati [huilen], middeliers lén [klacht] (vgl. plaag).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vloeken ww. mnl. vloeken, onfrank. flukit ‘maledixissit’ (waarsch. verschreven vorm), os. verl. deelw. farflōkan, ohd. verl. deelw. farfluahhan ‘malignus’ en fluohhōn (nhd. fluchen), ofri. verl. deelw. ūrflōkin ‘vloeken, verwensen’, oe. flōcan ‘in de handen slaan’, got. praet. faiflōk ‘bejammerde’. Vgl. on. flōkinn ‘verward, verwikkeld’, flōki m. ‘vlok, vilt’. — Men moet uitgaan van een grondbet. ‘slaan’, waaruit enerzijds de bet. ‘vilt’, dat door slaan samengestampt wordt, anderzijds ‘met de handen op de borst slaan’ (vgl. got. als vertaling van koptésthai) en daar ook bij het vervloeken een handgebaar gemaakt werd (vgl. oe. flōceð hyre folmum) ontstond de bet. ‘vervloeken’. — Van idg. wt. *plā̆g ‘slaan’, vgl. lat. plangō ‘slaan’, plangi ‘klagen’, eig. ‘zich op de borst slaan’, plāga ‘slag’, gr. plḗgnūmi ‘slaan’, plēgḗ ‘slag’ (IEW 832); daarnaast ook *plā̆k, waarvoor zie: vlaag. — Misschien ook te verbinden flakkeren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vloeken ww., mnl. vloeken, onfr. *fluocan (flukit “maledixisset”, blijkbaar ver-schreven), ohd. *fluohhan (verl. deelw. ar-, far-fluahhan “malignus”, overigens fluohhôn, nhd. fluchen), os. *flôkan (verl. deelw. far-flôkan), ofri. *flôka (verl. deelw. ûr-flôkin) “vloeken, verwenschen”. = ags. flôcan “in de handen slaan”, got. *flokan (praet. faiflok) “bejammeren”. Van de idg. basis plā̆g- ”slaan”: vgl. bij vlaag, ook voor de bet.-ontwikkeling “slaan” > “jammeren”; de bet. “vloeken” kan uit “jammeren” ontstaan zijn; ook kunnen we van “zich op de borst slaan (en daarbij een vervloeking uiten)” uitgaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vloeken ono.w., Mnl. id., Os. flôkan + Ohd. fluohhan (Mhd. vluochen, Nhd. fluchen), Ags. flócan (= in de handen slaan), Ofri. flóka, Go. flokan (= beklagen) +Gr. plḗssein (d.i. plākjein = slaan), Lat. plangere (= zich op de borst slaan, klagen), plaga = slag, Osl. plakati = klagen, Lit. plakti = slaan: Idg. wrt. pleq en wrt. pleɡ.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vloke (ww.) vloeken; Aajdnederlands fluokon <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2vloek ww.
1. Godslasterlike taal of kragwoorde gebruik. 2. Verwens. 3. 'n Erge kontras vorm.
Uit Ndl. vloeken (1526 in bet. 1, 1637 in bet. 2, 1844 in bet. 3).
D. fluchen (9de eeu).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

vloeken. In de 19de eeuw is de uitroep vloek op, vloek over! ‘de of het genoemde zij vervloekt’ bekend.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vloeken, van den Germ. wt. flok, Voorgerm. plag = slaan, en wel: op de borst slaan bij groot verdriet, waarbij men soms verwenschingen (= vervloekingen) uit; hierdoor ging de oude bet. van slaan in die van verwenschen over.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vloeken ‘godslasteringen gebruiken’ -> Negerhollands vloek, fluk, vluek ‘uitschelden, godslasterende woorden spreken, krachttermen gebruiken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vloeken* godslasteringen gebruiken 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut