Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vloed - (stroom vloeistof; opkomend tij, hoog water)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vloed zn. ‘stroom vloeistof; opkomend tij, hoog water’
Onl. fluot ‘het stromen, het vloeien; waterstroom, rivier’ in Lut fluodi sinro ‘het geluid van zijn (zee)stroming’, an fluode ouirlithon solun mit fuoti ‘bij de rivier zullen zij te voet oversteken’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. vloet, vluet, vlut ‘het stromen; overstroming’ [1240; Bern.], eer dat schep te lande quam So hif en storm fel ende gram Die so uerhif die seewsche vloet Dat si dat schep so voert verloet ‘voor het schip aan land kwam, stak een woedende storm op, die de vloed zo opjoeg dat deze het schip dadelijk bedolf’ [1265-70; VMNW], het ne dade tempeste van vlode ‘tenzij veroorzaakt door een overstromingsramp’ [1278; VMNW], ‘opkomend tij’ in die vloet coemt dan so saen Ende loept oec mede so dapperlike, Dat ors en es dat hare ontstrike ‘de vloed komt dan zo snel op en stroomt ook zo sterk dat er geen paard is dat eraan kan ontsnappen’ [1300-25; MNW-R], Als nu eist ebbe, als nu eist vloet ‘als het nu eens eb is, dan weer vloed’ [1350-1400; MNW-R].
Afleiding van de wortel van → vloeien, zoals → draad bij → draaien.
Os. flōd (mnd. flöte); ohd. fluot (nhd. Flut); ofri. flōd (nfri. floed); oe. flōd (ne. flood); on. flóð (nzw. flod); got. flodus; < pgm. *flōdu-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vloed* [wassend water, stroom] {oudnederlands fluod 901-1000, middelnederlands vloet} oudsaksisch, oudengels flōd, oudhoogduits fluot, oudnoors flōð, gotisch flodus; van vloeien.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vloed znw. m., mnl. vloet v. m. ‘stroom, wassend water’, onfrank. fluod m. v.? ‘flumen’, os. flōd m. v., ohd. fluot v. (nhd. fluss m.), ofri. oe. flōd m. o. (ne. flood), on. flōð o., got. flōdus ‘vloed’ < germ. *flōðu-, flōða-, waarnaast *flōði in on. flœðr v. ‘stroom’, vgl. ook ohd. flōder ‘stroom van zweet’ (nhd. fluder m. o.). — Germ. *flōða- = gr. plōtós ‘zwemmend, bevaarbaar’, beide met ô < ōu, hochstufe van wt. *pleu ‘stromen, zwemmen, gieten; vliegen’, vgl. oi. plávate ‘zwemmen, zweven, vliegen’, gr. plé(F)ō ‘varen, zwemmen’, lat. perplovēre ‘laten doorsijpelen’, pluit ‘het regent’, oiers lūamain ‘vliegen’, lūath ‘snel’, lu(a)e v. ‘riem, hiel, staart’, lit. caus. pláuju, plóviau, pláuti ‘wassen, spoelen’, osl. plovą, pluti ‘stromen, varen’, toch. AB plu- ‘vliegen, zweven’, Β plewe ‘schip’ (IEW 835-7).

Van deze wortel zijn nog afgeleid: *pleud zie: vlieten, *pleuk zie: vliegen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vloed znw., mnl. vloet (d) v. m. “stroom, wassend water”. = onfr. fluod (m. v.?) “flumen”, ohd. fluot (nhd. flut) v., os. flôd m. v., ofri. ags. flôd m. o. (eng. flood), on. flôð o., got. flodus (v.?) “vloed”, germ. *ƒloðu-, *floða-, waarnaast *flôði- in on. flø̂ðr v. “id.”. Evenals ohd. flôder “stroom van zweet” (nhd. fluder m. o., bei. ook v. “een soort goot”) met ô > idg. ô<ôu. Evenzoo gr. plōtós “varend, drijvend, zwemmend, bevaarbaar”, misschien ook lat. plôro “ik ween luid” (oorspr. “ik zwem in tranen”?), dat echter evengoed idg. plowes- kan bevatten en ook nog anders wordt opgevat. Ook hoort hierbij ’t ww. vloeien.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vloed m., Mnl. vloet, Onfra. fluod, Os. flôd + Ohd. fluot (Mhd. vluot, Nhd. flut), Ags. flód (Eng. flood), Ofri. flód, On. flóþ (Zw. en De. flod), Go. flodus: staat tot vloeien als naad tot naaien.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vloed s.nw.
1. Oorstroming. 2. Hoogwater. 3. (geneeskunde) Menstruasie. 4. Groot hoeveelheid, menigte.
Uit Ndl. vloed (1540 in bet. 1, 1552 in bet. 2, 1659 in bet. 3, 1704 in bet. 4).
D. Flut (8ste eeu), Eng. flood (1000), Fr. flot (12de eeu).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vloed (witte --) (vert. van Latijn fluor albus)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vloed, van vloeien, als naad van naaien, gloed van gloeien, enz.; dit vloeien van den Idg. wt. plo = stroomen, verwant met pleu, zie Vlieten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vloed ‘wassend water, stroom’ -> Deens flod ‘rivier’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors flod ‘vloed; rivier’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds flod ‘wassend water, stroom, rivier’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins luode ‘wassend water’ ; Frans flot ‘water dat in beweging is, iets dat golvend is; grote hoeveelheid gestort water’; Javindo floed ‘wassend water’; Berbice-Nederlands flutu ‘wassend water, stroom’; Sranantongo frudu (ouder: fludu) ‘wassend water, stroom’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vloed* wassend water, stroom 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut