Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlo - (insect van de orde Siphonaptera)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2018

Vlooien

“Het is bekend, dat deeze Insecten overvloediger huisvesten by menschen, die veel zweeten, en weinig verschooning hebben, dan by reine lieden, en die weinig zweeten (…).” Dit schreef natuuronderzoeker J. le Francq van Berkhey in 1769 over vlooien. Eeuwenlang waren die een plaag voor de mensheid, en was het doodknijpen ervan voor het slapengaan een dagelijks ritueel. “Ik kruipe in mijne vlooibak”, zei men in het Brugse dialect als men naar bed ging. Tegenwoordig denken we bij vlooienbak eerder aan een hond dan aan een bed.
Vlooien hebben grote achterpoten, waarmee ze enorme sprongen kunnen maken. De Nederlandse benaming gaat, evenals het Duitse Floh, het Engelse flea en het Franse puce, terug op een Indo-Europees werkwoord dat ‘springen’ betekent. Bijzonder aan vlo is de meervoudsvorm vlooien, met de j-achtige tussenklank die we ook horen en gespeld zien in koeien. De naast vlo bestaande vorm vlooi is van dit meervoud afgeleid.

Spel
Vlooien zitten in diverse Nederlandse woorden. Neem nu vlooienmarkt (‘markt van gebruikte spulletjes’). In 1885 werd in de Parijse stadswijk Saint-Ouen voor het eerst zo’n markt gehouden. De kooplieden werden spottend ‘puciers’ genoemd, ‘handelaars in vlooien’, vanwege het ongedierte in de aangeboden waren. De markt zelf kreeg de benaming marché aux puces, en ontwikkelde zich tot een toeristische attractie. Aldus raakten in omringende landen ‘flea markets’, ‘Flohmärkte’ en ‘vlooienmarkten’ in zwang. De Engelse, Duitse en Nederlandse woorden zijn leenvertalingen uit het Frans.
Een ander voorbeeld is vlooienspel. Hierbij is het de bedoeling alle fiches in zo min mogelijk beurten in een bakje te laten belanden. In 1888 werd het spel in Engeland op de markt gebracht als Tiddledy Winks, en onder deze naam werd het ook in Nederland geïntroduceerd. De benaming vlooienspel, geïnspireerd door het ‘springen’ van de fiches, moet in de spreektaal kort daarna al in omloop zijn geraakt. Dat blijkt uit een gefingeerd gesprek tussen Sinterklaas en een winkelier, in De Tijd van 9 november 1891. Omdat volgens de Sint “in een netten kring het woord vloo niet [mag] worden genoemd”, geeft hij de voorkeur aan knipspel. De winkelier: “Welnu, noem het dan knipspel, goedheiligman, maar ik verzeker u, dat mij een dame eens is komen vragen naar zoo’n vlooienspel, ik kende het toen zelf nog niet onder die benaming.” Andere vroege benamingen waren Kat en muis, Fling Flang, Je bent de sigaar en Wipspel. Pas in de jaren veertig kwam het spel onder de naam Vlooienspel in de handel.

Ukelele
Een woord dat op een verrassende manier met vlooien te maken heeft, is ukelele. Die benaming voor een klein snaarinstrument is via het Engels tot ons gekomen, maar stamt oorspronkelijk uit het Hawaïaans, waarin het een samenstelling is van uku (‘vlo’) en lele (‘springend’). De benaming gaat terug op het snelle verspringen van de vingers tijdens het bespelen van het instrument. De ukelele zelf stamt uit Portugal. Hij werd in 1879 in Hawaï geïntroduceerd door drie Portugese immigranten die op de suikerplantages kwamen werken. Het muziekinstrument werd op de eilandengroep zó’n groot succes dat de Portugezen van het bouwen ervan hun beroep maakten. In het begin van de twintigste eeuw werd de ukelele wereldwijd populair, samen met de Hawaïaanse muziek.
De etymologie is trouwens omstreden. Een andere verklaring is dat het woord teruggaat op uku (‘geschenk’) en lele (‘komen’). Ukelele zou dan betekenen: ‘het geschenk dat is gekomen’. Deze woordverklaring wordt toegeschreven aan koningin Liliuokalani (1838-1917), de laatste regerende monarch van Hawaï en componist van het bekende lied ‘Aloha ’oe’.

Roddelen
Bij apen is het verwijderen van vlooien een belangrijk ritueel voor het vormen van vertrouwensrelaties. Sommige primaten besteden aan dit wederzijdse ‘vlooien’ maar liefst twintig procent van hun tijd. In het voetspoor van Desmond Morris (vooral bekend van zijn boek De naakte aap, 1968) zijn wetenschappers op zoek gegaan naar vlooigedrag bij mensen. Met name op de werkvloer heeft het werkwoord vlooien een overdrachtelijke betekenis gekregen: roddelen, kletsen, koffiedrinken en allerlei andere vormen van sociaal gedrag om de collegiale banden aan te halen. “Hé, is dat niet de vrouw die bij de DE-koffieautomaat met D. zat te vlooien? Zei ik het niet: die steunt D. in het eerstvolgende conflict”, zo stond in 2006 in Intermediair. De antropoloog Robin Dunbar brengt in Vlooien, roddelen en de ontwikkeling van taal (1997) de hypothese naar voren dat taal is ontstaan als een tijdbesparende vorm van vlooien. Laten we daarom de vlo dankbaar zijn.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2017), ‘Vlooien’, in: Onze Taal 5, 19]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vlo zn. ‘insect van de orde Siphonaptera
Mogelijk al onl. als toenaam van Walterus Flo (voor een klein en beweeglijk persoon?) [1174, kopie 1201-10; ONW]; mnl. flo ‘vlo’ [1240; Bern.], vlo in Pulex hete wi die vlo ‘(Latijn) pulex noemen wij de vlo’ [1287; VMNW], meervoud vloen [1287; VMNW], later vloyen in orwormen. lusen of vloyen ‘oorwurmen, luizen of vlooien’ [1351; MNW-P].
Mnd. vlō; ohd. flōh (nhd. Floh); nfri. flie (umlautsvorm uit een oorspr. meervoud); oe. flēah (ne. flea); on. fló; < pgm. *flauha(n)-, *flauhō-‘vlo’. De moderne Noord-Germaanse talen kennen voor de vlo een ander woord, o.a. nzw. loppa, van de stam van → lopen.
Wrsch. verwant met een reeks woorden voor ‘vlo’ in andere Indo-Europese talen: Latijn pūlex ‘vlo’ (o.a. Frans puce); Grieks psúlla; Sanskrit plúṣi- (Hindi pissū); Litouws blusà; Kerkslavisch blŭcha; Russisch bloxá, Tsjechisch blecha (< Proto-Slavisch *blŭcha); Armeens low; Albanees plesht. Een eenduidige reconstructie is niet te geven: pie. *pl(o)us- (Sanskrit, Armeens, Albanees), *puls- (Latijn met metathese, Grieks misschien met volksetymologische invloed van psẽn ‘krabben’), *b(h)lus- (Balto-Slavisch). Pgm. *flauha- < pie. *plou-ko- past hier slechts ten dele bij. Misschien moet men denken aan volksetymologische invloed van de wortel pgm. *fleuh- die ten grondslag ligt aan → vliegen.
Voor een verklaring van de meervoudsvorm vlooien zie Stroop (1997).
vlooien ww. ‘van vlooien bevrijden’. Mnl. vloyen in auctoriteyt Ouer de schapen ... Om scheeren om vloyen ‘gezag over de schapen, om (deze) te scheren of te vlooien’ [1482; iWNT]; vnnl. Dan vloeydt zy den hondt [ca. 1540; iWNT]. Afleiding van vlo.
Lit.: J. Stroop (1997), ‘Vlo en vlooien’, in: E. Elffers (red.), Grammaticaal spektakel, Amsterdam, 219-229

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vlo* [insect] {1287} middelnederduits vlo, oudhoogduits flōh, oudengels flea(h), oudnoors flō; het beeld van de niet-germ. i.-e. talen levert geen klankwettig te onderbouwen verwantschap, maar anderzijds lijkt die toch aanwezig. Verondersteld is dat we te doen hebben met affectieve vervormingen: latijn pulex, grieks psulla, litouws blusa, oudkerkslavisch blŭcha, oudindisch pluṣi-; verwantschap met vlieden (vlood, gevloden), middelnederlands vlien [ontwijken] is denkbaar, wellicht echter heeft dit woord slechts invloed uitgeoefend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlo znw. v., mnl. vlô v., mnd. vlô v., ohd. nhd. floh m., oe. flēah m., flēa m. v.? (ne. flea), on. flō v.

De etymologie is onzeker. Verband met vlieden en dan dus ‘het snelle diertje’ is weinig waarschijnlijk. — In het idg. zijn verschillende aan vlo herinnerende woorden zoals gr. psúlla, psúllos, lat. pulex (< *pusl-ex), arm. lu(<*plusos), osl. blŭcha, lit. blusà ‘vlo’ en verder oi. pluṣi ‘eerder ‘vlo’ dan ‘schadelijk insect’. Meillet MSL 22, 1922, 142 wil deze woorden met elkaar verbinden met de opmerking, dat benamingen van zulk een insect licht aan grillige veranderingen kunnen blootstaan door affectieve vervormingen. In het geval van vlo kan men dan inderdaad aan invloed van mnl. vlien denken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vloo znw., mnl. vlô v. = ohd. flôh (nhd. floh) m., mnd. vlô v., ags. flêah m., flêa (m. v.? eng. flea), on. flô v. “vloo”. Wellicht germ. *þlauχ-, *þlauχa(n)-, bij *þleuχanan (zie vlieden), dat wellicht oorspr. “in vlugge beweging zijn, snellen, springen” beteekend heeft. De combinatie van vloo met lat. pûlex “vloo” is wat de klanken betreft níet mogelijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vlo[o]. Meillet MSL. 22, 142 vlg. wijst erop, dat zeer familiare en vulgaire woorden blootstaan aan grillige, onnaspeurlijke veranderingen. Daarom durft hij tussen arm. lu(*plusos), gr. psúlla, psúllos, lat. pûlex (*pusl-ex), ksl. blŭcha, lit. blusà ‘vlo’ onderling en het germ. woord verband te leggen. Vgl. ook oi. pluṣi-, gew. vertaald met ‘schadelijk insect’, maar blijkens nieuw-indische diall. = ‘vlo’ (Bloch MSL. 22, 237). Inderdaad hebben deze vormen veel gemeenschappelijks (al zijn M.’s grondvormen voor het arm. en lat. woord niet de enig mogelijke); de nogal afwijkende gedaante van het germ. woord zou dan aan volksetym. verbinding met vlieden te danken zijn. Vgl. nog neet Suppl. Deze opvatting lost wel niet alles op, maar is toch beter dan de vage verbinding (F.A.Wood AJPh. 41, 230) van het germ. woord met het bij vlok Suppl. vermelde lit. plaukaĩ ‘haren’ e.a. balt. woorden die ‘schors’, ‘dunne bastvezel’ e.d. betekenen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vloo v., Mnl. vlo + Ohd. flôh (Mhd. vlôch, Nhd. floh), Ags. fléah (Eng. flea), On. fló: van denz. vorm als ʼt enk. imp. van vlieden (d.i. *vliehen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vloej (zn.) vlo; Vreugmiddelnederlands flo <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1vlooi s.nw.
Klein, rooibruin, vlerklose, springende insek wat teer op die bloed van mense en diere.
Uit Ndl. vlo (1546).
D. Floh (9de eeu), Eng. flea (700).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vlooi: parasitiese insek (Pulex irritans, fam. Pulicidae), uit die mv. (vgl. koei) geabstr. v. Ndl. vlo(o), mv. vlooien (Mnl. vlō), Hd. floh, Eng. flea, hou wsk. verb. m. Ndl./Afr. vlied(en) en Eng. flee, en ondanks besware mntl. tog ook m. Lat. pūlex en Gr. psúlla/psúllos, “vlooi”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vlo ‘insect’ -> Negerhollands flōiu ‘insect’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vlo* insect 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut