Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlijm - (scherp mesje)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vlijm [scherp mesje] {vli(e)me 1201-1250, vlijm 1406} < latijn phlebotomus < grieks phlebotomos [lancet], van phleps (2e nv. phlebos) [(slag)ader] + tomos [snijdend], van temnein [snijden].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlijm znw., v. m., mnl. vlîme v. naast vlieme v. (nog zuidnl.) evenals mnd. vlēteme, vlētme v., ohd. fliodema, fliedema (laat-mhd. vliete(n), nhd. fliete), oe. flȳtme v. < lat. phle(bo)tomus < gr. phlebotómos ‘mes voor het aderlaten’; dit woord werd ook in het romaans ontleend als ofra. flieme (nfra. flamme), prov. flecme.

Fri. flym, flime o. zal wel ontlening aan het nl. zijn. — De vorm met î vertoont de overgang van gesloten ê tot î, zoals ook in biet. — Westf. flīte zal wel ontlening aan mhd. zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vlijm znw. (de, het), mnl. vlîme v. Uit *vlîtme ot *vlîdme. Gaat evenals mnl. vlieme v. (nog zuidndl., in ̓t Wvla. o.), ohd. fliodema, fliedema, ouder-mhd. fliedeme, laat-mhd. vliete, vlieten (nhd. fliete), mnd. vlêt(e)me v. (vlêtem m.?), ags. flytme (ŷ?) v., ofr. flieme (fr. flamme, eng. fleam) “vlijm” op een rom. vorm (*flē̆toma, *flē̆doma, *fleotoma, -doma) van lat. phlebotomus (gr. phléx, gen. phlebós “bloedader” + -tomos bij témnein “snijden”) “id.” terug. Voor de î naast ê2 vgl. biet; voor dgl. dubbelvormen met û en ô zie moerbei. Met î ook westf. flîte v. “vlijm”, tenzij dit de overgenomen alg.-hd. vorm is. Fri. flym, flime o. “id.” wsch. uit ̓ t Ndl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vlijm v., dial. vliem, Mnl. vlime, vlieme, vlemme, uit *vliedeme, gelijk Ohd. fliotuma (Mhd. vlieten, Nhd. fliete), Eng. fleam, Fr. flamme, uit Mlat. flevotomum, van Gr. phlebotómon = adersnijder (phléps = ader; — tomós, van témnein = snijden: z. tempel).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

vlym: besonder skerp mes, lanset; Ndl. vlijm (Mnl. vlīme/vlieme), Hd. fliete, Eng. fleam (uit Fr. flamme) via Ofr. flieme uit Lat. phlebotomus (Gr. phleps, gen. phlebos, “bloedaar”, + -tomos by ww. temnein, “sny”), ong. “snydoktersmes”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vlijm (Latijn phle(bo)tomus)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vlijm, van ’t M.-Lat. flevotomum, van ’t Gr. phlebo-tomon = adersnijder.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut