Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlieten - (stromen, vloeien)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vlieten ww. vero. ‘stromen, vloeien’
Onl. flietan (pret. flōt) ‘stromen, vloeien, drijven’ in Visc flot aftar themo uuatare ‘een vis dreef door het water’ [891-900; CG II-1, 39], also uuahs that flutit ‘zoals was die vloeit’ [10e eeuw; W.Ps.], ther fliezende brunno (met tot z verhoogduitste t) ‘de stromende bron’ [ca. 1100; Will.]; mnl. vlieten in hi sach die kinder ... bi uome ulieten in dien wage ‘hij zag de kinderen langs zich drijven in de stroom’ [1220-40; VMNW], Die trane ... Die groet vt haren ogen uloten ‘de tranen die in straaltjes uit haar ogen vloeiden’ [1265-70; VMNW].
Os. fliotan (mnd. vleten); ohd. fliozan (nhd. fließen); ofri. fliāta; oe. flēotan (ne. fleet); on. fljóta (nzw. flyta); alle ‘stromen, drijven e.d.’, < pgm. *fleutan-. Zie ook de afleiding → vliet en de ablautende afleidingen → vloot 1, → vlot 1 en → vlotten.
Pgm. *fleut- < pie. *pleud- (LIV 488) is een dentaaluitbreiding van de wortel *pleu- ‘zwemmen, zweven’ (LIV 487), waaruit: ohd. flewen, irflouwen ‘(uit)wassen, uitspoelen’; Latijn pluit ‘het regent’; Grieks pleĩn ‘varen, zwemmen’, plū́nein ‘wassen’; Sanskrit plávata ‘zwemt, zweeft’; Litouws pláuti ‘spoelen; overstromen’; Oudkerkslavisch pluti ‘varen, zwemmen’ (Tsjechisch plout); Oudiers luithir ‘vliegen’. Een andere uitbreiding van deze wortel is pie. *pleuk- ‘zweven, zwemmen’ (LIV 488), zie → vliegen. Zie ook → vloeien.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vlieten* [stromen] {1220-1240, vgl. de vroegere Zeeuwse waternaam Flieta <801-900> en het zn. fliet [vliet] 1130-1161} oudsaksisch fliotan, oudhoogduits fliozan, oudfries fliata, oudengels fleotan, oudnoors fljóta; buiten het germ. latijn pluit [het regent], grieks pleō [ik vaar], litouws plauti [wassen, spoelen], oudindisch plavate [hij zwemt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlieten ww., mnl. vlieten ‘stromen, drijven, varen, zwemmen, voortvloeien’, os. fliotan, ohd. flioʒan (nhd. fliessen), ofri. fliāta, oe. flēotan (ne. fleet), on. fljōta ‘vloeien, op het water drijven’, onfrank. alleen 3 pers. flūtit ‘fluit’. — oiers imlūadi ‘agitatio’, lūaid ‘bewegen, vermelden’, lit. pláudžiu, pláusti ‘wassen, reinigen’, plústu, plústi ‘stromen, vloeien’ (IEW 837). — De idg. wt. is *pleud een afl. van *pleu, die wij vinden in ohd. flouwen, flewen ‘spoelen, wassen’, on. flaumr ‘stroom’, mnd. flōme v. ‘ruw buik- of niervet’, verder on. fley o. ‘schip’ ( = gr. ploĩon) flūð v. ‘blinde klip (die dus overspoeld wordt)’, zie verder vloed, vloot, vlot en vlotten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vlieten ww. Zie vliet, waarbij ook on. fljôtr “snel”. Mnl. vlieten “vloeien, drijven, varen, zwemmen, voortvloeien”, onfr. *flietan (3. pers. flûtit “fluit”), ohd. flioʒan (nhd. fliessen), os. fliotan, ofri. fliâta, ags. flêotan (eng. to fleet), on. fljôta “vloeien, op ̓t water drijven”. Hierbij vloot, vlot I, vlot II, vlotten. Evenals lit. plústu, plúdau, plústi “gaan drijven”, plaudżu, plausti “wasschen”en misschien ook ier. luid “hij ging” van een idg. basis plū̌d-, een verlenging van plū̌-, waarvan o.a. ook ohd. flawen, flewen “spoelen, wasschen”, on. flaumr m. “stroom”, fley o. “schip”, ier. luath “snel”, ess-lu- “ontkomen”, fo-lluur “ik vlieg”, lat. pluit “het regent”, gr. plé(ϝ)ō“ik vaar, drijf”, ploĩon (= on. fley) “schip”, plū́nō “ik wasch”, obg. plovą, pluti “varen, drijven”, lit. pláuju, pláuti “spoelen”, arm. lułim “ik drijf, zwem”, luanam “ik wasch”, oi. právate, plávate “hij drijft op ’t water, zweeft, vliegt, springt”. De basis plū̆- beteekende blijkbaar oorspr. “vloeien, stroomen”: hieruit laat zich zoowel de bet. “spoelen, wasschen” als de aanwending voor andere bewegingen verklaren. Zie nog vlouw. vloed en vliegen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vlieten ono.w., Mnl. id., Os. fliotan + Ohd. flioʒan (Mhd. vlieʒen, Nhd. flieszen), Ags. fléotan (Eng. to fleet), Ofri. fliáta, On. fljóta (Zw. flyta, De. flyde) + Lit. plusti = bovendrijven, — waarnevens zonder -d- suffix Skr. wrt. plu, Gr. pléein = zwemmen, varen, Lat. pluere = regenen: Idg. wrt. pleu̯. De oorspr. beteek. vindt men nog in vlotten en in ander afleid.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vlieten, van den Germ. wt. fleut, flut, Voorgerm. pleud, plud, Idg. pleu = drijven op ’t water; vgl. ’t Mnl.: „Ghinder vlot (= drijft) vrouwe Julocke”; later: ’t stroomen zelf; vgl. ’t Fr. pluie = regen. Zie Vloed.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vlieten* stromen 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut