Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vliet - (waterloop)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vliet zn. ‘waterloop’
Onl. fliet ‘natuurlijke waterloop in het zeekleigebied’ in toponiemen: bisuthan Flieta ‘ten zuiden van de Vliet’ [918-48, kopie eind 11e eeuw; Künzel], fledum quod dicunt Holdfledum ‘een vliet, die ze Houtvliet noemen’ [1083; Gysseling 1960], inter duas fossas, que dicuntur fliet ‘tussen twee grachten, die vliet genoemd worden’ [1130-61; ONW]; mnl. vliet ook algemener ‘waterloop (al dan niet gegraven)’ in sprinct hi in den vliet ‘springt hij (de kikker) in de vliet’ [1287; VMNW].
Afleiding van → vlieten ‘stromen’.
Mnd. vlēt; ofri. fliāt (nfri. Fliet); oe. flēot (ne. fleet); mhd. vliez (nhd. Fliess); on. fljót; alle ‘waterstroom, zeearm e.d.’, < pgm. *fleuta-.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vliet znw. m., mnl. vliet m. ‘vliet, stilstaand water’, mnd. vlēt o., mhd. vlieʒ (nhd. fliess) m. o. ‘riviertje, stroom’, ofri. fliāt o. ‘beek, rivier’ (flēt is echter uit mnd.), oe. flēot m. ‘baai, riviermond, zee’ (ook ‘schip’, vgl. ne. fleet), on. fljōt o. ‘het stromen, rivier’, evenals mnl. bnw. vliet, on. fljōtr ‘snel’ van het ww. vlieten.

Teuchert Sprachreste 181-2 wijst er op dat in tegenstelling tot het woord fliet, fleet, dat inheems is in Holstein en aan de Duitse Noordzee-kust, het echter als een nl. leenwoord, waar het optreedt ten Oosten van de Elbe en in Pommeren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vliet znw., mnl. vliet m. “vliet, stilstaand water”. = mhd. vlieʒ (nhd. fliess) m. o. “riviertje, stroom”, mnd. vlêt o. (m.?) “id.” (ook in allerlei speciale bett.), (ofri. flêt o. “rivier, kanaal”, oorspr. ndd.), ags. flêot m. “baai, riviermond, zee” (ook “schip”, eng. fleet “vloot”), on. fljôt o. “het stroomen, rivier”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vliet. Bij Holthausen ook ofri. f liât o. ‘beek, rivier’.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

vliet 'stromend water'
Een waterwoord, onl. flieta, mnl. vliet, ofri. fliat 'beek, rivier', mnd. vlêt 'riviertje, stroom', mhd. vliez, nhd. Fliess 'idem', oe. fléot 'baai, riviermond, zee', ono. fljót 'het stromen, rivier', behoort bij het werkwoord vlieten 'stromen'. Typisch voor de noordelijke en westelijke kustprovincies van Nederland1. Duidde oorspronkelijk op een natuurlijke waterloop in het zeekleigebied, waar getijden vrij spel hadden, maar wordt vanaf de periode van de grote ontginningen in poldergebieden gebruikt voor een ter ontwatering aangelegde waterloop. Oudste attestatie als waternaam: 918-948 kopie 11e eeuw et mansa iacent binorthan Flietha ... bisuthan Flieta (Vliet, waterloop in Rijnsburg)2, als plaatsnaam: 944 kopie 1150-1158 in Marisfliete (→Groot-Maarslag)3.
Lit. 1Schönfeld 1955 46, 2Künzel e.a. 1989 371, 3Idem 156.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vliet ‘stroompje’ -> Duits dialect Vleet, Vliet ‘stroompje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vliet* stroompje 0918-948 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut