Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlies - (vel, membraan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vlies zn. ‘vel, membraan’
Mnl. vlies ‘vacht, harig vel’ [1285; VMNW], oostelijk ook vluus, ook ‘dun vel, membraan (bijv. in het menselijk lichaam)’ in Die sack off vluyss dayr dat ingeweyde in leghet ‘buikvlies’, eyns vluyss aever die oghen ‘(van) een vlies over de ogen’ [beide 1477; Teuth.].
Vlies is de westelijke (Noordzee-Germaanse) variant van oostelijk vluus, vluis, met dezelfde variatie als beschreven bij → lieden.
Mhd. vlius (maar (v)nhd. Vlies ‘vlies’ is ontleend aan het Nederlands); nfri. flues; oe. flēos (ne. fleece), flīes; alle oorspr. ‘(schapen)vacht’, < pgm. *fleusi-. Uit een ablautende vorm pgm. *flūsa-, is mnd. vlūs ‘vacht’ ontstaan, vanwaar door ontlening nhd. Flausch ‘duffel; duffelse jas’.
Mogelijk verwant met: Latijn plūma ‘dons; veer’ (< *plus-mā, zie ook → pluim); Litouws plùskos mv. ‘plukken haar’, plá(u)zenis ‘dekbed’, plaũšas ‘(bast)vezel’, Oudpruisisch plauxdine ‘verenbed’; < pie. *pleus-, *plus-, *plous- ‘uittrekken; plukken wol, veren of haar’.
De oorspr. betekenis is ‘(harige) vacht’, i.h.b. ‘schapenvacht’, bijv. in de orde van het Gulden Vlies. In het Duits en het Engels is dit nog steeds de gewone betekenis, maar in het Nederlands heeft zich een betekenisverschuiving voltrokken naar ‘dun vel (van welk materiaal dan ook) dat iets bedekt of omhult’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vlies* [vel, membraan] {1288 in de betekenis ‘vacht, vlies’} ook middelnederlands vluus(ch), verwant met middelnederduits vlus, oudengels fleos, flies; buiten het germ. latijn pluma [veer, dons], lets plauskas [(hoofd)roos], lets pluskas (mv.) [plukjes haar].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlies znw. o. dial. vluus, mnl. vlies, vluus, ‘vlies’, mnd. vlūs o. ‘vlies, schapevacht, vlok haren of wol; opbrengst van het land (eig. pluk)’, mhd. vlies, vlius (nhd. vliess), ofri. flius- (nfri. flues ‘dunne laag van slijk op drooggelopen overstroomd land; laag van vervlochten platen aan de oppervlakte van een moeras’; vgl. de naam Fluessen), oe. flēos, flīes v. ‘vlies, vacht, wol’ (ne. fleece) < germ. *fleusaz, -iz. Daarnaast abl. mnd. vlūs(ch) ‘harig vel’ (nhd. flaus, flausch). — lat. plūma (< *plusmā) ‘donsveer’, lit. plùskos mv. ‘pluk haar, haren’, lett. pluskas ‘rafels, lompen’, lit. pláuzdinis ‘veren dekbed’, vgl. lit. pliušinti ‘uitrafelen’ van idg. wt. *pleus ‘uitplokken, uitgeplukte wol, vlies’.

Deze wt. staat naast *pleuk in vlok, beide wel afl. van *(s)p(h)el ‘afsplijten, afscheuren’ waarvoor zie: spalk. — Uit het zuidnl. is in de 16de eeuw met betrekking tot de orde van het Gulden Vlies het woord in het hd. overgenomen en uit het antwerps en hagelands is vlies in de bet. ‘dun vel, huidje’ met nl. kolonisten naar een uitgebreid gebied ten O. van de Elbe tot in Pommeren binnengedrongen als fliese, fleese ‘huid om de vetlaag van ribben en nieren van varkens en ganzen’ (vgl. Teuchert Sprachreste 325-330 met kaart 37).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vlies znw. o., dial. vluus (zeer verbreid), mnl. vlies, vluus o. = mhd. vlies, vlius (nhd. vliess, oudnhd. ook fleuss, flüss) o. “vlies, schapevacht”, mnd. vlü̂s o. “id., vlok haren of wol” (ook “opbrengst van ̓t land”, oorspr. “de pluk”; evenzoo wellicht ofri. fliûs- in samenst.), ags. flêos, flîes o. “vlies, vacht, wol” (eng. fleece), grondvorm wsch. *fleusaz-, -iz- (vgl. vlees). Met ablaut mnd. vlús(ch) “harig vel” (nhd. flaus(ch) m. “bos wol, dikwollige jas”), misschien ook noorw. dial.. flûra v. “wollig haar”. Vermoedelijk van een basis plus- “plukken” (vgl. lat. vellus “vacht, wol”: vello “ik pluk”), waarvan ook ier. “vlok wol, wol, haartje der wenkbrauwen, sneeuwvlok”, lit. plùskos “haarbos”, wsch. ook lat. plûma “dons, veer”. Of gr. phloiós “(linde-) bast” terecht als *plous-jo- hierbij gebracht is, is dubieus.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vlies. Schrap de laatste zin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vlies o., Mnl. id. + Mhd. vlies (Nhd. flies), Ags. fléos (Eng. fleece), waarnevens Mnl. vluus, Mhd. vlius, Ags. flýs: niet verder na te gaan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vlies s.nw.
1. (verouderd) Skaapvag. 2. Lagie op 'n vloeistof. 3. Dun velletjie ter bedekking by dier of plant. 4. Nuwe vel wat op 'n wond begin groei.
In bet. 1, 2 en 3 uit Ndl. vlies (1545 in bet. 1, 1567 in bet. 2, 1573 in bet. 3). In bet. 4 mntl. uit Ndl. vlies (1950) of dit het in Afr. self ontwikkel.
D. Vlies (16de eeu), Eng. fleece (1000).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vlies ‘vel, membraan’ -> Duits dialect Fliese, Fles, Fleis ‘huid of vet rond de ribben en nieren’; Duits Vlies ‘vel’; Deens vlies ‘vel’; Noors vlies ‘vel’; Indonesisch flis ‘vel, membraan (van schaap)’; Papiaments flishi ‘vel, membraan, maagdenvlies’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vlies* vel, membraan 1288 [CG I2, 1337]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut