Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vliegen - (zich in de lucht voortbewegen, zich haasten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vliegen ww. ‘zich in de lucht voortbewegen, zich haasten’
Onl. fliegan ‘vliegen, zich snel bewegen’ in uuie sal geuan mi fetheron also duuon. in ic fliugon sal ‘wie zal mij vleugels geven als de duiven, en ik zal vliegen’ [10e eeuw; W.Ps.], Fliugh uone mir ‘ga snel weg van mij’ [ca. 1100; Will.]; mnl. vlieghen in dat em dat spere ... quam geulogen ‘dat de speer op hem af kwam gevlogen’ [1220-40; VMNW].
Os. fliogan (mnd. vlegen); ohd. fliogan (nhd. fliegen); ofri. fliāga (nfri. fleane); oe. fleogan (ne. fly); on. fljúga (nzw. flyga); < pgm. *fleugan-. Daarnaast staat een causatief *flaugjan-, waaruit: on. fleygja ‘laten vliegen, wegwerpen’ (nzw. flöja); got. -flaugjan ‘id.’. Hierbij hoort ook het onder → flits behandelde mnl. vlieke ‘pijl’ < onl. *fliekka < pgm. *fleukka- < pie. *pleuknó-.
Wrsch. verwant met Litouws plaũkti ‘zwemmen, drijven, zweven’; < pie. *pleuk- ‘zweven, zwemmen’ (LIV 488). In dat geval is in het Germaans de stamvorm met grammatische wisseling, *fleug- i.p.v. *fleuh-, geheel doorgevoerd in alle vervoegingen en de meeste afleidingen, mogelijk om de homonymie met *fleuhan- (Nl. vlieden uit ouder vlieën; zie → vlucht 1) te vermijden. Pie. *pleuk- is een uitbreiding van de wortel *pleu-, *plou- ‘zweven, zwemmen’ (LIV 487), die wel wijdverbreid is in de Indo-Europese talen, zie → vlieten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vliegen* [zich met vleugels voortbewegen] {oudnederlands fliugon 901-1000, middelnederlands vliegen} middelnederduits vlegen, oudhoogduits fliugan, oudfries fliaga, oudengels fleogan, oudnoors fljúga; buiten het germ. litouws plaukti [zwemmen] → vlieden, vlucht1, vlug.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vliegen ww., mnl. vlieghen, onfrank. fliugon, mnd. vlēgen, ohd. fliogan, fliugan (nhd. fliegen), ofri. fliāga, oe. fleōgan (ne. fly), on. fljūga. Daarnaast het causatief mnd. vlōgen, mhd. ervlougen, oe. āfliegan ‘verjagen’, on. fleygja ‘laten vliegen, werpen’ (het got. *usflaugjan is conjectuur voor het overgeleverde uswalugidai). — Men gaat terug op idg. *pleuk, vgl. lit. plaukiù, plaukti ‘zwemmen’, plùnksna ‘veer’ (IEW 837), dus een afl. van *pleu ‘stromen, zwemmen, vliegen’, waarvoor zie: vloed. — Zie ook: vleug, vleugel, vlieg, vloghaver, vlok, vlucht en vlug.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vliegen ww., mnl. vlieghen. = onfr. fliugon, ohd. fliogan, fliugan (nhd. fliegen), mnd. vlêgen, ofri. fliâga, ags. flêogan (eng. to fly), on fljûga “vliegen”. Got. alleen ’t causativum us-flaugjan “meenemen” (van den wind gezegd), dat ook elders voorkomt. Wegens den alg.-germ. anlaut fl- niet met vlieden verwant. Wsch. van een idg. basis plugh- of pluĝh- en niet pluq- of pluk-: dan was eer een praesensstam met χ (got. *fliuhan enz.) te verwachten. Dit plugh- of pluĝh- zal wel een verlenging zijn van plu- (zie vlieten; voor de bet. vgl. oi. plávate “hij drijft op ’t water” en “hij vliegt”) evenals pluq-, waarvan lit. plaukiù, plaũkti “drijven (op ’t water)”. Van plugh- (ĝh) misschien ook ier. luamain “vliegend”. Lat. plûma, lit. plùnksna “veder” en lit. pláużdinis “dekbed” hebben wsch. met vliegen niets te maken. Zie nog vleug, vleugel, vlieg, vloghaver, vlok, vlucht, vlug. Voor een idg. basis voor “vliegen” zie bij veder.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vliegen ono.w., Mnl. vlieghen, Onfra. fliugon + Ohd. fliogan (Mhd. vliegen, Nhd. fliegen), Ags. fléogan (Eng. to fly), Ofri. fliága, On. fljuga (Zw. flyga, De. flyve), Go. *fliugan (naar het factit. flaugjan) + Lat. pluma, Lit. plunksna = veder, Oier. luamain = vliegend, verder bij den wortel van vlieten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vlege (ww.) vliegen; Vreugmiddelnederlands fliegan <1100>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2vlieg ww.
1. Met vlerke in die lug opstyg en voortbeweeg. 2. Vinnig verbygaan, beweeg, verdwyn. 3. Met krag vorentoe of deur iets gaan. 4. Met 'n vliegtuig deur die lug beweeg. 5. Deur die lug vervoer. 6. Deur te vlieg (2vlieg 1) in 'n sekere toestand bring.
In bet. 1 - 5 uit Ndl. vliegen (Mnl. vlieghen in bet. 1 en 2, 1505 in bet. 3, 1911 in bet. 4, 1945 in bet. 5), of bet. 4 en 5 is leenbetekenisse van Eng. fly (1826 in bet. 4, 1864 in bet. 5). Bet. 6 het in Afr. self ontwikkel.
D. fliegen (8ste eeu).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vlieg II: – vlie – , ww., met behulp v. vlerke beweeg; ’n vliegtuig bestuur of daarmee vervoer word; vinnig beweeg; Ndl. vliegen (Mnl. vlieghen), Hd. fliegen, Eng. fly, wsk. verb. m. vleuel en vlug, hoofs. Germ. en verb. m. Idg. onseker.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

vliegen. De verwensingen vlieg naar de maan, vlieg (maar) omhoog!, ga eens vliegen! en vlieg op! betekenen ‘maak dat je wegkomt’. De verwensing wordt gebruikt in geval van verontwaardiging, boosheid, woede. De verwenser wil een aangesprokene zijn wil opleggen. Vandaar de gebiedende wijs, ook in verwensingen als laat hem vliegen! In De steen der wijzen [1983] van Maarten Biesheuvel komt de verwensing vlieg ten hemel! voor. Zij moet niet letterlijk opgevat worden, maar betekent, in woede of uit verontwaardiging geuit, zoiets als ‘rot op’. Het voltooid deelwoord vliegend ‘acuut, hevig’ wordt vaak ter versterking van de verwensing toegevoegd. Daarnaast kennen wij de vliegende tering, de vliegende vaan ‘reumatiek’, de vliegende etter, de vliegende flerecyn, de vliegende tandpijn, de vliegende jicht. Herman Brusselmans gebruikt in 1996 de literaire verwensing vlieg als een mus naar het graf van mijn oude vader! Over de emotionele betekenis bestaat weinig twijfel: ‘ik kots van je, ga (zo) ver weg dat ik je niet meer hoef te treffen’.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vliegen, van den Germ. wt. fliug, uit Voorgerm. pleugh, plugh = vliegen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vliegen ‘zich in de lucht voortbewegen’ -> Negerhollands vlieg, flig ‘zich in de lucht voortbewegen’; Berbice-Nederlands fligi ‘zich in de lucht voortbewegen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vliegen* zich in de lucht voortbewegen 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

757. Elkander in het haar zitten of vliegen,

d.w.z. plukharen (in Zuid-Nederl. ook haarkepluk doen), vechten, krakeelen, twisten, zoowel in eigenlijken als in overdrachtelijken zin; ook (elkander) bij het haar hebben (Rusting 49); 17de eeuw: met iemand in het haar liggen (Pers, 26 a; 109 a). Zie Tuinman I, 282: Zy zitten malkanderen in 't hair, dat zegt men van twee, die een krabbelvuistje leggen en malkanderen by den kop krijgen; Sewel, 305: Malkanderen in 't haair zitten, to fall together by the ears, to fight or quarrel; vgl. lat. involare alicui in capillum; het mnl. haerropen, haerplocken, enen dat haer kemmen; het 17de-eeuwsche haarreepen en de uitdr. elkander in den baard zitten; elkander in den kam zitten (eig. van kemphanen); fri.: immen yn 't hier (of yn 't bird) sitte en immen nei 't hier fiele; in Twente: mekaar in 'n toef (of in 'n kam) zitten. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 2225: malkander in 't haar zitten, met elkander twisten; 614: iemand naar zijnen kam rijden, hem heftig bekijven; iemand in zijnen kam vliegen, hem in gramschap toevliegen. In het hd. zegt men eveneens: einander in die Haare geraten; sie liegen sich in den Haaren; fr. se prendre aux cheveux, aux crins.

1039. In (of om) de kaars vliegen,

d.w.z. ‘zich eindelijk aan rechtsvervolging blootstellen’; in het verderf loopen, verloren geraken, in het Westvl. er aan vliegen; eene uitdr. die ontleend is aan het voortdurend ronddraaien van een vlieg om een brandende kaars, aan wier vlam zij eindelijk hare vleugels zengt of waarin zij verbrandt. Vgl. Hooft's Ged. I, 240 en 242; Campen, 95: Een vlieghe die vlocht soe langhe om die keerse, datsie daer ten lesten een mael in valt; Stallaert II, 49: Men seyde als datter wel twe duust soldaten van den viant in de keerse vloghen (Piot, Chron. 803 (a. 1595). Daer wiert noch zommich van tselve goet gherecouvreert by andre soldaten die uut Dixmude quamen; maer den meesten deel vlooch in de keersse, ende quam luttel ten bate aen den proprietaris, Ibid. 665 (a. 1587); V. Moerk. 372: Ik maakt reedelijk of anders zelje halve goet licht in de kaars vliegen (er aan gaan); Vierl. 120; Pers, 790 b; 844 b; Spaan, 66; 194; Rusting, 564; Tuinman I, 319; Harrebomée I, 370; Het Volk, 30 Jan. 1914, p. 8 k. 2; Antw. Idiot. 632: in de keers vliegen; fri. yn 'e kears fleane. Vandaar ook dat om de kaars vliegen (vroeger ook hengelen) de overdrachtelijke bet. heeft aangenomen van: zich onvoorzichtig aan gevaar blootstellen; vgl. Mergh, 11; Sartorius III, 10, 75: om die kaers vliegen; I, 10, 20: Hy hengelt om die kaers, in eos dicebatur, qui sibi ipsis exitium accersunt; Brederoo I, 73, 2024; Halma, 251: Hij vliegt al om de kaers, hij zal haast gevangen en geknipt zijn; Van Effen, Spect. VII, 94; Harreb. I, 370: Hij vliegt al om de kaars, men zal hem welhaast betrappen; Ndl. Wdb. VII, 684. Hiermede is ook te vergelijken het fri. hy fljucht er om hinne as in mich om 'e lampe, hij vliegt er omheen (rondom zijn ongeluk, zijn ondergang) als de vlieg om de lamp; der fleane in hopen onbitocht yn 'e lampe, er vliegen velen onbedacht in de lamp (meest van onberaden huwelijken (W. Dijkstra, 363 b); fr. se brûler à la chandelle. Vgl. Tegen de lamp loopen (of vliegen ).

1324. Tegen de lamp (aan)loopen (of vliegen),

d.w.z. er tegen aanloopenHandelingen der Stat.-Gen. 1913, p. 2827 k. 1: De heer Tydeman weet de dingen te zeggen op een andere manier dan de heer Duijs, zonder er parlementair tegen aan te loopen., er tegen loopen, vliegen of waaien, zooals men in Zuid-Nederland zegt; een scherpe berisping ontvangen. Vgl. Schoolm. 252: Keesjenlief viel in 't watertjen diep, waar hij natuurlijk tegen de lamp aanliep en dadelijk als drenkeling ontsliep; Nest, 5: Eens liep je zeker tegen de lamp; Het Volk, 17 Maart 1914, p. 3 k. 1: Kortelings was hij echter tegen de lamp gevlogen, wijl de kontroleur der Arbeids-inspektie tegen hem proces-verbaal had opgemaakt; Handelsblad, 2 Mei (ochtendbl.) 1914, p. 1 k. 6: Hij zeide zich te troosten met de gedachte, dat hij nog wel eenige tapijtjes zou plaatsen, alvorens tegen de lamp te loopen; 4 Dec. 1920 (O), p. 5 k. 6: Het intrekken van het rijbewijs is wel een ernstig nadeel voor den chauffeur, die dan aan den dijk zit, maar niet voor den eigenaar-bestuurder als deze het is die tegen de lamp.... rijdt; Dievenp. 129: Liep hij tegen de lamp, kwam een enkele maal een van zijn inbraken uit, dan liet hij zich kalm vonnissen; bl. 104: Tegen de lamp vliegen, waarnaast ook tegen de lampies slaan (in Handelsblad (ochtendbl.), 24 Maart 1912, bl. 5); Van Schothorst, 163: tegen de lamp loopen, gesnapt worden; Het Volk, 15 Mei 1914, p. 1 k. 3: Als ze failliet gaan, nemen ze een advokaat in den arm, opdat ze niet tegen de lamp loopen wegens bedriegelijke bankbreuk; Handelsblad, 23 Mei 1915 (ochtendbl.) p. 10 k. 3:

O! juffien in die lichte stad
Volg noit een vlinder op oe laivenspad.
Zorg, daj' één flinken kerel krieg,
Veur ie met de kop tegen de lamp vlieg.

Voor de verklaring dezer zegswijze kan men denken aan uitdr. als zich branden, zijn vingers (of handen) branden; 17de eeuw zijn gat schrapen, zich onwetend aan iets vergrijpen; zich door onvoorzichtigheid in moeilijkhededen wikkelen, tegen de wet handelen, doch daar tegen een lamp aanloopen volstrekt geen pijnlijke gevolgen behoeft te hebben, zie ik liever in lamp het bargoensche woord voor politie-agent (vgl. Köster Henke, 38: lamp, politie, onraad. Tegen de lamp loopen; Onze Volkstaal III, 196: lamp, politieagent; Kluge, Rotwelsch, 382: Lampen m. nennt man Jeden, der dem Diebe bei Ausführung seiner Angriffe auf fremdes Eigentum störend oder hindernd in den Weg kommt. Er hat Lampen bekommen, er hat Wind von einer Störung oder Hinderung erhalten; Verlampen, verscheuchen; auf einem Massematten verlampt werden, bei der Verübung eines gewaltsamen Diebstahls verjagt werden. Lampen nennt man endlich auch Späher, Vigilanten; Günther, 29: Lampen von lamdôn, eigentlich der Gelehrte, dann der gewitzigte Bestohlene, der das Verbrechen vereitelt (zie De Amsterdammer, 5 Nov. 1905, bl. 8Leuv. Bijdr. XIII, 185 In navolging van dit verkeerd begrepen lampen, door volksetymologie lampe (‘das stets hell leuchtende Auge des Gesetzes’) wordt in 't hd. de politieagent ook Laterne en Licht genoemd (Günther, Gaunerspr. 92; 100; evenzoo in 't fr. lampion, bec de gaz, politie-agent.). Loopt een inbreker tegen zoo'n ‘lamp’ aan, dan is hij er natuurlijk bij. Ook in den zin van een ongeluk krijgen, eene geheime ziekte opdoen, wordt ‘tegen de lamp loopen’, enz. gebruikt. Hier moet waarschijnlijk gedacht worden aan lamplicht, blijkens het hd. sich verbrennen, syphilitisch angesteckt werden (Kluge, Rothw. 372); eng. to be burned; fr. être échaudé. Volgens Woordenschat, 607 is onder militairen ook gebruikelijk aan de lamp likken (of aan de pan likken), zich schuldig maken aan eene overtreding, waarvoor men gestraft zal worden (ook hier moet natuurlijk aan een brandende lamp gedacht worden). Vgl. Harreb. II, 4: Hij heeft leelijk aan (of van) de lamp gelikt; P.K. 155: Maar als 't nou eens bankies waren geweest, dan zou je toch aan de lamp hebben kunnen likken, als de nummers bekend waren; Van Dale4: Hij heeft aan de pan gelikt (t.w. aan de gloeiende pan), hij is leelijk terecht gekomen; ook: hij heeft veel schade gehad.

2434. Ze zien vliegen,

d.w.z. hallucinaties hebben, niet wel bij zijn verstand zijn. Vgl. Kunstl. 4: Je moes is d'r niet snik, die siet se vliege; bl. 130: Die binne nie snik.... die sient se fliege!; Zandstr. 44: Half-idioten, imbecielen, toevallijders, sukkels die ze bij tijden ‘zien vliegen’; Landl. 363: As ik an leze denk, zie 'k ze al vliege; Nkr. I, 14 Juli p. 6: Wij zouden zeggen, ze kregen 'n klap van de molen of ze zagen ze vliegen; S. en S. 21: Want zie je, in die cel wor je kinsch, en van 't aanhoudende prakkezeeren zie je tusschebeie van die baviane vliege; Nw. School V, 274. In Zuid-Nederland beteekent ze zien vliegen, grooten honger hebben, gebrek hebben (Antw. Idiot. 1386; Waasch Idiot. 717; Rutten, 261), syn. van zwarten sneeuw zien vliegen, veel te lijden hebben (Waasch Idiot. 605).

2494. Voor iemand door een (of het) vuur loopen (of vliegen),

d.i. voor iemand zich aan een groot gevaar blootstellen; uit genegenheid voor iemand alles, ook het gevaarlijkste, doen. De zegswijze komt ook in de klassieke talen voor; vgl. gri. δια του πυρος Βαδιζειν; lat. per flammam currereOtto, 171; Journal, 142; Ilias, κ, 246-247.. Bij ons trof ik haar het eerst aan in de 17de eeuw bij Brederoo, Moortje, 1359: Met een tooghje Wijns of met een beker Bier so soumen jagen u door Water en door Vier; Paffenr. 60: Ja, ik moet bekennen dat ik voor hem behoor te loopen door een vuur; De Brune, 76: Door vuur en swaert gaen onvervaert (vgl. Ovid. Met. 8, 76: ire per ignes et gladios ausim); Br. v. Abr. Bl. III, 145: In het vuur loopen voor; Van de Werve, Den predickenden Jonas (1777): Waer het saeken dat zy my een schoon woord gaeven, ik soude door een vier loopenAangehaald bij De Bo, 1360 b.; Kluchtspel, III, 103: Met een dronck goet bier souj' hem krijghen waer je wout, jae deur water en deur vier; Harreb. II, 428 a; Kalv. I, 136: Ik vlieg voor u door 't vuur; afrik. vir iemand deur die vuur loop; De Bo, 1360 b: voor iemand door een vier loopen of springen, al doen wat mogelijk is, hem zeer beminnen; Joos, 74; Antw. Idiot. 1371; Waasch Idiot. 711; hd. für jemand durchs Feuer gehen oder ins Wasser springen; fr. se jeter (ou passer) dans le feu pour qqn; eng. to go through fire (and water) for a p.; fri. foar immen troch 't fjûr fleane.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut