Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vleug - (richting van haar of weefsel; zweempje; beetje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vleug(je) zn. ‘richting van haar of weefsel; zweempje; beetje’
Mnl. vloghe ‘het vliegen, vlucht’ in traghe es hi in sire uloghe ‘hij (een vogel) is traag in zijn vlucht’ [1287; VMNW], die strale van snelre vloge ‘de snelvliegende pijl’ [1300-50; MNW-R]; vnnl. vleug(e) ook ‘opwelling, opflakkering, vlaag’ in jnde sondeghe vleughe ‘in de zondige opwelling’ [1511; iWNT], een korte vleugh ‘een korte opwelling’ [1630; iWNT], later veelal als verkleinwoord in Naaulijks is dat vleugje over ‘... die kortstondige opwelling ...’ [1684; iWNT]; nnl. dit vleugje van opwakkerende geest [1785; iWNT], een vleugje ‘zeer weinig (van iets)’ [1864; Calisch], ‘zweem’ in een vleug van vreemde verdrietelijkheid [1905; iWNT verdrietelijkheid]. Daarnaast vnnl. en nnl. vleug ‘richting van haar of weefsel’ in Vleug van den draad [1695; iWNT], Alle hout-gewas groeit met eene vleug [1737; iWNT], Haair ... tegen de vleug opgestreeken wordende [1769; iWNT], een laken tegen de vleug in borstelen [1824; iWNT].
Vleug is ontstaan door i-umlaut uit Proto-Germaans *flugi-, een ablautende afleiding (nultrap) van de wortel van → vliegen, zoals → scheut bij → schieten.
Os. flugi (mnd. vlöge); ohd. flug (nhd. Flug); oe. flyge; on. flugr (nno. flug); alle oorspr. ‘vlucht, het vliegen’, < pgm. *flugi-.
De oorspr. betekenis ‘vlucht (van vogels)’ raakte in het Vroegnieuwnederlands verouderd. In diezelfde periode ontstond enerzijds de overdrachtelijke betekenis ‘opwelling, opflakkering’, leidend tot algemener ‘(een) beetje’, vooral gebruikt met abstracta of merkbare verschijnselen en als verkleinwoord, bijv. in een vleugje hoop, een vleugje romantiek, groen met een vleugje geel, een vleugje parfum. Anderzijds ontstond de betekenis ‘richting van haar of weefsel’. Deze is te vergelijken met die van Duits Strich ‘vleug’ bij het werkwoord streichen ‘strijken’ en Duits Flucht in de betekenis ‘rechte lijn, rooilijn, richtingslijn’ dat bij fliegen ‘vliegen’ hoort. Volgens het MNW (onder vloe) is dit vleug een ander woord, dat bij Middelnederlands vloe, Middelnederduits vlo, West-Vlaams vluwe en Engels flue hoort, die alle ‘zachte, donzige zijde van laken’ betekenen en teruggaan op Oudfrans velu ‘behaard’, zie → fluweel. De g in vleug is dan echter niet te verklaren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vleug* [vlucht, haarrichting] {vloge, vlooch, vluege [het vliegen, snelheid] 1287, vleug [haarrichting] 1769, vleug(je) [zweempje] 1785} oudsaksisch flugi, middelnederduits vloge, oudhoogduits flug; van vliegen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

vleug

Het zelfstandige naamwoord vleug hoort bij vliegen zoals scheut hoort bij schieten en goot bij gieten. De eigenlijke betekenis is dan ook: het vliegen, zowel gezegd van vogels als bijvoorbeeld van pijlen. Vandaar de betekenis: snelle voortgang, aanval.

In figuurlijke zin gaat vleug dan betekenen: de opvlucht, de verheffing. In oudere teksten wordt vleug ook gebruikt voor: opwelling en voor: opflakkering van het vuur. Thans is vooral het verkleinwoord vleugje nog van toepassing op een kortstondige verbetering, bijvoorbeeld van het weer, maar vooral van een aandoening, een ziekte. In zijn eertijds beroemde gedicht Het Haantje van de Toren spreekt De Génestet van: korte vleugjes van herstel. In meer literaire taal leest men: een vleugje parfum voor: een nauwelijks merkbare geurige luchtstroom.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vleug znw. v., mnl. vlōghe, vlueghe m. v. ‘het vliegen, snel voortgaan, aanval, vleugel’, os. flugi, ohd. nhd. flug, oe. flyge, on. flugr m. ‘het vliegen’. — Afl. van vliegen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vleug znw., mnl. vlōghe, vlȫghe m. v. “het vliegen, snel voortgaan, aanval, vleugel”. = ohd. (nhd.) flug, os. flugi, ags. flyge, on. flugr m. “het vliegen” (en verwante bett.). Bij vliegen. Formatie als teug.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vleug v., Mnl. vloghe, Os. flugi + Ags. flyge: met eu = ö van denz. stam als ʼt meerv. imp. van vliegen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

vleug, gevleug, zn.: uierontsteking. Vgl. Rijnl. flog ‘verkoudheid bij tocht’, geflog ‘uierontsteking’. Afgeleid van vliegen, vgl. Vl. en Br. zinking, valling ‘verkoudheid’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

vleug II, (afl.) gevleug uierontsteking (Limburg). Vgl. rijnl. flog ‘verkoudheidsverschijnsel bij tocht’, rijnl. geflog ‘uierontsteking’, Mechels deurvlogentheid ‘pleuritis’ en verder opvliegers (krijgen) ‘warm worden in de overgangsjaren’. Wschl. een restant van een gedachte aan een vliegende demon of herinterpretatie in de zin van de humoraalpathologie.
Bems 1983, 120, Loquela 113.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vleug: „een vleugje hoop”, van vliegen (z. d. w.); het woord w.d.z. vlieging, opvlieging: het verdoovend vuur vliegt soms weer op; vandaar: een opvlieging, opflakkering van de hoop.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vleug* haarrichting 1769 [WNT]

vleug* zweempje 1785 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal