Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlerk - (vleugel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vlerk zn. ‘vleugel; onbeschofte kerel’
Mnl. vlederic, vlerc ‘vleugel’ in tve van haren vledericken ‘twee van hun vleugels’ [1285; VMNW vlederic], someghe kiekine ... wandelen buten haren ulerken ‘sommige kuikens lopen onder haar vleugels vandaan rond’ [1287; VMNW], .1. adren die es onder den vledric ‘een ader die onder de vleugel zit’ [1351; MNW-P]; vnnl. vlerck ‘arm’ in Als wy comen op die paen, Hy grijpt ons haest by ons vlercken ‘als wij op de paden komen, grijpt hij ons weldra bij de kladden’ [1573; iWNT]; nnl. vlerk ‘iemand vol inbeelding en eigenwaan’ [1901; Kuipers], ‘onbeschofte kerel’ in Dat hij ... zijn politieke tegenstander ... voor “vlerk” zou hebben gescholden [1913; iWNT].
Ontstaan uit mnl. vlederic ‘vleugel’ door wegval van intervocalische -d- en verzwakking en vervolgens wegval van de onbeklemtoonde klinker in de eindlettergreep. Vlederic bestaat alleen in het Nederlands en is wrsch. onder invloed van de anlaut van → vleugel of → vliegen ontstaan bij West-Germaans *feþerik, *feþerak ‘vleugel’ (zie onder), dat is afgeleid van Proto-Germaans *feþ(a/e)rō- ‘veer, vleugel’, zie → veer 1. Zonder extra achtervoegsel is hieruit op dezelfde wijze West-Germaans *fleþar- ‘vleugel’ ontstaan, zie verder → fladderen en → vleermuis.
Uit West-Germaans *feþerik, *feþerak ‘vleugel’: onl. fetherak in bescirmot an getheke fetheraco thinro ‘beschermd door het dak van jouw vleugels’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnd. vederik; ohd. federah.
De algemene betekenis van dit woord was ‘vleugel’, met overdrachtelijke betekenissen als ‘wiek’, ‘arm’. Het wordt nog gebruikt als synoniem in literaire taal, maar is in de algemene taal verouderd. Dit in tegenstelling tot het Afrikaans, waar vlerk het gewone woord voor ‘vleugel’ is geworden, naast vleuel ‘flank van een leger; vleugel als muziekinstrument’.
De betekenis ‘onbeschofte kerel’ is volgens het WNT ontstaan als gevolg van de synonymie van → vlegel ‘dorswerktuig; onbeschofte kerel’ en vlegel als gewestelijke nevenvorm en als affectieve uitspraak van vleugel. Een vergelijkbare betekenisontwikkeling doorliep → bengel. De Leidse theologiestudent Bernard Gewin (1812-1873) publiceerde in 1839-41 een humoristisch fictief reisverhaal onder het pseudoniem Vlerk, maar het is onwaarschijnlijk dat dat heeft geleid tot de huidige pejoratieve betekenis ‘onbeschofte kerel’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vlerk1* [vleugel] {vlerke, vlerc 1285} samengetrokken uit middelnederlands vlederic, verlenging van vleder.

vlerk2* [vlegel] {1840} is hetzelfde woord als vlerk1 [vleugel]; de betekenisovergang is verklaarbaar door vlegel [onbeschoft iem.], dat gelijkluidend is met vlegel, umlautend met vlogel, vleugel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlerk znw. v., reeds later-mnl. < ouder vlēderic, vlēric, vgl. westf. vlerk ‘ganzeveer om stof af te wissen’, een afl. van mnl. vlēder m. (vla. vleer) ‘veer, vleugel’. Verbindt men dit met vleermuis, dan kan men denken aan een afl. van mnl. vlēderen ‘fladderen’. — Opmerkelijk is echter, dat wij ook hebben onfrank. fetherac, ohd. fedarah, westfri. firk, dat in dezelfde verhouding tot veder staat; men heeft daarom gedacht dat vlēderic daaruit ontstaan zou zijn onder invloed van vlēderen (minder waarsch. van vliegen), zoals ook het geval is met nhd. flederwisch < mhd. vederwisch ‘ganzevlerk voor het afwissen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vlerk znw., reeds later-mnl., de oudere vorm is vlēderic m., een tusschenvorm vlēric. = westf. vlerk “ganzeveer om stof af te vegen”. Staat tot mnl. vlēder m., nog vla. vleer “veer, vleugel” als onfr. fëtherac, ohd. fëdarah, westf. firk (wellicht mnd. *vēderik, voor vēderlik te lezen) m. “vleugel” staat tot veder. Men beschouwt de germ. basis fleþ- — waarvan ook ohd. flëdarôn (zie vleermuis) — als een verlenging van de idg. basis pel- (zie vijfwouter); waarschijnlijker is het, dat germ. *fleþ(a)rô- “vleugel” (ohd. flëdarôn kan denominatief zijn) onder invloed van vliegen naast *feþ(a)rô- (veder) opgekomen is. — Voor de overdr. bet. “deugniet” vgl. bij knoet II.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vlerk. Over onfr. fëtherac enz. zie nog bij veder Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vlerk v., Mnl. vlederik, een afleid. van den stam van *vlederen: z. vledermuis. — Vlerk = vlegel, gaat wellicht uit van een verwarring tusschen vlegel en vleugel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

flurk, zn.: kladden, lurven. Met geronde klinker uit vlerk.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

vleurik, -ink (G), -ing (B, G, W), vlirink (E), fleurik (ZO), zn. m.: vleugel, vlerk. Met geronde klinker (vgl. Gents vleurmuis 'vleermuis') naast Wvl. vleri(n)k < uit Mnl. vlederic 'vlerk, vleugel', Vnnl. 1567 vleerick, Gent (LC), vlederick, vledderick, vlerick, vlerck 'vleugel' (Kiliaan); 1742 den vleurick van den draeck, Gent (LC). Afl. van vleer, door d-syncope uit Mnl. vleder 'vleugel', vgl. vleermuis < vledermuis. Van Mnl., Mhd. vlederen 'fladderen', Ohd. fledarôn, D. flattern 'fladderen', Germ. *fleþarô 'vleugel'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vlerk s.nw.
1. Enigeen van die liggaamsdele waarmee voëls en sommige insekte vlieg. 2. (skertsend) Arm. 3. Sygedeelte van 'n gebou. 4. Draagvlak van 'n vliegtuig wat weerskante van die romp uitsteek.
In bet. 1, 2 en 3 uit Ndl. vlerk (Mnl. vlerc, vlerke in bet. 1 en 2, 1667 in bet. 3). Bet. 4 het in Afr. self ontwikkel of is 'n leenbetekenis van Eng. wing (1904). Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

vlerik, vlerink, zn. m.: vlerk, vleugel. Mnl. vlederic ‘vlerk, vleugel’, Vroegnnl. vlederick, vledderick, vlerick, vlerck ‘ala’ (Kiliaan). Afl. van vleder, zie vlere.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

vlerk (de, -en), (i.h.b.:) los verkochte, panklare vleugel van kip. (Meestal in mv.: Vlerken f*... per pond.) - Opm.: Vrijwel alle lichaamsdelen van geslachte kippen worden (ook) los verkocht.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vlerk: vleuel; Ndl. vlerk (Lmnl. vlerc, ouer vlēderic), WFa. vlerk, “stofveër v. gansveer”, hoofs. Germ., herk. hoërop onseker; v. ook vlermuis, vleuel, vlieg II.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

vlerk: onbeschoft persoon, lomperd. In het werk van Carry van Bruggen vinden we de samenstelling kantoorvlerk terug. Een bekakte vlerk is studententaal voor een ‘verwaand corpslid’.

Zoo’n pedante vlerk, die nog wijzer wil zijn dan Onze Lieve Heer! (De Groene Amsterdammer, 09/12/1894)
‘Zoo’n vlerk,’ zei ik. (Cissy van Marxveldt, Joop ter Heul, 1921-1926)
Je moest je schamen, vlerk dat je bent! (Piet Bakker, Ciske de rat, 1941)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vlerk, Mnl. vlederic, dat eerst vleric en later vlerk werd; het woord w.d.z.: lichaamsdeel om te vlederen; zie Vleermuis.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vlerk ‘vleugel’ -> Negerhollands vlerk ‘vleugel’; Papiaments flerchi ‘vliegende vis (overdrachtelijk gebruikt)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vlerk* vleugel 1285 [CG Rijmb.]

vlerk* vlegel 1840 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal