Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlek - (smet, plek; gehucht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vlek zn. ‘smet, plek; gehucht’
Onl. wrsch. al als bijnaam van reinbaldi flec ‘Reinboud Vlek’ [1165; ONW]; mnl. ulecke, ulacke ‘smet; plek op het lichaam’ [1240; Bern.], in uan alre ulekken reene ‘van alle smetten vrij’ [1265-70; VMNW], vleck ‘vlek, smet’ [1466; MNW-P]; vnnl. vlecke ook ‘gehucht’ [1510; iWNT].
Mnd. vlecke; ohd. flec(ko) (nhd. Fleck, Flecken); nfri. flek; ne. fleck (wrsch. ontleend aan het vnnl.); on. flekkr (nzw. fläck); < pgm. *flekka(n)-, *flekkōn-. Alle ‘vlek’ en bij uitbreiding betekenissen als ‘plaats’ (de enige betekenis in het nfri.), ‘landstreek’, ‘wond, slag (waardoor een vlek ontstond?)’, ‘lap (die op een vlek werd geplaatst?)’ e.d.
De oorspr. betekenis en de verdere herkomst zijn onduidelijk. Mogelijk horen deze woorden bij pie. *pleh2g-, *pleh2k- ‘slaan’, zie → vloeken (FvW), waarbij pgm. *-kk- kan zijn ontstaan uit een n-stam met *-gn- of *-kn- (wet van Kluge). Als daarentegen de betekenis ‘landstreek’ of de betekenis ‘lap’ oud is, kan er verwantschap zijn met → vlak, respectievelijk → vlees. Zie voor nog een andere mogelijkheid het uitsluitend Nederlandse en Nederduitse woord → plek, met variant → plak 1.
In het Nederlands bestond een nevenvorm vlak, waarvoor zie → vlakken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vlak2* [smet] {vlacke 1459} middelnederduits vlacke; nevenvorm van vlek.

vlek* [smet] {vlecke 1201-1250} middelnederduits vlecke, oudhoogduits fleccho, oudnoors flekkr; etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlek znw. v. m. ‘smet, klad’, o. ‘groot dorp’, mnl. vlecke v. ‘vlek, smet, besmettelijke ziekte, plas’, mnd. vlecke v. ‘smet’, vlek m. ‘smet, vlakte, landstreek, plaats, slag, wond’, ohd. fleccho m. ‘vlek’ (nhd. flecken, fleck), flec m. ‘stuk goed, lap’ (nhd. fleck, vgl. ook flicken), mhd. vlec, vlecke m. ook ‘stuk land, plaats, groot dorp, slag, wond’, on. flekkr ‘vlek; stuk land’.

Men kan evenals bij klad het beste van de leemtechniek uitgaan en dan behoort het woord bij de idg. wt. *pel, waarvoor zie: bevelen. — IEW 835 verbindt met vlees, maar dat voert eveneens op het bosbedrijfwoord *(s)p(h)el, waarvoor zie: spalk en splijten. — De bet. ‘groot dorp’, die zich ontwikkeld heeft uit ‘stuk, land, plaats’ is in het mnl. nog onbekend en treedt in het hd. eerst sedert de 13de eeuw op. — Ne. fleck, dat eerst sedert 1598 bekend is, zal wel niet overgenomen zijn < on. flekkr, maar eerder < nnl. vlek (Bense 99).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vlak III (vlek) Zie vlek.

vlek znw. (de, het; ’t o. geslacht misschien naar dorp), mnl. vlecke v. “vlek, smet, besmettelijke ziekte, plas”. Opvallend zijn de bett.: ohd. flëccho m. “macula” (nhd. flecken, fleck), flëc(cch) m. “stuk goed, lap” (nhd. fleck; hierbij ̓t ww. mhd. vlicken, nhd. flicken “lappen”), mhd. vlëc(ke) m. bovendien o.a. “stuk land, plaats, groot dorp, slag, wond”, mnd. vlëcke v. “macula” en — evenzoo vlëk m. — “vlakte, landstreek, plaats, slag, wond”, (ofri. bi-flëkka “bevlekken”), on. flëkkr m. “macula” en “stuk (land)”. Voor een dgl. combinatie van de bett. “klad” en “stuk” vgl. bij klad. Het is mogelijk, dat de germ. woorden * flekka-, *flekkan- in al deze bett. van de bij vlaag besproken idg. basis plā̆xg-. “slaan” komen: de bet. “macula” is zeer goed uit “ ’t neergesmetene” te verklaren; voor de bet.-ontwikkeling (“vlek” >) “plekje” > “plaats, ortschaft” vgl. oord; de bet. “lap” uit “ ’t afgeslagene”? Evenwel kunnen we ook een germ. *flikka- “lap, stuk” aannemen, ablautend met on. flîk v. “id.” (zie bij vlees), en desnoods kan *flekka(n)- “stuk land” met vlak I ablauten. Vlak “vlek”, niet bij Kil., wel al mnl. vlacke v., mnd. vlacke m. v. “vlek”, is een — misschien secundaire — ablautvorm van vlek.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vlek v. en o. (in alle bet.), Mnl. vlecke + Ohd. fleccho (Mhd. vlecke, Nhd. flecken), On. flekkr. De bet. zijn: stuk, plaats van een ander kleur, smet, snede spek, spekzijde, stuk lands + Lit. pleikti = opensnijden: Idg. wrt. plei̯q en wrt. plei̯ɡ = snijden. Een afleid. hiervan met de bepaalde bet. snede spek is Ags. flicce: z. flets 1.

vlek v. en o. (in alle bet.), Mnl. vlecke + Ohd. fleccho (Mhd. vlecke, Nhd. flecken), On. flekkr. De bet. zijn: stuk, plaats van een ander kleur, smet, snede spek, spekzijde, stuk lands + Lit. pleikti = opensnijden: Idg. wrt. plei̯q en wrt. plei̯ɡ = snijden. Een afleid. hiervan met de bepaalde bet. snede spek is Ags. flicce: z. flets 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1vlek s.nw.
1. Vuil kol deur iets soos vet of bloed gelaat. 2. Smet, bv. op iemand se naam of eer. 3. Plek wat anders gekleurd is as die res. 4. Uitslag, verkleuring, kol.
Uit Ndl. vlek (Mnl. vlecke, vlec in bet. 1 en 2, ongeveer 1516 in bet. 3, 1526 in bet. 4).
D. Fleck (8ste eeu).

3vlek s.nw. (minder gebruiklik)
Klein dorpie, gehug.
Uit Ndl. vlek (1510).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vlek III: s.nw., vuil kol/merk (v. kleurstof, olie, vet, ens.) op ’n voorwerp; uitslag (bv. op gesig); (fig.) smet; Ndl. vlek (Mnl. vlecke), Hd. fleck(en), hou verb. m. Hd. ww. flicken, “lap”, en m. vlek II.

vlek IV: s.nw., (boekw. v.) dorpie, reeds in Mhd. in bet. “dorp”, blb. bep. toep. v. vlek III.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

vlekje In 1980 in Ridderkerk gehoord en onlangs in Amsterdam. Het wordt als soortnaam gebruikt, maar is eigenlijk een merknaam. Vlekje komt vooral voor in de uitdrukking even een vlekje wegwerken, een slagzin waarmee de Delftse destilleerderij Vlek & Co in de jaren zeventig op radio en televisie jonge jenever aanprees. De merknaam Vlekje is een vondst van de toenmalige eigenaar van de destilleerderij, J.A. Vlek (1908-1984).
Tot dan toe was de firma Vlek gespecialiseerd in oude jenever, die vooral in het westen van Nederland werd afgezet. De oude jenever werd op de markt gebracht onder de naam Vlek, en het nieuwe product, jonge jenever, kreeg de naam Vlekje. Met name in het noorden van Nederland, waar oude jenever van Vlek toen nog geen begrip was, had Vlekje veel succes. De slagzin even een vlekje wegwerken werkte goed, omdat hij zich leende voor allerlei dubbelzinnigheden. Bijvoorbeeld: een man ligt onder een auto te sleutelen en zijn vrouw roept dat hij moet komen eten. Met een poetsdoek in de ene hand en een borreltje in de andere antwoordt hij: ‘’k Kom zo schat, nog even een vlekje wegwerken.’
Vlek & Co stopte eind jaren zeventig met de reclame omdat een en ander de indruk wekte dat jenever heimelijk moest worden gedronken. Vlekje werd toen al als soortnaam gebruikt. Overigens wordt er nog steeds jenever van het merk Vlek geproduceerd.
Voor andere borrelnamen die zijn afgeleid van een merknaam, zie bols, bronnetje, huppelolie, papegaaiensoep, slingertje en spa maison.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vlek ‘smet’ -> Engels fleck ‘sproetje, pukkeltje; deeltje, spikkeltje’; Deens † flæk ‘smet’; Deens flække ‘splinter, barst’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests plekk ‘smet’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch flék, vlék, pelék ‘smet’; Ambons-Maleis flak ‘smet’; Javaans plèk ‘smet’; Kupang-Maleis flak ‘smet’; Menadonees flak ‘smet’; Ternataans-Maleis flak ‘smet’; Creools-Portugees (Ceylon) flek, flec ‘smet’; Papiaments † vlek ‘smet’; Sranantongo flaka (ouder: fraka) ‘smet’; Surinaams-Javaans flakah, flèg ‘smet’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vlek* smet 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1210. Men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan,

d.w.z. voor een algemeen (slecht) gerucht omtrent iemand bestaat altijd wel eenige grond; immers er is geen rook zonder vuurFr. il n'y a point de fumée sans feu; hd. wo Rauch ist, da ist auch Feuer; eng. there is no smoke without some fire. of er luidt nooit een klok of er is een klippel (Waasch Idiot. 359). In de eerste spreekwoordenverzamelingen luidt deze spreekwijze: men heet gheen koe colle si en heeft wat wits voer haren bolle (Prov. Comm. 500); in de Prov. Comm. 449: men en heet gheen koe blare si en heeft een wit hooft; bij Campen, 7: men heet ghien koe blare, off sie hebbe al wat bonts; 52: men hietet selden een Koe blare, sie hebbe dan eenen bonten vlecke, dat aldaar gelijk gesteld wordt aan een ghemeen gheruchte is selden gheloeghen, dat ook voorkomt bij Servilius, 231* en Sart. I, 6, 88: dat alleman seydt is geern waer, ter vertaling van non omnino temere est, quod vulgo dictitant, dat gelijk staat met Sart. IV, 40: rumor publicus non omnino temere est: men schelt geen koe blaer, of hy heeft wat wits. Hieruit blijkt dat deze zegswijze geene verbastering is van eene andere, die ook bij Campen, 7 voorkomt en luidt: men hiet wel een Koe blare, die nochtans niets wits en heft, men geeft wel eens iemand een naam, dien hij niet verdient. Zie Archief II, 246-249; Mnl. Wdb. I, 1282; Tijdschr. XX, 20; Harreb. III, 398; Schuermans, 269 en voor het Nederduitsch Taalgids V, 153; Eckart, 296; Dirksen I, 51. In het Friesch luidt de spreekw.: der wirdt gjin kou bont neamd of der is in wyt hier (een wit haartje) oan; hd. es heisst keine Kuh Blümlein, sie habe denn ein Blässlein (Wander II, 1672; 1676).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut